A ma porte une belle robe", heeft de leraar in keurig schoonschrift op het bord gespeld. Eigenlijk is het niet eens een bord maar een grijs geschilderde rechthoek op de muur. En nee, vensters heeft het klasje in Waragni-Solidarité ook niet, in het regenseizoen hebben de elementen er vrij spel. Maar in vergelijking met andere schooltjes, die uit niet meer dan een paar banken onder een rieten afdak bestaan, is dit zo goed als een luxe-instelling.
...

A ma porte une belle robe", heeft de leraar in keurig schoonschrift op het bord gespeld. Eigenlijk is het niet eens een bord maar een grijs geschilderde rechthoek op de muur. En nee, vensters heeft het klasje in Waragni-Solidarité ook niet, in het regenseizoen hebben de elementen er vrij spel. Maar in vergelijking met andere schooltjes, die uit niet meer dan een paar banken onder een rieten afdak bestaan, is dit zo goed als een luxe-instelling. "Je zult hier maar geboren zijn", heb ik op weg naar dit onooglijke dorp diep in de savanne meer dan eens gedacht. De prefectuur Sotouboua in Centraal-Togo is West-Afrika op z'n minst toeristisch. Vóór u naar Google Maps surft : Togo is het lange smalle land aan de Golf van Guinee tussen Ghana (west), Benin (oost) en Burkina Faso (noord). Met een bruto nationaal inkomen van nauwelijks zevenhonderd euro per hoofd van de bevolking is het een van de economisch zwakst scorende landen in de regio. Stel u het gebied Plateaux et Centrale voor als een uitgestrekte, eentonige savanne waar een bijna kaarsrechte weg doorheen loopt. Verhard, in principe toch, maar rijk aan putten, zodat hoogbepakte vrachtwagens en busjes vol mensen van links naar rechts slalommen. Jongetjes met een schop vullen de diepste kraters in het wegdek met zand en stenen en houden vervolgens hun hand op voor de automobilisten. Inventiviteit als overlevingsstrategie, het zit het jonge grut al ingebakken. Dat moet ook wel, want in dit land - dat economisch voornamelijk afhankelijk is van landbouw en fosfaatmijnen - zijn de jobvooruitzichten pover. Bovendien herstelt het land moeizaam van een zware politieke crisis. Veertig jaar lang bestuurde president Etienne Gnassingbé Eyadema met harde hand de voormalige Franse kolonie, sinds 1960 onafhankelijk. In het midden van de jaren '90 legde de Europese Unie zijn dictatoriale regime sancties op door de ontwikkelingshulp stop te zetten. De VS volgde. Die hulpstop had een nefaste invloed op onder meer onderwijs en gezondheidszorg en de ontwikkeling van de infrastructuur. Na de dood van president Eyadema nam zijn zoon Faure na omstreden verkiezingen de macht over. Er waren hevige protesten waarbij honderden doden vielen. Duizenden mensen vluchtten het land uit. In maart 2010 won Faure Gnassingbé opnieuw de verkiezingen, die dit keer geweldloos verliepen. Overal zie je mensen rondlopen in een T-shirt met zijn beeltenis, waaruit je zou kunnen opmaken dat hij populair is. Sinds 2007 kwam ook de ontwikkelingshulp opnieuw op gang, maar de achterstand is groot. In het gebied Plateaux et Centrale is Plan de enige actieve grote ngo. Dat onderwijs een van de grote pijlers van de hulpverlening is, ligt voor de hand. Togo is een land met een zeer jonge bevolking : eenenveertig procent van de inwoners is jonger dan veertien jaar. Dat valt op : in alle dorpen die ons groepje Belgische journalisten bezoekt, worden we omstuwd door een zee van gretig lachende, joelende, nieuwsgierige kinderen. Onder druk van de Millenniumdoelstellingen doet de overheid een inspanning om er zoveel mogelijk naar school te sturen. Met succes : tussen 1995 en 2009 nam het aantal leerlingen op de lagere school