Wandelend door het Duitse Aken, wordt snel duidelijk waarom de stad eigenlijk Bad Aachen heet. Het kuuroord heeft veel te danken aan het feit dat Karel de Grote reuma had.
...

Wandelend door het Duitse Aken, wordt snel duidelijk waarom de stad eigenlijk Bad Aachen heet. Het kuuroord heeft veel te danken aan het feit dat Karel de Grote reuma had.André Grosemans / Foto's : Lieve Blancquaert DE GEUR DIE OPSTIJGT UIT DE warme dampen van de Elisenbronnen herinnert me aan het stinkbommetje dat ik eens onder de stoel van een wiskundeleraar heb gelegd. Bang om mijn gastvrouw te beledigen, hou ik echter de lippen op elkaar als ze vraagt wat ik ruik. ?Zeg het maar?, dringt ze aan. ?Rotte eieren?, beken ik, nog altijd aarzelend. ?Ja, ja?, stelt Arlette Fincken van de Akense toeristische dienst me gerust, ?dat is de zwavel die je ruikt. Er zitten liefst negentien verschillende mineralen in dit water dat soms 74 graden haalt. Het zijn de warmste bronnen ten noorden van de Alpen.? Volgens mijn gids komen hier soms mensen met een bekertje om een slok te nemen. Ik drink het water liever ontdaan van zijn kwalijke geur, voorzien van koolzuur en op flessen getrokken. De zuilenrotonde, waar het vroeger ongetwijfeld heerlijk flaneren was, is onder handen genomen door weinig fijnzinnige graffiti-kunstenaars. Op marmeren tafels kun je wel nog lezen welke beroemdheden naar Aken zijn gekomen voor de warmwaterkuren die vooral in de achttiende en negentiende eeuw een trend waren. De lijsten lezen als stambomen van de toenmalige koningshuizen. Iemand heeft er met zwarte stift zijn eigen naam onder geschreven. Mijn oog valt op Napoleon en keizerin Joséphine, een toeval dat Arlette Fincken aangrijpt om te vertellen over de tentoonstelling ?Aken onder de Franse bezetting?, die vorig jaar zo'n succes had. ?In de napoleontische tijd was Aken de hoofdstad van het Roer-departement?, legt ze uit, ?en veel invloeden uit die tijd zijn blijven sluimeren. Zo gebruiken de Akenaren nog altijd veel Frans in hun dialect. Ze zeggen niet 'danke', maar 'merci'. En hartelijk dank is 'dobbele merci'. Nog plezanter is dat ze een overspelige relatie of een ander best niet besproken affaire een 'fisematente' noemen. Ook dat komt uit de tijd van Napoleon. Als de Franse soldaten hun verboden Duits lief gingen bezoeken, logen ze : je vais visiter ma tante.? Tweeduizend jaar nadat de Romeinen hier de geneugten van het warme zwavelwater ontekten, is Aken nog altijd een kuuroord. Vier klinieken verzorgen jaarlijks een achtduizend patiënten die orthopedische of huidproblemen hebben. Het is deze voortgezette traditie die de stad een naam heeft gegeven. Aken heet officieel Bad Aachen, maar uit marketingoverwegingen houdt het Verkehrsverein het bij Aachen zodat de plaatsnaam in alle alfabetische opsommingen vooraan komt. Aachen komt van aquis grani, wat nog altijd de naam van de stad in het Italiaans is. Het betekent zoveel als aan de wateren van de Gallo-Romeinse god Granus. De Franken maakten er later Ahha van, ook duidelijk een verwijzing naar het heilzame water dat er uit de bodem opborrelt. Omdat er in de streek veel zwavelhoudend warm water ter beschikking was, ontstond er een levendige textielindustrie. Veel is daar niet meer van overgebleven, of het moeten ritssluitingen- en naaldenfabrieken zijn. Het standbeeld van de zogenaamde Klenkes verwijst naar het maken van naalden. Het stelt jongens voor met opgestoken pinken. ?Kinderen moesten in die tijd de kwaliteit van de naald controleren?, weet Arlette Fincken, ?en de slechte exemplaren moesten ze met hun pink aan de kant schieten. In het dialect heette dat 