Lees ook:
...

"Uit de haven van Belém zal de roemruchtige Pacheco, de Achilles van Portugal, vertrekken, die zich niet bewust is van hetgeen hij verdient en vermag [....]" In 1572, na zijn terugkeer uit Indië, publiceert de dichter Luís de Camões De Lusiaden (Os Lusíadas in het Portugees). In de verzen van dit heldendicht verheerlijkt hij het Portugese rijk en de avonturen van de grote ontdekkingsreizigers, zoals Pacheco Pereira ("deze held waarvan de naam zal groeien") en Vasco da Gama.De karvelen van deze dappere zeevaarders vertrokken uit de haven van Belém, maar vandaag verwelkomt de oude aanlegsteiger uitsluitend de kleine witte zeilbootjes van de zeilscholen, enkele trawlers en ferry's die de verbinding maken met de andere oever van de Taag of die toeristen rondvaren. Belém is nu één van de voornaamste toeristische trekpleisters van Lissabon geworden. Elke dag verdringen toeristen zich hier om de historische monumenten van het rijk van Manuel I te bezoeken, waaronder de fameuze toren van Belém. Deze oude bewakingstoren werd tussen 1515 en 1521 gebouwd en evoceert Afrika, met de uitkijktorentjes met koepels, de Moorse ramen, de opengewerkte balkons en de sculpturale ornamenten die eigen zijn aan de Manuelstijl. Zo stelt één van de decoratieve beelden verrassend genoeg een neushoorn voor.In 1514 schonk de Indische sultan Muzafar II, gouverneur van Khambat (vandaag de deelstaat Gujarat) dit dier aan de Portugese admiraal Alfonso d'Albuquerque. Die besloot het op zijn beurt cadeau te geven aan koning Manuel I en zo ondernam de neushoorn een eerste overtocht van Indië naar Portugal, waar hij een sensatie veroorzaakte! Een jaar later werd het dier, zwaar opgetuigd met een geborduurde groenfluwelen halsband, opnieuw op een schip geladen dat deel uitmaakte van een koninklijk konvooi voor Rome. Het schip kwam echter in een zware storm terecht en kapseisde voor de kust van Genua. Zo verdronk de ongelukkige neushoorn vooraleer hij het Vaticaan had bereikt.In 1960 werd ter gelegenheid van de 500ste verjaardag van de dood van Manuel I niet ver van de toren van Belém een monument opgericht. Deze memorial draagt de naam Padrão dos Descobrimentos ('monument der ontdekkingen) en is het werk van Cotinelli Telmo, een architect en cineast uit Lissabon. In de vorm van een karveel rijst het bouwwerk langs de Taag op, met op de voorsteven een aantal door Leopoldo de Almeida gebeeldhouwde figuren die de koning en zijn zeevaarders voorstellen. Aan de voet van het monument ligt een mozaïek van een windroos met een diameter van 50 meter, met een wereldkaart die de routes toont die de Portugese ontdekkingsreizigers namen. Dat ziet u het beste van bovenaf, maar de dag van ons bezoek gooit er een zeldzaam klimatologisch fenomeen roet in het eten. In een oogopslag slokt een dikke zeemist de wijk van Belém op. "Dat is de nevoeiro!" zegt een oude visser. Men hoort enkel nog sirenes van boten, die verrast werden door deze plots opkomende zware mist. Uiteindelijk verdwijnt de nevoeiro zoals hij gekomen is, het zicht vrijmakend op het kolossale Mosteiro de Jerónimos (Hiëronymietenklooster).Dit als werelderfgoed ingeschreven klooster is één van de meest opmerkelijke voorbeelden van religieuze architectuur in Manuelstijl in Portugal. Koning Manuel I beval de bouw in 1502, die 50 jaar duurde. Het werd gebouwd bij een oude kluizenaarswoning ter ere van de maagd van Bethlehem, die uiteindelijk de naam aan de parochie zou geven. Met dit project had koning Manuel I een dubbele bedoeling. Ten eerste strategisch: hij wilde met veel eerbetoon een uit Spanje afkomstige religieuze orde verwelkomen die de steun van de Katholieke Koningen genoot, want door te huwen met Isabella van Aragon was hij hun schoonzoon geworden. Maar tegelijk wou hij de macht van zijn rijk etaleren, door een reeks monumenten van faraonische proporties te financieren, waaronder het klooster. Hij deed een beroep op de