De fair fashion community kan opgelucht ademhalen: vakbonden en kledingmerken zijn het eens geraakt over een nieuw akkoord over gebouw- en brandveiligheid in kledingfabrieken. De nieuwe overeenkomst is de opvolger van het Bangladesh Akkoord voor gebouw- en brandveiligheid, dat tot stand kwam kort na de instorting van het Rana Plaza complex op 24 april 2013. In dat complex waren verschillende kledingfabrieken gevestigd, die voor westerse modebedrijven produceerden. De ramp kostte het leven aan 1134 mensen. Dit tragische ongeval was voor velen een wake-up call. De mensen die onze kleding maken kregen een gezicht en hun trieste lot werd voor even wereldnieuws.

Hoog tijd voor veilige werkomstandigheden voor kledingarbeiders wereldwijd.

Rana Plaza was een accident waiting to happen: de fabrieken in Bangladesh waren notoir onveilig. Door de opschudding die de ramp veroorzaakte, lukte wat eerder niet gelukt was. Kledingmerken en -ketens ondertekenden een juridisch bindend akkoord en erkenden daarmee hun verantwoordelijkheid voor de omstandigheden waarin de kledingwerkers in Bangladesh moesten werken. Er was een stevige stok achter de deur: bedrijven die de bepalingen van het Akkoord niet respecteerden, konden voor de rechtbank worden gedaagd. In twee gevallen kwam het ook zover.

Het Bangladesh Akkoord verbeterde de afgelopen 8 jaar de veiligheid voor 2 miljoen kledingwerkers in Bangladesh. De nieuwe overeenkomst behoudt de belangrijkste elementen van het Bangladesh Akkoord: de wettelijke afdwingbaarheid, onafhankelijk toezicht, de verplichting voor merken om de leveranciers voldoende te betalen om de veiligheid in de fabrieken te kunnen garanderen en het verbod om nog zaken te doen met fabrieken die weigeren de veiligheid te verbeteren. Ook andere belangrijke elementen, zoals het klachtenmechanisme en de doorgedreven transparantie, staan opnieuw in de tekst.

Voorbeeld voor andere productielanden

Maar wat écht baanbrekend is, is dat het nieuwe akkoord niet alleen geldt voor de kledingfabrieken in Bangladesh, maar ook kan uitgebreid worden naar andere productielanden. Die mogelijke uitbreiding naar andere landen, is heel goed nieuws. Bangladesh is immers niet het enige productieland waar fast fashion bedrijven neerstrijken op zoek naar goedkope arbeidskrachten. Wordt een populair productieland te duur, dan trekken ze naar het volgende. Op dit moment zijn Bangladesh, Myanmar en Ethiopië hotspots. Maar ook Turkije, China, Cambodja, Pakistan, Vietnam, Indonesië en India blijven populair. Doordat de productie zo goedkoop moet, zijn de problemen vaak dezelfde. Kledingwerkers moeten werken tegen een schandalig laag loon en riskeren hun leven in onveilige fabrieken.

Modemerken die ervoor kiezen om te laten produceren in een land waar de arbeidsrechten niet gerespecteerd worden, moeten net méér aandacht hebben voor ketenzorg.

8 februari 2021, Tanger, Marokko: 28 werknemers sterven door elektrocutie nadat hun kledingfabriek overstroomde. 11 maart 2021, Caïro, Egypte: 20 mensen komen om bij een brand in een kledingfabriek. 21 juni 2021, New Delhi, India: bij een brand in een schoenenfabriek vallen 6 doden doordat het trappenhuis volstond met goederen. Sinds begin 2021 vielen er minstens 96 doden en 147 gewonden in verschillende veiligheidsincidenten in kledingfabrieken wereldwijd. Het gaat dan alleen om incidenten gelinkt aan gebouw- en brandveiligheid, niet om ongevallen met machines of chemische producten. In werkelijkheid liggen de cijfers wellicht nog veel hoger, want veel incidenten blijven onder de radar.

Zelfregulering of onafhankelijke audits?

Natuurlijk ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de kledingmerken en -ketens voor wie deze werknemers kleding naaien, maar ook bij de overheden van die landen. Volgens de internationale richtlijnen hebben overheden de plicht om hun burgers te beschermen tegen mensenrechtenschendingen, ook door bedrijven. Maar de kledingsector is voor veel landen een belangrijke sector, die veel ongeschoolde mensen tewerkstelt. Het is ook een sector die zich snel en makkelijk verplaatst. Regeringen van productielanden doen er dan ook alles aan om internationale kledingmerken en -ketens in hun land te houden. Fabrieksinspecties passen niet in dat plaatje.