'ausklenken'. Als de jongens van de fabriek elkaar zagen, begroetten ze elkaar met de pink. Veel inwoners van Aken maken nog hetzelfde gebaar als ze in het buitenland een stadsgenoot tegenkomen. Ze kunnen hem altijd gemakkelijk herkennen aan de AC op de nummerplaat van zijn auto.? Wat een geluk, bedenkt de grappenmaker in mij, dat het controlewerkje in de naaldenfabrieken niet met de middelvinger moest gebeuren. Alsof telkens opnieuw moet duidelijk gemaakt worden waar Aken welstand heeft gevonden, is bijna elk standbeeld dat je in de stad tegenkomt een fontein. Het begint al bij het 17de-eeuwse bronzen beeld van Karel de Grote op het marktplein. Op het einde van het schooljaar belanden studenten hier graag in het water. De Puppenbrunnen in de Krämerstraat wil in herinnering brengen dat Aken een universiteits-, textiel-, bisschops-, markt- en carnavalstad is. De ledematen van de metalen fonteinpoppen zijn van scharnieren voorzien, zodat voorbijgangers ze in alle richtingen kunnen draaien. Om te beletten dat ze dat ook 's nachts doen en de omwonenden uit hun slaap houden, wordt bij het vallen van de avond een watergordijn rond het kunstwerk opgetrokken. Op de voormalige vismarkt staat het Fischpüddelchen. De kabeljauwen die hij onder de arm draagt, spuwen water. ?Dat is dus Manneken Vis,? vertaal ik vrij de naam van de fontein. ?Inderdaad,? lacht Arlette Fincken, die uit Luik afkomstig is, ?hij doet me ook aan het Brussels ventje denken.? In de fontein De kringloop van het geld maakt het water een kolkbeweging. Aan een kant zien we hoe kinderen zakgeld krijgen, hoe handel wordt gedreven, hoe een corrupt heerschap zaakjes achter de rug regelt. Aan de andere kant steekt een bedelaar tevergeefs zijn hand uit. Tussen de beelden die o ironie door een bank aan de stad werden geschonken, doen twee daklozen een dutje. Als we voor de fontein op het Büchelplein staan, wordt mijn gids aangeklampt door jongeren die kennelijk met een zoektocht bezig zijn. Ze willen weten hoe dat waterspuwend beest heet. Arlette Fincken helpt hen opschrijven dat het een Bachkauv is. Hoewel dat dialectwoord ?beek-kalf? betekent, zie ik in het fabeldier meer een panterachtige draak. ?Het leeft hier onder de grond,? wordt de legende met een knipoog ingezet, ?ik heb het nog nooit gezien, het vertoont zich alleen aan mannen. Als die te veel gedronken hebben, springt het op hun schouders en dwingt het hen naar huis te gaan.? Omkijkend alsof ze het in Keulen hebben horen donderen, zetten de kinderen hun zoektocht verder. Ze steken de straat over aan het zogenaamde Keizersbad, een winkel- en vergadercomplex dat opgetrokken is op de plaats waar Karel de Grote een kuurbad had laten bouwen. Het omstreden moderne gebouw wordt ook Aachenfenster genoemd, omdat in het dak zo'n hoek is gemaakt dat men de torens van de Domkerk nog kan zien. De Dom, wat Duits is voor kathedraal, is eigenlijk de herhaaldelijk verbouwde paleiskapel van Karel de Grote. ?Als die man geen reuma had gehad,? is de erg persoonlijke historische analyse van Arlette Fincken, ?dan was de ontwikkeling van Aken helemaal anders gelopen.? Carolus Magnus was al bijna vijftig toen hij halfweg de achtste eeuw zijn ziekte hier kwam verzorgen. Hij maakte van Aken zijn vaste verblijfplaats en bouwde er de zogenaamde Palts, een gebouwencomplex met onder meer een solarium, een kasteel en een kerk. Waarschijnlijk heeft hij zelf gewoond in wat nu de Granustoren heet. De stevige constructie is zelfs uitgerust met verwarming en een toilet, toch een uitzondering in die dagen. Karel de Grote, zo hebben zijn kroniekschrijvers opgetekend, wou van Aken ?een tweede Rome? maken. Volgens een toeristisch foldertje verwijst de wolvin in het portaal van de Dom dan ook naar het stichtingsverhaal van de Italiaanse hoofdstad. De gids die een groep bejaarde toeristen rondleidt in de kerk heeft echter een boeiender verklaring. ?Toen men tijdens het bouwen van de Dom in financiële moeilijkheden kwam,? vertelt ze, ?besloten de Akenaren een verbond aan te gaan met de duivel. Hij zou de resterende kosten voor zijn rekening nemen als hij de ziel van de eerste kerkganger zou krijgen. De sluwe inwoners van Aken joegen tijdens de inwijdingsplechtigheid eerst een wolvin de kerk binnen. De duivel haalde de ziel uit haar lijf en daarom vertoont het beeld van het dier een gat in de borst.? Binnen lijkt de Dom kleiner dan buiten. Dat komt omdat men plots in een pachtig versierd achthoekig lokaal staat, het zogenaamde octogoon waarop allerlei kapellen uitgeven. Marmer en mozaïeken geven het geheel een Moors uitzicht. Aan het plafond is nog te zien waar de enorme kaarsenluchter van Friedrich Barbarossa heeft gehangen. Op dit moment zijn zilversmeden aan de restauratie van het gevaarte bezig. Verwacht wordt dat het weer in de kerk zal hangen in het jaar 2000, als tijdens de zevenjaarlijkse bedevaart de Akense heiligdommen weer aan de pelgrims worden getoond. Tot dan zitten de relikwieën, waaronder de lendendoek van Christus, het kleed van Maria en de onthoofdingsdoek van Johannes de Doper, opgeborgen in een achter glas tentoongestelde rode koffer. Op de kist hangt een rijkelijk versierd slot waarvoor geen sleutel bestaat. Alle zeven jaar moet de koffer opengebroken worden. Een jonge vrouw in jeans en T-shirt schuift wat stoelen aan de kant en knielt neer. Een oude man van wie je meer godsvrucht zou verwachten wordt ondertussen berispt door een gids omdat hij langs het bordje ?verboden toegang? over een touw is gekropen en schaamteloos in de bisschopszetel is neergeploft. Hij ruilt het zachte zitje voor een harde stoel, terwijl de vrouw die de rondleiding houdt, het verhaal van de 33 meter hoge glasramen vertelt. Het kunstwerk van kleur en licht heeft zwaar te lijden gehad van de tand des tijds, vandaar dat het gebouw in een beschermende stelling zit. Een plein, waarop 's zomers concerten worden georganiseerd, scheidt de Dom van het stadhuis. Om de hoek ligt het kruidentuintje van Karel de Grote. Iedereen die er voorbijkomt mag naar hartelust koriander plukken en pijpajuin snijden. ?Echt waar,? zegt Arlette Fincken als ik haar vol ongeloof aankijk, ?het mag, maar weinig mensen durven het ook werkelijk doen.? Van de prei en de kervel blijft niet meer veel over. Gisteren heeft een buurtbewoner waarschijnlijk soep gemaakt. Het stadhuis, oorspronkelijk ook behorend tot het paleizencomplex van Karel de Grote, werd in de veertiende eeuw op gotische wijze verbouwd. Hier en daar is echter nog duidelijk te zien hoe Karel er zijn stempel heeft gedrukt. Boven enkele trappen heeft hij zelfs letterlijk zijn handtekening nagelaten. Het is een kruis waarin alle letters van zijn naam zijn verwerkt, maar waarin ook de afkorting van zijn functie en zijn regeergebied terug te vinden is. De tekening werd met een stempel op papier gezet, waarna hij alleen een streepje in het midden trok. Aangenomen wordt dat Karel de Grote wel een intelligent man was, maar niet kon lezen of schrijven. In de kroningszaal, op de eerste verdieping, zijn exacte kopieën van de rijksinsignes tentoongesteld. Indrukwekkend zijn de scepter, het ceremoniezwaard en de Heilige Lans. In schril contrast met dit hoekige lokaal met zware zuilen staat de witte kamer van het stadhuis, een