beste architecten, schilders en beeldhouwers van die tijd. Vooral de Santa Mariakerk (waar Luís de Camões et Vasco da Gama begraven liggen) is een architectonisch hoogstandje met een ribgewelf van 30 meter lang, ondersteund door zes zuilen, rijk versierd met beeldhouwwerk.Het kloostergebouw is zo groot dat ook het Nationaal museum voor archeologie en het Zeevaartmuseum hier een onderkomen vonden, twee bezoeken die u niet mag missen als u de geschiedenis van Lissabon grondig wil kennen. In het klooster verbleven monniken tot 1833, het jaar waarin koning Pieter IV religieuze ordes verbood. Ze hebben hier dus een lange tijd gelukkig kunnen leven en legden zich ook toe op de kunst van het gebak, want het recept van de fameuze pastéis de nata, één van de specialiteiten van Lissabon, wordt aan hen toegewezen! Vandaag is het recept van deze kleine gebakjes van bladerdeeg nog altijd een goed bewaard geheim bij de Pastelaria de Belém. De huidige eigenaar van de zaak, Miguel Clarinha, vertelt dat hier dagelijks tussen de 3.000 en 4.000 klanten over de vloer komen en er gemiddeld 20.000 gebakjes per dag worden verkocht. In het atelier vult een tiental vrouwen met ontstellende snelheid duizenden kleine stalen vormpjes met de magische geheime formule van de broeders Hiëronymieten, die vervolgens gedurende twintig minuten in de oven verdwijnen. De met azulejos gedecoreerde eetzalen zitten altijd vol en om 11 uur 's ochtends oogt de dienster al een beetje bleek van vermoeidheid...Net daarnaast is er nog een magische plaats, het is er zeker niet zo druk als in de patisserie, maar evenzeer een bezoek waard: de botanische tuin van Belém. Met een overvloed aan planten en exotische vogels meegebracht uit China, Indië, Afrika en Amerika is het een levende getuige van het oude koloniale rijk. Deze zeven hectare grote tuin werd in 1906 aangelegd als onderzoekslaboratorium voor landbouw in de Portugese kolonies, maar deze activiteit is deels gestopt door gebrek aan middelen voor de volledige renovatie en het onderhoud. Doorheen de gebroken tegels van een verroeste serre groeien bamboeplanten en Afrikaanse lelies. Sommige oude onderzoekspaviljoenen in art decostijl liggen er verwaarloosd bij, de muren bedekt met korstmos.... "Wat een ramp!" roept een Spaanse dame ontgoocheld uit als ze rondom kijkt. José, die aan de kassa zit, geeft toe dat de tuin er een 'beetje troosteloos' bijligt. Hij werkt hier twee dagen per week als vrijwilliger om 'uit te rusten van zijn werk' zoals hij het zelf omschrijft.Vandaag is Belém een opmerkelijk heterogene wijk, met naast het meest prestigieuze historisch patrimonium van Lissabon ook nieuwe gebouwen met een avant-gardistische architectuur, zoals het culturele centrum van Belém, 14.000 vierkante meter groot. Het herbergt onder andere het museo Berardo, met ongeveer 800 hedendaagse kunstwerken, afkomstig uit de privécollectie van José Berardo, één van de machtigste zakenmensen en mecenassen van Portugal. Even verderop ligt het nieuwe koetsenmuseum, ontworpen door de Braziliaanse architect Paulo Mendes de Rocha. Dit museum werd gesticht door koningin Amélia van Portugal en werd gerenoveerd naar aanleiding van zijn 110e de verjaardag enkele jaren geleden. Men kan er de grootste collectie van koninklijke koetsen ter wereld zien, met 78 ceremoniële voertuigen van de 17e tot 19e eeuw. De oude elektriciteitscentrale langs de Taag uit 1909 werd eveneens aangepakt om er een nieuw museum in onder te brengen, het MAAT (Museu de Arte, Arquitetura e Tecnologia ). Men kan er de oude machinekamers zien en tijdelijke tentoonstellingen met kunstwerken van Portugese artiesten bezoeken, afkomstig uit het fonds van de EDP-stichting (Energias de Portugal, het belangrijkste elektriciteitsbedrijf in Portugal). En ondertussen duiken nieuwe luxueuze boetiekhotels op rond de jachthavens van Belém en rijden hier dure sportwagens rond. Belém lijkt een nieuwe koers te varen.