Ali Enterprises, een kledingfabriek in Pakistan verwoest door een brand, kreeg luttele weken vóór de brand een certificaat dat moest aantonen dat de fabriek de regels respecteerde

Maar ook al blijven lokale regeringen in gebreke, dat is geen reden voor kledingbedrijven om hun huiswerk niet te doen. Integendeel, wie ervoor kiest om te laten produceren in een land waar de arbeidsrechten niet gerespecteerd worden, moet net méér aandacht hebben voor ketenzorg*.

De kledingsector heeft het best slim gespeeld. Na de eerste kritiek op de sweatshops in de jaren negentig keurden veel bedrijven gedragscodes goed, betaalden ze andere bedrijven om controles te doen en publiceerden ze knappe jaarrapporten op glanzend papier. Zo vermeden ze niet alleen imagoschade maar privatiseerden ze de facto ook de oplossing voor het probleem. Hun redenering was simpel: wanneer bedrijven zichzelf reguleren, zijn arbeidsinspecties en wetten overbodig.

Audits kunnen een (klein) deel van de oplossing zijn, maar ze zijn té lang ingezet als een wondermiddel.

Zelfregulering om wetten te voorkomen dus. Politici overal ter wereld hadden daar wel oren naar: het probleem werd ogenschijnlijk aangepakt, en zelf moesten ze geen maatregelen nemen die niet goed zouden vallen bij de bedrijven. Helemaal in lijn dus met de overheersende politieke ideologie van de voorbije decennia dat de markt zichzelf wel reguleert en dat overheden zich best afzijdig houden. Bovendien is de kledingsector ook bij ons een belangrijke sector. Veel productie is er in België niet meer, maar in de verkoop zijn wel duizenden mensen tewerkgesteld. Wereldwijd ging het aantal arbeidsinspecties door overheden omlaag doordat de diensten onderbemand en ondergefinancierd werden.

Alleen werd het probleem niet aangepakt. In verschillende fabrieken waar de afgelopen 10 jaar een grote ramp gebeurde, was de fabriek vooraf geïnspecteerd door een privaat auditbedrijf. Er was Rana Plaza zelf natuurlijk, waarvan de constructie volgens een auditbedrijf van een goede kwaliteit was. Minder dan een jaar later stortte het gebouw in. Bleek dat het op een instabiele ondergrond stond en er illegaal enkele verdiepingen toegevoegd waren.

Moordende mode

Ali Enterprises, een kledingfabriek in Pakistan verwoest door een brand in september 2012, kreeg luttele weken vóór de brand een certificaat dat moest aantonen dat de fabriek de regels respecteerde, onder andere met betrekking tot brandveiligheid. Toch had het gebouw geen brandalarm, onvoldoende brandbestrijdingsapparatuur en te weinig nooduitgangen voor de 1000 mensen die er werkten. 250 kledingwerkers stierven in de brand. In 2017 stierven 13 werknemers nadat een boiler ontplofte in de Multifabs kledingfabriek in Bangladesh. Die fabriek had bezoek gehad van zowel private auditors als de inspecteurs van het Bangladesh Akkoord. Het verschil tussen beide rapporten is schokkend: ze lijken het over twee verschillende fabrieken te hebben. De private auditors gaven de fabriek de tweede hoogste score voor veiligheid en gezondheid. Verdere opvolging was volgens hen niet nodig. De inspecteurs van het Bangladesh Akkoord hadden enkele jaren eerder maar liefst 102 veiligheidsproblemen vastgesteld. Er waren opvolginspecties gebeurd, alle rapporten waren publiek gemaakt.

De situatie was verbeterd maar er waren nog enkele hardnekkige problemen. Vreemd genoeg waren de vaststellingen van het Bangladesh Akkoord zelfs niet opgenomen het rapport van de privé-auditor - de samenvatting dan, want het volledige rapport werd nooit publiek gemaakt. Audits kunnen een (klein) deel van de oplossing zijn, maar ze zijn té lang ingezet als een wondermiddel. En ze zijn al helemaal geen alternatief voor publieke inspecties en wetten.