met goud versierde barokzaal. Tijdens de onderhandelingen die voorafgingen aan de Vrede van Aken (1748) zou de Engelse vertegenwoordiger John Montagu, de graaf van Sandwich, hier de boterham hebben uitgevonden die naar hem is genoemd. Als hij niet op de vredesconferentie moest zijn, zat de gokverslaafde edelman in het casino. Hij had geen tijd om rustig zijn benen onder tafel te steken voor het avondmaal. Daarom liet hij zich een hapklare ?sandwich? maken. Buiten de onbewezen rol in het uitvinden van het belegde broodje heeft Aken weinig of geen eetcultuur. We moeten ver zoeken om een typisch streekgerecht als Sauerfleiss, Rheinische Art op ons bord te krijgen. Voor de rest lijkt de horeca binnen de stadsmuren overgenomen door Grieken en Italianen. De snelle en goedkope hap vindt hier vooral zijn afzet bij de 45.000 studenten die aan de plaatselijke universiteit voornamelijk technologie studeren. Diezelfde gelegenheidspopulatie zou er de oorzaak van zijn dat Aken van alle steden in de Rijnprovincie het grootste aantal cafés per hoofd van de bevolking telt. Meer dan elders in Duitsland vind je hier terrasjes, waar allerlei talen worden gesproken. ?De Akenaars zijn open-minded?, zegt de ingeweken Belgische die me door de stad leidt, ?ze zijn niet zo streng, strikt en kleinburgerlijk als de modale Duitser. Ze zijn Bourgondischer. Dat brengen de nabijgelegen grenzen mee, dat is de invloed van de Euregio. Iedereen loopt hier met drie portemonnees op zak, een met guldens, een met franken en een met marken. Een Belg die hier een dagje doorbrengt, kan overal in zijn eigen munt betalen.? Mijn gids heeft me ondertussen naar een prachtig oud koffiehuis gebracht. Het opschrift boven de deur verraadt dat deze zaak door een Belg werd gesticht. Leo van den Daele lees ik. Binnen is het donkerbruin en gezellig. Overal staan meubels in Aachener-Luikse barok en tegen de lederen muurbekleding hangt een collectie houtvormen waarin de Aachener printen worden gebakken. Ze hebben dus toch een typische lekkernij. ?Ja, en er is een mooi verhaal aan verbonden,? zegt Arlette Fincken, ?een verhaal dat naar ons land wijst. Toen koperslagers uit Dinant in de zeventiende eeuw naar Aken kwamen om het standbeeld van Karel de Grote te maken, brachten ze Dinantse koeken mee. Die werden niet slecht tijdens de lange voetreis. Hier vielen ze in de smaak, en op basis van het Belgische recept werd een Akens variant gemaakt.? De malse, met honing en chocola verwerkte versie die ik bij Leo van den Daele proef, doet me denken aan peperkoek. Er zijn duidelijk veel kruiden en wat anijs doorgehaald. Verder op mijn wandeling zie ik in uitstalramen overal de hardere, op speculaas lijkende versies liggen. Op een doos van de grootste printen-bakker Henry Lambertz lees ik dat hij hofleverancier is aan de Belgische en Nederlandse koningshuizen. In dezelfde etalage trekt een wit T-shirt mijn aandacht. Kunstig is het voorzien van bruine en rode vlekken. ?Dat is een van de symbolen van het zoete Aken?, legt Arlette Fincken uit, ?naast de printen wordt in deze regio ook veel chocola en confituur gemaakt. En als je dat allemaal morst, ziet je truitje er zo uit.? Boven de spatten is op het T-shirt een woordspeling gedrukt : Aachen is(s)t süss. Aken eet zoet en is zoet. Met de wijzers van de klok : een stukje van de Dom, een rustig plekje om te lezen, een stad van beelden en water, de lekkernijen van Leo van den Daele.Van links naar rechts : een terrasje op de markt ; het oudste stenen huis van Aken (over het stadhuis) met het beeldje van de heilige Nepomoq ; het Bachkauv dwingt dronkemannen naar huis te gaan.