Column

Nathalie Cardon

‘Ben ik een borstenbeul door ’s morgens mijn Marie Jo vast te haken? Een slaaf van de commercie?’

Nathalie Cardon Eindredactrice Knack Weekend

Nathalie Cardon vindt niks te banaal voor een goed verhaal.

Al weken word ik opgejaagd, mentaal achtervolgd door een nieuw gebod dat in de krant stond: ‘Doe uit die beha! Borsten móéten wiebelen, wippen en schommelen.’ Die twee accenten. Doodeng. Niet alleen werd in het artikel gesuggereerd dat een beetje bevrijde vrouw tegenwoordig met zichtbare tepels naar het werk trekt – alle bovenlichamen gelijk! – op het einde waarschuwde een experte ook nog voor verkleefd bindweefsel en andere ellende, veroorzaakt door de gevangenis die een beha is. Totaal onnodige miserie: ‘borsten worden steviger’ als ze zichzelf omhooghouden.

Ik probeerde de dagen door te komen alsof er niks veranderd was. Kop in het zand. Maar vanbinnen begon het te gisten. De twijfel, het zelfverwijt. Als ik de vrouwenzaak genegen was en wou tonen dat ook ik de hysterie rond blote boezems idioot vond, moest ik dan niet dringend met mijn deinende duo de straat op? Was ik een borstenbeul door ’s morgens mijn Marie Jo vast te haken? Een slachtoffer van de commercie, van geïnternaliseerde misogynie? Ik begon stilaan nood te krijgen aan een gesprek. Met mijn borsten. Types die ik onafhankelijke denkers zou durven noemen.

Ben ik een borstenbeul door ’s morgens mijn Marie Jo vast te haken? Een slaaf van de commercie?

Aanvankelijk kwam er niet veel geluid uit. Ze hadden liggen slapen. Lui op hun balkon. Toen ik bleef aandringen – “Wat denken jullie, moeten we de trossen losgooien?” – werd er gesnauwd: “ Moet just niks. Ken je die T-shirts met dat opschrift? We moeten al zoveel, heel ons leven. Eerst moesten we gelijkmatig groeien. Niet te snel, niet te traag, niet te groot, niet te klein. Dan moesten we borstvoeding geven. Niet te kort, niet te lang. We moesten ons aftekenen in kleding, maar subtiel, niet te veel. We moesten raad slikken van vrouwenbladen: zonder crèmes van honderd euro zouden we het niet redden. En weet je wat? We hebben aan veel van die onzin niet meegedaan en zijn het ook nu niet van plan. Nothing to prove.” “Maar is het niet net de ultieme vrijheid, als alle lijven onbeteugeld rondlopen?” probeerde ik. “Lijven met een A-cup, bedoel je”, schamperde de linkerborst. “Spreek maar eens een vrouw die kromtrekt van de rugpijn ’s avonds. Soms zit vrijheid in de beperking.” “Ja, maar qua body positivity bedoel ik.” Ze begonnen te schuddeborsten. “Mooi woord,” zei rechts, “maar zullen we de cijfers er even bij nemen, van puntgave meisjes die naar de chirurg stappen? Gaan die zich plots bedenken als jij er als Ma Flodder bij loopt? Herinner je je trouwens die toneelvoorstelling waarin een actrice een paar ‘stokoude’ borsten ombond? Aandoenlijk, dacht je bij jezelf, twee soldaten die trouw gediend hadden. Maar de zaal vol twintigers vond het kostelijk. Het leven is hard onder het oppervlak van de hashtags.”

Oké. Dus mijn lijf was niet van plan een steen te verleggen. “We steunen de strijd, we hoeven alleen niet in de voorhoede te lopen”, concludeerde links, altijd al de dominante van de twee. Maar wat met het hoofdstuk gezondheid en stevigheid? Een Google-zoektocht had me bij tegenstrijdige berichten gebracht, die ik wanhopig probeerde samen te vatten. Schommelen: goed, te veel schommelen: funest. Wat nu gedaan? “Wat je altijd al deed!” klonk het unisono. “Beha’s dragen waar de rek al wat uit is, omdat je ze maar niet kunt weggooien: steun, maar geen verstikking. En laat ons nu met rust, we hebben wel wat beters te doen.”

“Zoals?”

“Gewoon. Wat hangen.”

Dat mocht. Ik trok mijn beha uit en zwierde ’m door de kamer. Het was donderdagmiddag, ik zat thuis achter mijn bureau, en plots voelde alles als zaterdagochtend. Zo’n moment waarop er niks moet en je voor niemand de deur opendoet.

Partner Content