Een lauwe zomeravond. Tweehoog rechts staat een mevrouw op haar terras te telefoneren : in het Frans en behoorlijk luid. " A demain au tennis, grosses bises à tante Yvonne." Twee tuinmuren verder wordt er een late zeeslag uitgevochten in het plonsbad en aan het hartverscheurend gejank te oordelen is er linksachter iemand per abuis op de teckel gaan staan. Buren, ik zie en hoor hen alleen in de zomer, alsof ze eind september in een doos wo...

Een lauwe zomeravond. Tweehoog rechts staat een mevrouw op haar terras te telefoneren : in het Frans en behoorlijk luid. " A demain au tennis, grosses bises à tante Yvonne." Twee tuinmuren verder wordt er een late zeeslag uitgevochten in het plonsbad en aan het hartverscheurend gejank te oordelen is er linksachter iemand per abuis op de teckel gaan staan. Buren, ik zie en hoor hen alleen in de zomer, alsof ze eind september in een doos worden gestopt en in het tuinhok worden bewaard tot 'de uitkom'. Maar ook buiten de deur word je des zomers meer dan anders met je neus gedrukt op de hebbelijkheden, particuliere trekjes en algehele koddigheid van de menselijke soort. Want terwijl we ons 's winters in bioscopen, concertzalen en andere cultuurtempels veilig tussen gelijkgezinden terugtrekken, worden we in het warme seizoen, soms letterlijk, in het grote bad der diversificatie ondergedompeld. Wat een mens al niet ziet op strand, ligweide en in andere recreatiegebieden ! Neem nu de man die ik onlangs langszij een plaatselijk wateroppervlak aantrof. Wat het eerst mijn aandacht opeiste was zijn coiffure : geschoren slapen en nek, maar voor de rest weelderig, alsof er een klein pelsdier op zijn schedel nestelde. Voorts was hij rijkelijk voorzien van tatoeages en metalen ornamenten. Voor sommigen zou dit voldoende reden zijn om te twijfelen aan 's mans goedwillendheid. Aangezien ik nog liever doodval dan toe te geven dat ik even geborneerd ben als ieder ander, hield ik me voor dat het pure antropologische verwondering was die me deed staren. Naar het motto net onder z'n navel. After forever stond daar, blauw op bleekwit vel. Was zijn 'tatoeëerder' dyslectisch misschien ? Of betrof het een eerbetoon aan de ter ziele gegane deathmetal- band ? En dan waren er de enkels, rondom versierd met doodshoofden, als morbide sokophouders. Ooit moet de man wakker geworden zijn met het idee : "Dát is wat mijn look net dat ietsje meer zal geven." Op dat ogenblik merkte ik tot mijn schrik dat de man zich bewust was van mijn gestaar. Als ik niet oppaste, kreeg ik zo meteen een sneer. Of een pak rammel. Maar een goedmoedige, zelfs ronduit inviterende glimlach gleed over zijn gezicht. Het had het begin van een mooie vriendschap kunnen zijn. Helaas, ik ben al verloofd.- Linda Asselbergs