Lang geleden, in de prehistorie vóór het www, fantaseerden mijn vriendinnen en ik weleens over wat we in een contactadvertentie zouden zetten. Gevoel voor humor scoorde hoog, net als spontaniteit en liefde voor muziek/reizen/lekker eten. Mijn eerste eis was altijd enthousiasme. Het maakt niet uit of het voor voetbal, Bach of tuinieren is, enthousiasme is supersexy. Omdat het iets positiefs in zich draagt en omdat enthousiastelingen zich nooit vervelen.
...

Lang geleden, in de prehistorie vóór het www, fantaseerden mijn vriendinnen en ik weleens over wat we in een contactadvertentie zouden zetten. Gevoel voor humor scoorde hoog, net als spontaniteit en liefde voor muziek/reizen/lekker eten. Mijn eerste eis was altijd enthousiasme. Het maakt niet uit of het voor voetbal, Bach of tuinieren is, enthousiasme is supersexy. Omdat het iets positiefs in zich draagt en omdat enthousiastelingen zich nooit vervelen. Na het zien van de documentaire Bill Cunningham New York werd ik daarom een beetje verliefd op Bill, de man van de zondagse On the Street-fotocolumn in The New York Times. Hij fietste bijna veertig jaar lang elke dag van de week de stad rond om foto's te maken van mensen die er interessant uitzagen. Bill was volledig opgetrokken uit enthousiasme en zijn grote liefde was schoonheid. Toen hij in 2016 op 87-jarige leeftijd stierf - hij werkte tot een week voor zijn dood - vond zijn familie een onafgewerkte biografie in zijn immense archief. Dat resulteerde in Fashion Climbing, een heerlijk boek dat ik breed glimlachend gelezen heb. Zijn streng katholieke ouders waren gechoqueerd toen ze hem als kleuter dansend in de woonkamer aantroffen in een jurk van zijn zus, en zijn moeder retourneerde de mooie jurken die hij als kind voor haar kocht met het geld dat hij verdiende met zijn krantenronde. Hij ging als tiener aan de slag in Bostons glamoureuze warenhuis Bonwits en mocht naar Harvard, maar vluchtte er na een maand weg om naar New York te trekken. Daar ontdekte hij zijn liefde en talent voor het maken van hoeden, maar toen eind jaren vijftig bleek dat die uit de mode raakten, werd hij modejournalist en later fotograaf. Wat zijn verhaal zo zalig om te lezen maakt, is de totale overgave waarmee hij op zoek gaat naar schoonheid en zich overal in smijt. Met een olifant van papier-maché naar een bal in The Plaza, zichzelf een exclusief bal in Parijs binnenbluffen dankzij zijn legeruniform... " In the wonderful wild days, fashion was all we ate and drank." Zijn leven was flamboyant, maar ook sober. Hij droeg decennialang een eenvoudig werkmansjasje met veel zakken, want dat was handig, en hij woonde tot een paar jaar voor zijn dood in een kleine studio boven Carnegie Hall, met een gedeelde badkamer en als bed een slechte matras boven op zijn archiefdozen. Comfort deed er niet toe, als hij maar kon genieten van schoonheid. En dat lukte. Als hij de straat opging, fotografeerde hij Anna Wintour en Jackie Kennedy, en als hij zich down voelde, ging hij naar feestjes, de opera of andere plekken waar vrouwen zich geweldig kleedden. Het ging Bill niet om beroemdheden of rijke mensen, maar om wie stijl had. "Iemand vroeg me waarom ik Catherine Deneuve niet fotografeerde. Ah, omdat ze niets interessants droeg." Maar hij fotografeerde ook zonder het te beseffen Greta Garbo omdat hij de mouw van haar jas mooi vond. Hij zag zichzelf niet als fotograaf, maar als modehistoricus. "Politiek, activisme, het dagelijks leven, de straat vertelt je wat er gaande is. Gotta get snappin' and crackin'. Lots going on out there and I don't want to miss it."Hilton Als, die het voorwoord van Bills boek schreef, omschrijft hem daarin als een man die niet kon geloven hoeveel geluk hij had, gewoon omdat hij leefde. Die manier van naar de wereld kijken staat vandaag nog altijd hoog op mijn lijstje van meest aantrekkelijke eigenschappen ter wereld, en zijn boek voelde als een opwekkende tonic in donkere dagen.