Arbeidsrechten in Pakistan

Twee jaar geleden al ijverden vakbonden en arbeidsrechtenorganisaties in Pakistan voor een wettelijk bindende akkoord over fabrieksveiligheid, naar het voorbeeld van het Bangladesh Akkoord. In Pakistan werken zo'n 2,2 miljoen mensen in de textielsector, of 6,7% van de beroepsbevolking . De sector is goed voor de helft van de export van het land. 70% van de producten die Pakistan naar de Europese Unie exporteert, zijn stoffen en kleding. De merken die het meest in Pakistan laten produceren zijn H&M, C&A, Next, Adidas, New Look, Target, Zeeman en Levi Strauss. Ook in Pakistan is er weinig tot geen publieke arbeids- of veiligheidsinspectie. "Bij gebrek aan een efficiënte uitvoering van de arbeidswetgeving kan de uitbreiding van het akkoord tot Pakistan helpen om de arbeidsrechtensituatie in Pakistan te verbeteren,' stelt Khalid Mahmood, directeur van de Labour Education Foundation. "Internationale merken moeten de verantwoordelijkheid nemen om vakbondsvrijheid, leefbare lonen, sociale bescherming en veilige werkomstandigheden te garanderen aan werknemers in hun toeleveringsketen. Een juridisch bindende overeenkomst kan een doeltreffend instrument zijn om de basisrechten van werknemers te waarborgen, maar kan alleen effectief zijn als de werknemers en vakbonden betrokken zijn."

Sinds de brand in de Pakistaanse kledingfabriek Ali Enterprises zijn er weliswaar meerdere initiatieven genomen om de veiligheid op de werkplek aan te pakken, maar die zijn allemaal weinig transparant en geen van alle afdwingbaar. Vakbonden werden niet betrokken bij het ontwerp, de uitvoering en het bestuur van die initiatieven.

Verantwoordelijkheid voor Belgische bedrijven en beleidsmakers

Op 1 september zal het Akkoord bekend maken welke modemerken en -ketens de nieuwe overeenkomst getekend hebben. De Schone Kleren Campagne rekent erop dat ook Belgische bedrijven die in Bangladesh laten produceren het Akkoord ondertekenen. Door het gebrek aan transparantie in de sector weten we helaas niet exact welke bedrijven dat zijn. De verschillende regeringen in ons land hebben Belgische kledingbedrijven nooit actief en al helemaal niet publiek aangemoedigd om het Akkoord te ondertekenen. Hopelijk gebeurt dat deze keer wel.

*Wat is ketenzorg?

Het nieuwe Akkoord focust nog steeds op de veiligheid van kledingfabrieken. Andere problemen waarmee de sector kampt, zoals de extreem lage lonen, zijn er niet in opgenomen. Van bedrijven in alle sectoren wordt verwacht dat ze de mogelijk negatieve ­impact op de mensenrechten en het milieu in hun toeleveringsketen in kaart brengen, een actieplan opmaken en daarover communiceren. Ketenzorg, in één woord. De Europese Unie en verschillende landen in Europa, waaronder België, werken aan wetgeving om ketenzorg te verplichten. Bedrijven die niet aan ketenzorg doen, zouden dan voor de rechtbank kunnen worden gedaagd. Een ­ketenzorgwet zou een einde maken aan de oneerlijke concurrentie van ­bedrijven die zich weinig aantrekken van de mensenrechten of het milieu.

