Fashion Revolution, de dag waarop we de Bengaalse Rana Plaza-ramp herdenken, ligt nog maar net achter ons, of er wordt opnieuw aan de alarmbel getrokken. Een rapport van het New York University Stern Centre for Business stelt immers dat Ethiopische textielarbeiders de goedkoopste ter wereld zijn. Ze worden minder dan één euro per dag betaald, wat ver onder de armoedegrens ligt. Merken zoals H&M, Tommy Hilfiger en Guess betalen er minimumlonen waar de arbeiders niet mee rond komen.

De Wereldbank stelt dat de armoedegrens ligt op twee euro per dag. Een maandloon van 23 euro, zoals dat van de Ethiopische arbeiders in de fabrieksregio Hawassa, is dus een hongerloon. In Bangladesh en Vietnam verdienen arbeiders intussen, na veel werk van lobbygroepen en vakbonden, heel wat meer. Niet dat zij gemakkelijk rondkomen van hun loon, ook in deze Aziatische landen blijft het minimumloon beschamend laag.

Schone schijn

De regering van Ethiopië beweert dat het rapport niet genuanceerd genoeg is. Volgens hen voorzien ze ook gratis maaltijden en woningen voor de arbeiders, wat compenseert voor het loon. Toch is dat zeker niet voor alle arbeiders het geval. Heel wat werkkrachten moeten uren reizen voor ze op hun werk aankomen en er zijn getuigenissen die spreken over arbeiders die flauwvallen door de honger.

De fabrieksgebouwen in Hawassa zijn splinternieuw en dus veiliger dan de meeste fabrieken in Aziatische landen. Maar een propere en veilige werkomgeving is niet alles: ook de lonen van de arbeiders zijn belangrijk voor hun welzijn en dat van hun kinderen.