met zo'n elf procent toe. Maar de scholenbouw volgt de trend niet. Vaak moeten kinderen lange afstanden afleggen om onderwijs te kunnen volgen. Er zijn niet genoeg leerkrachten en hun opleiding laat veel te wensen over. Bovendien is er een nijpend gebrek aan leermiddelen. Dat wordt pijnlijk duidelijk als we bij het gemeenschapsschooltje in Waragni-Solidarité met enkele onderwijzers praten. De situatie heeft iets absurds. Daar zitten we dan in de schaduw van een acacia, terwijl op de achtergrond een paar knorrende varkens in de loden hitte rondscharrelen : zes bleekgezichten tegenover zes zwarte leerkrachten. Hun verhalen zijn ronduit schrijnend. Een titulaire, een door de staat benoemde leraar, heeft een aanvangswedde van 50.000 Francs CFA, omgerekend zo'n 76 euro. Na vijftien jaar dienst is dat bedrag ongeveer verdubbeld. Maar van dat loon moet de leraar wel alle schoolmateriaal dat hij gebruikt zelf betalen. Een auxiliaire of hulpleraar verdient tachtig procent van het loon van een titulaire. Daarnaast zijn er volontaires, vrijwillige leerkrachten die door de dorpsgemeenschap betaald worden en die zelf vaak niet veel meer dan lager onderwijs genoten hebben. Soms moeten schooltjes sluiten omdat de volontaires al zo lang niet meer betaald zijn dat ze er de brui aan geven. In Waragni-Solidarité kregen de drie volontaires sinds het begin van het schooljaar elk 10.000 CFA, zo'n vijftien euro dus. Je kunt alleen maar bewondering opbrengen voor hun inzet. Maar de nood is groot : aan meubilair, aan boeken en ander didactisch materiaal. Aan bijscholing. Aan doelen voor het voetbalveld ook. Een van de leraars vertelt dat de schoolploeg helemaal de kluts kwijtraakte toen die bij een wedstrijd op verplaatsing geconfronteerd werd met heuse doelen met een net. Aan zin voor initiatief ontbreekt het deze dorpsgemeenschap niet : er is een vrouwengroep die een grote rol speelt in de sensibilisatie van meisjes om naar school te gaan. Met resultaat : 56 van de 125 leerlingen van het lagere schooltje zijn meisjes. Het vrouwencomité heeft ook een crèche georganiseerd, met een beurtrol om op de kinderen te passen zodat de moeders op het veld kunnen werken. Crèche is een groot woord voor een rieten afdak waaronder zuigelingen op matjes liggen te slapen en peuters rondkruipen. Alles bij elkaar 53 kleintjes, dat is een hoop leven. Meubilair is er niet, enkel een vat met drinkwater. Als we op het punt staan om met de leden van het vrouwencomité te praten, breekt ineens een enorm onweer los, een voorbode van het regenseizoen. Rukwinden en een plensbui doen de mensen uit elkaar stuiven. In een mum van tijd zijn de onverharde secundaire wegen die naar het afgelegen dorp leiden in modderpoelen herschapen. Meteen is duidelijk waarom kinderen hier vaak niet eens op school geraken. Van alle scholen die we bezoeken, voldoet het kleuterschooltje in Kadambara nabij Sokodé nog het meest aan onze normen. De kleintjes, stuk voor stuk om op te eten, hebben vrolijk roodgeruite uniformen aan. Ze zitten aan miniatuurtafeltjes en -stoelen met het Planlogo. Velen van hen hebben zwartomrande ogen. Make-up, zo lijkt het wel, maar het helpt tegen oogontsteking. Toegegeven, in het klasje is het rek jeux divers ontmoedigend leeg, maar er zijn leesboekjes en een 'kookhoek'. Kleuterscholen zijn geen evidentie in Togo. Veel kinderen worden bij de geboorte niet eens geregistreerd, laat staan dat de ouders de moeite nemen ze naar de kleuterschool te sturen. Nochtans zijn de scholen van vitaal belang als voorbereiding op het lager onderwijs. De peuters leven er in een structuur, leren motorische vaardigheden en, niet