De fair fashion community kan opgelucht ademhalen: vakbonden en kledingmerken zijn het eens geraakt over een nieuw akkoord over gebouw- en brandveiligheid in kledingfabrieken. De nieuwe overeenkomst is de opvolger van het Bangladesh Akkoord voor gebouw- en brandveiligheid, dat tot stand kwam kort na de instorting van het Rana Plaza complex op 24 april 2013. In dat complex waren verschillende kledingfabrieken gevestigd, die voor westerse modebedrijven produceerden. De ramp kostte het leven aan 1134 mensen. Dit tragische ongeval was voor velen een wake-up call. De mensen die onze kleding maken kregen een gezicht en hun trieste lot werd voor even wereldnieuws. Rana Plaza was een accident waiting to happen: de fabrieken in Bangladesh waren notoir onveilig. Door de opschudding die de ramp veroorzaakte, lukte wat eerder niet gelukt was. Kledingmerken en -ketens ondertekenden een juridisch bindend akkoord en erkenden daarmee hun verantwoordelijkheid voor de omstandigheden waarin de kledingwerkers in Bangladesh moesten werken. Er was een stevige stok achter de deur: bedrijven die de bepalingen van het Akkoord niet respecteerden, konden voor de rechtbank worden gedaagd. In twee gevallen kwam het ook zover. Het Bangladesh Akkoord verbeterde de afgelopen 8 jaar de veiligheid voor 2 miljoen kledingwerkers in Bangladesh. De nieuwe overeenkomst behoudt de belangrijkste elementen van het Bangladesh Akkoord: de wettelijke afdwingbaarheid, onafhankelijk toezicht, de verplichting voor merken om de leveranciers voldoende te betalen om de veiligheid in de fabrieken te kunnen garanderen en het verbod om nog zaken te doen met fabrieken die weigeren de veiligheid te verbeteren. Ook andere belangrijke elementen, zoals het klachtenmechanisme en de doorgedreven transparantie, staan opnieuw in de tekst.Maar wat écht baanbrekend is, is dat het nieuwe akkoord niet alleen geldt voor de kledingfabrieken in Bangladesh, maar ook kan uitgebreid worden naar andere productielanden. Die mogelijke uitbreiding naar andere landen, is heel goed nieuws. Bangladesh is immers niet het enige productieland waar fast fashion bedrijven neerstrijken op zoek naar goedkope arbeidskrachten. Wordt een populair productieland te duur, dan trekken ze naar het volgende. Op dit moment zijn Bangladesh, Myanmar en Ethiopië hotspots. Maar ook Turkije, China, Cambodja, Pakistan, Vietnam, Indonesië en India blijven populair. Doordat de productie zo goedkoop moet, zijn de problemen vaak dezelfde. Kledingwerkers moeten werken tegen een schandalig laag loon en riskeren hun leven in onveilige fabrieken. 8 februari 2021, Tanger, Marokko: 28 werknemers sterven door elektrocutie nadat hun kledingfabriek overstroomde. 11 maart 2021, Caïro, Egypte: 20 mensen komen om bij een brand in een kledingfabriek. 21 juni 2021, New Delhi, India: bij een brand in een schoenenfabriek vallen 6 doden doordat het trappenhuis volstond met goederen. Sinds begin 2021 vielen er minstens 96 doden en 147 gewonden in verschillende veiligheidsincidenten in kledingfabrieken wereldwijd. Het gaat dan alleen om incidenten gelinkt aan gebouw- en brandveiligheid, niet om ongevallen met machines of chemische producten. In werkelijkheid liggen de cijfers wellicht nog veel hoger, want veel incidenten blijven onder de radar. Natuurlijk ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de kledingmerken en -ketens voor wie deze werknemers kleding naaien, maar ook bij de overheden van die landen. Volgens de internationale richtlijnen hebben overheden de plicht om hun burgers te beschermen tegen mensenrechtenschendingen, ook door bedrijven. Maar de kledingsector is voor veel landen een belangrijke sector, die veel ongeschoolde mensen tewerkstelt. Het is ook een sector die zich snel en makkelijk verplaatst. Regeringen van productielanden doen er dan ook alles aan om internationale kledingmerken en -ketens in hun land te houden. Fabrieksinspecties passen niet in dat plaatje. Maar ook al blijven lokale regeringen in gebreke, dat is geen reden voor kledingbedrijven om hun huiswerk niet te doen. Integendeel, wie ervoor kiest om te laten produceren in een land waar de arbeidsrechten niet gerespecteerd worden, moet net méér aandacht hebben voor ketenzorg*. De kledingsector heeft het best slim gespeeld. Na de eerste kritiek op de sweatshops in de jaren negentig keurden veel bedrijven gedragscodes goed, betaalden ze andere bedrijven om controles te doen en publiceerden ze knappe jaarrapporten op glanzend papier. Zo vermeden ze niet alleen imagoschade maar privatiseerden ze de facto ook de oplossing voor het probleem. Hun redenering was simpel: wanneer bedrijven zichzelf reguleren, zijn arbeidsinspecties en wetten overbodig. Zelfregulering om wetten te voorkomen dus. Politici overal ter