Column

‘Vroeger was ik sarcastisch, maar nu als vader kan ik wel janken voor elk kind dat in een put valt’

Mijn neef Joe uit Australië, vierennegentig lentes oud en een handvol herfstige maanden, laat weten dat hij een schilderij heeft teruggevonden van de hand van mijn vader. ‘Hij maakte het als jongeman bij ons thuis. Ik zie het hem nog schilderen, het moet in 1939 geweest zijn. Het doek zat in een kist en is een beetje verfrommeld, maar misschien interesseert het je wel.’

Het schilderij, zie ik op de foto, toont een zee van stilte tussen tempels en bergen. Ik zeg dat ik het dolgraag wil hebben. Mijn vader was vijfenvijftig toen ik werd geboren. Over wat hij de jaren daarvoor in zijn leven heeft uitgespookt, hangt een floers van geheimzinnigheid en raadsel.

Mijn neef doet het schilderij op de post, het verdwijnt in een gat zo zwart als het centrum van de melkweg. Een maand later is het nog altijd spoorloos. Net als we beginnen te vrezen dat het voorgoed verloren is, wordt het bij Joe terugbezorgd. Return to sender: het is leuk voor een liedje van Elvis, maar superfrustrerend voor iets waar je halsreikend naar uitkijkt.

Vroeger was ik sarcastisch, maar nu als vader kan ik wel janken voor elk kind dat in een put valt.

‘Het moet nochtans tot in België zijn geraakt,’ moppert Joe, ‘want er staat in twee landstalen op dat het niet bezorgd kon worden. Wat voor idioten zijn dat daar bij jullie in de post?’

Ik zeg dat het onlangs nog al eens gebeurd is, met een kaart uit Assebroek die volgens de afzender Jingle Bells zong als je ze opende. Die te verdonkeremanen, was misschien goede smaak van de postbode.

Mijn neef is gelukkig geen klager, tenzij soms over knieën die zeer doen. Hij heeft een avontuurlijk leven geleid en schrijft zijn herinneringen neer in loepzuiver Engels. Zoals die aan de Messerschmitt die in de oorlog onverwachts op hem neerdook. Toen de piloot zag dat hij een kind in het vizier had, wuifde hij vanuit zijn cockpit. ‘Ik zwaaide enthousiast terug. Daarop wierp hij zijn brandstoftank af naast ons huis en bombardeerde het vliegveld van Evere.’

Dat verhaal vind ik ontroerend. Vroeger was ik sarcastisch, maar sinds ik zelf vader ben, kan ik wel janken voor elk kind dat in gevaar is of ergens ter wereld in een put valt.

Ik vraag Joe of ze down-under ook zo piekeren over de gasprijs en Poetin. ‘Ik probeer de toekomst positief te zien’, schrijf ik hem. ‘Maar soms is dat niet makkelijk. Het leven lijkt een doolhof vol valstrikken, hinderpalen en distributienettarieven.’

Als antwoord stuurt hij mij een foto van een kitten die op een laptop ligt te slapen. ‘There are two means of refuge from the miseries of life’, staat erbij te lezen : ‘Music and cats.’

Het zal wel horen bij het waardig ouder worden, denk ik grijnzend, om af en toe ongegeneerd een open deur in te trappen. Toch neem ik de raad van mijn neef ter harte. Ik aai mijn kat en kan nog net een uithaal van zijn klauw ontwijken. Ik vis een plaat uit een hoes waarop Leonard Cohen in maatpak een banaan staat te eten. Hij draagt een zonnebril en zingt dat er in Wenen tien mooie vrouwen zijn.

Joe laat nog weten dat hij mij het schilderij opnieuw zal toesturen, hoewel het postkantoor zestig kilometer ver is en zijn knieën zeer doen.

Voor een stad van twee miljoen inwoners lijken tien mooie vrouwen mij weinig.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content