onbelangrijk, Frans. Dat is namelijk de officiële taal maar veel kinderen hebben problemen op school doordat ze thuis alleen Ewé, Kabye of een andere plaatselijke taal spreken. Zoals overal ter wereld houden kinderen ook in Togo van zingen. Tatie Marie, duidelijk een schat van een kleuterjuf, bedacht een liedje met de namen van de lichaamsdelen, uiteraard met passende gebaren. En zo moeten we de weg oversteken : je regarde à gauche, je regarde à droite, traverser !Zes klassen telt het gemeenschapsschooltje van Kazaboua, diep in de Togolese brousse. Op de gevel prijkt onze nationale driekleur, het gebouw kwam er met de hulp van Plan België. Maar het initiatief ging uit van de dorpsbewoners : zij wilden niet dat hun kinderen kilometers te voet naar school moesten. Bovendien heeft het schooltje een pomp met schoon drinkwater, ook een belangrijk pluspunt. De klassen zijn overbevolkt, soms zitten kinderen met z'n drieën in één bank. In de les 'spellen' schrijven ze met krijt op een lei. Een goed antwoord wordt beloond met ritmisch handgeklap, waarna het jonge volkje uit volle borst "super !" roept. Beige uniformen dragen ze, soms flink op de groei gemaakt. Hier en daar zijn die gescheurd of ontbreken er knopen, maar de kinderen zijn wel schoon. Daar waakt het Comité Scolaire de Sanitaire et de Propreté over : vijftien jongens en vijftien meisjes die controleren of iedereen gewassen is en die de klassen, het schoolterrein, de postes d'eau en de latrines schoonhouden. Wat de jongens doen, kunnen de meisjes ook, heet het hier. Of is het omgekeerd ? Want waar je in Togo ook gaat, zie je vrouwen het zware werk doen. Op het land werken, maniok stampen, enorme lasten op hun hoofd torsen, je begrijpt niet dat die frêle nek en rug dat aankan. Op school moeten ook de jongens de latrines schoonmaken. Zouden ze dat thuis ook doen? "Wie slaapt er onder een muskietennet ?" wil de leraar weten. De malariavariant die hier voorkomt, is van een bijzonder virulente soort. Alle vingers gaan omhoog maar zoals wel vaker krijg ik de indruk dat de kinderen zeggen wat de bleekgezichten graag horen. Want als we later met een van de leerlingen mee naar huis gaan, blijkt er in de schamele hut van muskietennetten geen spoor. Zo'n bezoekje bij de mensen thuis is ronduit confronterend. Afi, een meisje van een jaar of dertien, woont met haar moeder, jongere broers en zusjes en de tweede vrouw van haar vader met haar kinderen in een paar hutten op een soort erf. De vader blijkt intussen overleden te zijn. Afwezige mannen, om welke reden ook, het is hier een veel voorkomend fenomeen. De vrouwen werken op het land en verkopen groenten. Meubelen of andere bezittingen hebben ze niet, de hutten zijn kaal vanbinnen, op een paar matjes en wat potten en pannen na. Magere kippen lopen in en uit. Na school oefent Afi op het schoolbord dat haar vader op het erf voor haar gemaakt heeft. Maar er is geen elektriciteit, om 19 uur is het hier aardedonker, dan valt het leven in deze uithoek van de brousse stil. Leraressen zijn er niet in het lagere schooltje van Kazaboua. Een leraar legt uit : de meeste vrouwen zijn getrouwd en hun mannen wonen liever in de stad in plaats van in zo'n afgelegen dorp. Aan ambitie ontbreekt het de vrouwelijke leerlingen hier anders niet. "Wat willen jullie later worden ?" vraagt de leraar. " Maîtresse", antwoordt er eentje, wat ons een beetje raar in de oren klinkt. Maar ze bedoelt lerares, natuurlijk. Anderen willen directrice worden, prefect of waarom niet, president. Een van de doelstellingen van Plan Togo is het promoten van onderwijs voor meisjes, via een beurssysteem en het project