wereld hadden daar wel oren naar: het probleem werd ogenschijnlijk aangepakt, en zelf moesten ze geen maatregelen nemen die niet goed zouden vallen bij de bedrijven. Helemaal in lijn dus met de overheersende politieke ideologie van de voorbije decennia dat de markt zichzelf wel reguleert en dat overheden zich best afzijdig houden. Bovendien is de kledingsector ook bij ons een belangrijke sector. Veel productie is er in België niet meer, maar in de verkoop zijn wel duizenden mensen tewerkgesteld. Wereldwijd ging het aantal arbeidsinspecties door overheden omlaag doordat de diensten onderbemand en ondergefinancierd werden. Alleen werd het probleem niet aangepakt. In verschillende fabrieken waar de afgelopen 10 jaar een grote ramp gebeurde, was de fabriek vooraf geïnspecteerd door een privaat auditbedrijf. Er was Rana Plaza zelf natuurlijk, waarvan de constructie volgens een auditbedrijf van een goede kwaliteit was. Minder dan een jaar later stortte het gebouw in. Bleek dat het op een instabiele ondergrond stond en er illegaal enkele verdiepingen toegevoegd waren. Ali Enterprises, een kledingfabriek in Pakistan verwoest door een brand in september 2012, kreeg luttele weken vóór de brand een certificaat dat moest aantonen dat de fabriek de regels respecteerde, onder andere met betrekking tot brandveiligheid. Toch had het gebouw geen brandalarm, onvoldoende brandbestrijdingsapparatuur en te weinig nooduitgangen voor de 1000 mensen die er werkten. 250 kledingwerkers stierven in de brand. In 2017 stierven 13 werknemers nadat een boiler ontplofte in de Multifabs kledingfabriek in Bangladesh. Die fabriek had bezoek gehad van zowel private auditors als de inspecteurs van het Bangladesh Akkoord. Het verschil tussen beide rapporten is schokkend: ze lijken het over twee verschillende fabrieken te hebben. De private auditors gaven de fabriek de tweede hoogste score voor veiligheid en gezondheid. Verdere opvolging was volgens hen niet nodig. De inspecteurs van het Bangladesh Akkoord hadden enkele jaren eerder maar liefst 102 veiligheidsproblemen vastgesteld. Er waren opvolginspecties gebeurd, alle rapporten waren publiek gemaakt. De situatie was verbeterd maar er waren nog enkele hardnekkige problemen. Vreemd genoeg waren de vaststellingen van het Bangladesh Akkoord zelfs niet opgenomen het rapport van de privé-auditor - de samenvatting dan, want het volledige rapport werd nooit publiek gemaakt. Audits kunnen een (klein) deel van de oplossing zijn, maar ze zijn té lang ingezet als een wondermiddel. En ze zijn al helemaal geen alternatief voor publieke inspecties en wetten. Twee jaar geleden al ijverden vakbonden en arbeidsrechtenorganisaties in Pakistan voor een wettelijk bindende akkoord over fabrieksveiligheid, naar het voorbeeld van het Bangladesh Akkoord. In Pakistan werken zo'n 2,2 miljoen mensen in de textielsector, of 6,7% van de beroepsbevolking . De sector is goed voor de helft van de export van het land. 70% van de producten die Pakistan naar de Europese Unie exporteert, zijn stoffen en kleding. De merken die het meest in Pakistan laten produceren zijn H&M, C&A, Next, Adidas, New Look, Target, Zeeman en Levi Strauss. Ook in Pakistan is er weinig tot geen publieke arbeids- of veiligheidsinspectie. "Bij gebrek aan een efficiënte uitvoering van de arbeidswetgeving kan de uitbreiding van het akkoord tot Pakistan helpen om de arbeidsrechtensituatie in Pakistan te verbeteren,' stelt Khalid Mahmood, directeur van de Labour Education Foundation. "Internationale merken moeten de verantwoordelijkheid nemen om vakbondsvrijheid, leefbare lonen, sociale bescherming en veilige werkomstandigheden te garanderen aan werknemers in hun toeleveringsketen. Een juridisch bindende overeenkomst kan een doeltreffend instrument zijn om de basisrechten van werknemers te waarborgen, maar kan alleen effectief zijn als de werknemers en vakbonden betrokken zijn." Sinds de brand in de Pakistaanse kledingfabriek Ali Enterprises zijn er weliswaar meerdere initiatieven genomen om de veiligheid op de werkplek aan te pakken, maar die zijn allemaal weinig transparant en geen van alle afdwingbaar. Vakbonden werden niet betrokken bij het ontwerp, de uitvoering en het bestuur van die initiatieven.Op 1 september zal het Akkoord bekend maken welke modemerken en -ketens de nieuwe overeenkomst getekend hebben. De Schone Kleren Campagne rekent erop dat ook Belgische bedrijven die in Bangladesh laten produceren het Akkoord ondertekenen. Door het gebrek aan transparantie in de sector weten we helaas niet exact welke bedrijven dat zijn. De verschillende regeringen in ons land hebben Belgische kledingbedrijven nooit actief en al helemaal niet publiek aangemoedigd om het Akkoord te ondertekenen. Hopelijk gebeurt dat deze keer wel.