Bourgogne is een moeilijke appellation. De rode moet per definitie uitsluitend gemaakt worden van de 'edele' pinot noir-druiven. In de Franse wetgeving is de identificatie tussen de appellation en de "goede oenologische manieren van doen" zo sterk, dat op het etiket zelfs de druivensoort niet vermeld mag worden. Het etiket van de Colruyt-fles van vandaag, waarop dat wel gebeurt, is dus strikt genomen onwettelijk. Toch moeten we hier relativeren: in overvloedige jaren mogen "overschotten" uit sommige gemeentelijke benamingen uit de Beaujolais, bijvoorbeeld Chenas of Fleurie, gedeclasseerd worden tot "gewone" bourgogne rouge. Er komt dan bourgogne op de markt die gemaakt is van gamay-druiven. Maar in jaren van gemiddelde opbrengst komt er ongeveer 125.000 hl rode bourgogne op de markt, en dan is hij wel van pinot noir alleen.

Maar ook het begrip "gemiddelde opbrengst" is niet eenduidig: 1995 bijvoorbeeld was een recordjaar voor de regio (1,34 miljoen hl), maar de stijging situeerde zich hoofdzakelijk in het noorden, bij de (witte) Chablis. Voor rode bourgogne zouden we dus echte pinot noir moeten kunnen verwachten.

Grote wijn is niet mogelijk bij grote rendementen. Bij meer dan 40 hectoliter per hectare wordt het product waterachtig: er is niet voldoende kleur, geur en smaak, en er moet bijgemengd worden (suiker voor de alcohol en wijnsteenzuur) om wijn te maken die op de markt mag komen. Daar een tekort aan zuur normaal wijst op een te warme zomer, en een tekort aan alcohol op een te koude groeiperiode, is het tegelijk aanzuren en aanrijken verboden: het seizoen kan niet tegelijk te koud en te warm zijn. Toch gebeurt het in Bourgogne vaak, om de flauwe kwaliteit van de te hoge rendementen te verdoezelen. Men strooit wijnsteenzuur (een wit poeder) in de wijngaard op de pas geoogste druiven, het is dan een landbouwkundige ingreep en geen oenologische correctie, en men chaptaliseert later juichend in de wijnkelder. (Het grote wijnhuis Bouchard Père et Fils is er door loslippigheid van een afgewezen stagiair aan ten onder gegaan.)

Pinot noir is een donkergekleurde druif (alleen de schil bevat kleur en men maakt er o.m. de beste champagne van: het sap is spierwit), met kleine druifjes in een gedrongen tros die aan een mastentop doet denken; vandaar de naam pinot die naar een pijnboom verwijst. Het is een vroege bloeier, die ook vroeg rijp is, en dus goed gedijt in een gematigd, niet te warm klimaat. Er zijn meer dan 100 verschillende ondersoorten van bekend, zogenaamde clones, waarvan sommige rendementen wel 100 hl/ha halen.

Toen men na de fylloxeraplaag - in Bourgogne voor het eerst geconstateerd in 1878 - integraal moest herplanten, plantte men bij voorkeur hoogrenderende pinots, want de wijnbouwsector was toen in volle crisis. Het was de tijd van de pinots droits, rechtopgroeiende, hoogrenderende planten, die het werken met de machine gemakkelijk maakten maar die in het beste geval slechts een gemiddelde kwaliteit konden opleveren.

Hoewel sindsdien aan de selectie is gewerkt, vindt men, vooral in de Côtes de Nuits, nog veel van deze rechtopgroeiende pinots. Al kregen ze nu de meer welluidende naam pinot à port érigé, het product blijft een snertwijn.

Bourgogne rouge 1995

Domaine de la Juvinière

Op het uitsluitend Franstalig tegenetiket wordt (nog eens) pinot noir als druivensoort vermeld en de herkomst zou zijn: "Des terrains très proches de grands vignobles de la Côte de Beaune."

Uiterst lichte kleur van roséwijn met een nuance van ontwikkeling en evolutie. Dunne, nauwelijks presente neus, die pas na opschudden wat zachte pinot noir toont met een zekere finesse. Korte smaak maar wel met wat charme. Mooie gave kurk. (Colruyt: 269 fr.)

Bourgogne rouge 1995

Moillard

Op het uitsluitend Frans tegenetiket staat wat uitleg over het (liggend) bewaren en het niet te warm uitschenken (net onder kamertemperatuur). Op het grote etiket vooraan staat nietszeggend: "Issu de cépage noble..." Even flauwe kleurconcentratie als de vorige, maar met een iets steviger nuance van jong. Zwakke neus, enkel na hevig opschudden komt wat simpele pinot noir boven. Nietszeggende, zelfs wat brutale bittere smaak, geen enkel spoor van smakelijkheid. Kurk uit samengeperste kurkstof. (GB: 209 fr.)

Bourgogne rouge 1995

La Chance au Roy

De naam klinkt oorspronkelijk, maar is een door Delhaize uitgevonden en beschermde merknaam. Op het ook in het Nederlands gesteld tegenetiketje staat pinot noir als druivensoort en als origine het departement Côte d'Or, heel Bourgogne dus.

De kleur is herkenbaar als rood, maar nu ook weer niet overdreven geconcentreerd. Wel met wat jong purper als nuance. Neus van pinot, goed omhuld met fruit en met een zekere ruimte. Eenvoudige maar correcte smaak van jonge bourgogne, met wat structuurzuur en goede soepelheid. Mooie echte kurk. (Delhaize: 159 fr.).

Volgende aflevering in Weekend Knack van 18 februari: witte Macon.

HERWIG VAN HOVE