École amie de la fille dat de vooroordelen tegen onderwijs voor meisjes wil bestrijden. Al te vaak heerst nog de perceptie dat investeren in meisjes zinloos is wegens hun traditionele rol als moeder en echtgenote. Meisjes worden ook gemakkelijker van school gehaald omdat ze op jongere broertjes en zusjes moeten passen of helpen op het veld of in het huishouden. Vaak trouwen ze ook op jonge leeftijd. Daarnaast wil het project de schoolomgeving aantrekkelijker maken voor meisjes door bvb. gescheiden toiletten aan te leggen en het geweld op school te beperken, zowel door het bannen van lijfstraffen als het aanpakken van geweld tussen de leerlingen onderling. Meisjes haken vaak af omdat ze lastiggevallen worden op school. Een prima manier om meisjes zelfbewustzijn en weerbaarheid bij te brengen is voetbal. We wonen een wedstrijd tussen twee - blootsvoetse - meisjesteams bij en geloof me, aan talent en strijdlust geen gebrek. Kinderen die in Togo niet naar school gaan, vallen gemakkelijker ten prooi aan kinderhandelaars. Truckchauffeurs die Togo doorkruisen op weg naar Ghana en Nigeria proberen soms jongeren mee te lokken om hen te verkopen als goedkope werkkrachten voor plantages, markten of steengroeven. Tegen beter weten in geven ouders hun kinderen soms mee met mensen die beloven de jongelui aan een betere toekomst te helpen in de hoofdstad Lomé. In Waragni krijgen we de kans om te praten met twee meisjes die dat lot ondergingen maar gelukkig naar hun dorp konden terugkeren. Dounyo (15) en Kouly (13) zijn vreselijk schuchter. Ze praten met hun handen voor hun mond en hun ogen verraden dat ze erge dingen meegemaakt hebben. Dounyo werd door een verkoopster van houtskool meegenomen naar Lomé, waar ze niet naar school mocht en als onbetaalde werkkracht gebruikt werd. Kouly werd aan een halfzuster van haar moeder uitbesteed maar toen bleek dat ze als een sloofje behandeld en geslagen werd, lieten haar ouders haar terughalen. Beide meisjes gaan nu terug naar school, maar hebben een substantiële achterstand. Kouly kan met moeite haar naam schrijven. In Kaza wonen we een rollenspel bij van een sensibiliseringsgroep van jongeren die leeftijdsgenoten weerbaarder willen maken. Een van de toneelstukjes gaat over een jeugdige versierder die het met twee meisjes tegelijk aanlegt. De jongelui gaan op in hun rol en het thema slaat aan bij het publiek. Volgens Unicef zijn 11.000 Togolese kinderen onder de veertien jaar besmet met aids. Wat het er niet simpeler op maakt, is dat zowel de christenen als de moslims als de animisten in dit land polygaam zijn. We hebben met heel veel mensen gepraat tijdens onze field trip door de Togolese brousse. Met ouders, leerlingen, leraren, inspecteurs, de verantwoordelijken van Plan Togo. De noden zijn groot. De overheid belooft vijfentwintig procent van de staatsuitgaven aan onderwijs te spenderen. Doordat steeds meer kinderen naar school gaan, is dat budget absoluut ontoereikend. Je kunt alleen maar bewondering voelen voor al die leerkrachten die er, haast zonder didactische hulpmiddelen, het beste van proberen te maken. Als er iets duidelijk werd, dan wel dat ouders over de hele wereld hetzelfde willen voor hun kinderen : een betere toekomst. En dan was er dat bijdehante jongetje in de École Primaire Publique de Kazaboua. Toen hem gevraagd werd wat hij later wilde worden, antwoordde hij prompt : un blanc. Komiek, dat wel, maar tegelijk snijdt zoiets recht door je hart. DOOR LINDA ASSELBERGSEEN TITULAIRE, EEN DOOR DE STAAT BENOEMDE LERAAR, HEEFT EEN AANVANGSWEDDE VAN OMGEREKEND ZO'N 76 EURO. NA VIJFTIEN JAAR DIENST IS DAT BEDRAG VERDUBBELD.