Opeens lig je daar, toch geveld. Nog altijd een leeuw, maar nu met grijze manen. Ik wist al jaren dat het niet kon blijven duren. Toch kwam je dood nog onverwacht, tussen verregende zomerfestivals en liefdesverdrieten die op slag banaal leken.
...

Opeens lig je daar, toch geveld. Nog altijd een leeuw, maar nu met grijze manen. Ik wist al jaren dat het niet kon blijven duren. Toch kwam je dood nog onverwacht, tussen verregende zomerfestivals en liefdesverdrieten die op slag banaal leken. Dapper, dat is het woord dat in mij opkomt als ik aan je denk. Met jou zouden ze niet sollen. Je was zo weerbaar dat ik mij afvroeg of de man met de zeis jou wel zou durven komen halen. Toen begon je te dwalen. Dat deed pijn, want daarvoor had je altijd juist zo'n scherp verstand gehad. Je raadde onze gedachten. Tot op hoge leeftijd had je het vermogen mensen te doorgronden en - ik moet geen heilige van je maken - af en toe ook te manipuleren. Hoe ouder je werd, hoe meer respect ik daarvoor kreeg. Je was tenminste geen doetje. Geen watje. Je was niet zo'n oudje dat zich liet afslachten. Je kwam op voor jezelf. En klonk het niet, dan botste het maar. Juist door je scherpzinnigheid en je karakter was het pijnlijk om te zien hoe je heldere geest de laatste weken de mist in ging. Je zei dat je zus Paula je al twee keer was komen bezoeken. "Maar meter," sputterde ik tegen, "wéét je het dan niet ?" Je keek mij vertwijfeld aan, met die staalblauwe ogen van je, schudde van neen. "Paula is al tien jaar dood." Je hebt daar niets op gezegd, maar ik zag dat je twijfelde. Misschien had je gelijk. Misschien had je jouw zus echt gezien. Misschien was zij je zachtjes komen voorbereiden. "Kom Jeanne, kom nu maar. Het is volbracht. Je hebt lang en goed geleefd." Je zult tegengestribbeld hebben. Je hebt vast gezegd dat wij je nodig hadden. Dat je ons niet in de steek kon laten. Zoals enkele jaren geleden, toen je zo pijnlijk tegen de grond was gesmakt en naar het rusthuis moest. Met jezelf zat je niet in. Je zat in met mij. Je was bang dat ik geen thuis meer zou hebben. Maar blijkbaar heeft Paula je kunnen overtuigen. Het was geen fijn leven meer, met altijd die pijn in je rug. Je bleef het er moeilijk mee hebben dat je niet meer kon lopen. Je voelde je ergens in de dertig, jij meisje van bijna 86. En nu lieten je nieren het ook nog afweten. Je lichaam was op. Dat weet ik, met mijn verstand. Maar mijn hart mist je erg. Dat er nooit meer meter op het schermpje van mijn gsm zal verschijnen als jij belt ; dat je nooit meer zult zeggen dat ik mooie schoenen aan heb, 'altijd proper' ben : die gedachten zijn ondraaglijk. Ook al had je soms niet zoveel te vertellen en vroeg je dan maar, een beetje onbeholpen, of ik moest werken. Of ik "goed thuis was geraakt", alsof onderweg holhoornige beesten op de loer lagen om mij te pakken. Het was jouw manier om contact te leggen, nu de dagen zo lang geworden waren dat je er soms van baalde. Soms was je beter op de hoogte van het nieuws dan ik, de journalist. Soms kon jij mij nieuwe dingen vertellen. En zag je de Amerikaanse president op de televisie, dan hoorde ik je sissen : "Gij leugenaar." Dat vond ik groots van je. Verhofstadt moest je ook niet hebben, al heb ik nooit goed geweten waarom. Ketchup noemde je kletsekop, mijn gsm je sm en mijn column jekommel. Het aparte gevoel voor humor dat jij had. "Ben je bang ?", vroeg ik je in het ziekenhuis. "Waarvoor zou ik bang moeten zijn ?", antwoordde je. Je had toen nog minder dan twaalf uur te leven, voor je vertrok naar de achterkant van het heelal. Maar niet zonder eerst nog iets liefs te zeggen over de nieuwe schoentjes en het hippe broekje van je achterkleindochter Liv. "Wie had dát ooit gedacht ?", zei je over haar. "Dat wij zo'n geluk nog mogen meemaken." Aan je koelkast en de muren van je kamer hingen zoveel foto's van je troetelkind dat wij er ons soms een beetje voor schaamden. Jij niet. Jij kon trots zijn, zonder voorbehoud. "Ge groeit gie zeker nog ?" Dat zei je meer dan eens, als ik je kamer in het rusthuis binnenkwam en je naar me opkeek, letterlijk, vanuit altijd weer diezelfde zetel waarin je vastgecementeerd zat. Ik schokschouderde dan, voelde mij een beetje gegeneerd want mannen van veertig, die groeien toch niet meer ? Maar jij zei het opgewekt en elke keer weer klonk het gemeend, alsof je zelf verbaasd was. Nu pas, nu jij er niet meer bent, begrijp ik hoeveel liefde er in dat eenvoudige zinnetje verborgen zat. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders