Column

‘Soms kan ik genieten van zedenverwildering, soms voel ik een vaag verlangen naar orde en netheid’

Het weer is helder en dan wil je op stap, na maandenlang te hebben rondgescharreld in het duister als een kip zonder vrije uitloop. Ik denk aan het ‘blijf in uw kot’ van Maggie De Block. Waar zou zij tegenwoordig uithangen? Sommige vragen zijn interessanter dan hun mogelijke antwoorden.

Mijn gezellin en ik rijden naar de stad waar ik de eerste achttien jaar van mijn leven heb doorgebracht. We wandelen langs de Leie en de Broeltorens, tot in de verte de contouren van mijn vroegere school opdoemen. Daar wordt onderwijs verstrekt sinds 1833. Toen ik er zat, had het de sfeer van Zweinstein in het klein – hoewel Harry Potter nog bedacht moest worden. Er waren verweerde muren, geheime doorgangen, een prachtige traphal en geesten die in geheimzinnige kerkers met kettingen rammelden. Torens priemden in de lucht met smeedijzeren kruisen, in een vergeefse poging om de voeten van het opperwezen te kietelen. Hugo Claus versleet er broeken maar ook een neef van Guido Gezelle, Piet Goddaer en een volkszanger die plaatselijk roem verwierf als Johny Turbo.

Soms kan ik genieten van zedenverwildering, soms voel ik een vaag verlangen naar orde en netheid.

We komen op de speelplaats langs een poortje waarop staat te lezen: ‘NA DIT PUNT GEEN KAUWGOM MEER’. Hier droomde ik van reizen naar verre planeten, toen alles nog kon en niets verloren was. Klasgenoten van weleer doen schimmige dingen in de financiële wereld. Opvallend genoeg blijken de toenmalige pesters nu vaak in een raad van bestuur te zetelen.

De school is een patchwork geworden van oude charme en zielloze aanbouwsels. Overal zie ik mos, betonrot en dingen die met haken en ogen aaneenhangen. Het priesterkwartier is afgebroken; in plaats daarvan verrees een torengebouw met luxe-appartementen. Duiven koeren op vermolmde zolders en de schoonheid is vervlogen. Zo voelt het ongeveer als je foto’s van Brigitte Bardot vroeger en nu ziet.

De patroonheilige van onze school was Sint-Amandus. Hij betekende ooit iets in wat genoemd werd: de kerstening, een woord dat doet denken aan foltertuigen of steenfruit. Zijn standbeeld staat er nog, larger than life op een sokkel tegen een muur in een hoek van de speelplaats. Iemand heeft met groene verf extra ledematen op de muur gespoten die aan het lijf van de heilige groeien. Zo lijkt Sint-Amandus op Shiva, de veelarmige danser uit het hindoeïsme. Door de krulsnor die onder zijn neus is gespoten, wordt hij een wuft personage met in zijn hand een porn star martini. Het beeld past perfect bij de rest van het Westen, dat hier en daar ook een beetje in verval lijkt.

Soms kan ik genieten van de zedenverwildering, soms ook voel ik een vaag verlangen naar orde en netheid. Ik vertel over onze leraar Latijn, die dramatisch de handen ten hemel hief en uitriep: ‘O tempora, o mores!’ Wat een tijd, wat een zeden! Het is een troost dat Cicero dat al in 63 voor Christus heeft geschreven.

Mijn gezellin luistert beleefd naar mijn verhalen. Wat is er vervelender dan anekdotes uit tijden waarin je zelf nog niet leefde? Ik kan mij beter uit de voeten maken, voor de beklemming als een dementor opstijgt uit de tegels van de speelplaats.

In de stad zijn de herbergen gelukkig open. Wij vinden friet met stoverij die zeer te pruimen is.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content