Niger, vorige herfst. Na een hobbelige tocht komen we in het dorp aan. Zodra ik het portier open, lijkt de airco in de Plan International-jeep een herinnering uit lang vervlogen tijden. Ik zweet binnen de minuut uit poriën waarvan ik het bestaan nooit vermoedde. We spreiden onze mat uit in de schaduw van een grote boom. Eén na één komen pubermeisjes aan op ons rieten tapijt. Ik zeg 'Hallo' in hun taal en ze lachen met mijn uitspraak en ik lach omdat zij lachen. Straks gaan we met hen naar hun hut, om er te praten over de opleiding die ze volgen, waardoor hun ouders in ruil beloven hen niet uit te huwelijken. Op ons handgevloch...

Niger, vorige herfst. Na een hobbelige tocht komen we in het dorp aan. Zodra ik het portier open, lijkt de airco in de Plan International-jeep een herinnering uit lang vervlogen tijden. Ik zweet binnen de minuut uit poriën waarvan ik het bestaan nooit vermoedde. We spreiden onze mat uit in de schaduw van een grote boom. Eén na één komen pubermeisjes aan op ons rieten tapijt. Ik zeg 'Hallo' in hun taal en ze lachen met mijn uitspraak en ik lach omdat zij lachen. Straks gaan we met hen naar hun hut, om er te praten over de opleiding die ze volgen, waardoor hun ouders in ruil beloven hen niet uit te huwelijken. Op ons handgevlochten eiland zitten de gelukkigen, een handvol meisjes die niet, zoals hun leeftijdgenoten, met een eigen kind aanschuift aan de gezondheidskliniek, enkele meters verder. Maar die zware kost is voor straks. Nu wil ik ze leren kennen als de meisjes die ze nog even kunnen blijven. Dus giechelen we, en dansen we, en zingen ze liedjes voor mij. Met Rachida klikt het meteen, ze kijkt me brutaal aan, stelt me vragen terug, en we kleuren elkaars nagels met een stift. Een pyjamafeestje bij 44°C in Afrika. Plots valt me op dat ze als enige van de meiden een armband draagt. Ik gebaar naar het blikken sieraad om haar pols. Ik maak een bewonderend geluid en zeg in het Frans hoe mooi ik hem vind. De tolk vertaalt wat het meisje al kon afleiden uit mijn klanken. Enthousiast maakt ze het juweel los van haar arm en overhandigt het me. Ze zegt er iets bij, wat ik niet versta. Terwijl ik het kleinood in de zon laat fonkelen, hoor ik de tolk zeggen "C'est un cadeau". Het duurt even voor het tot me doordringt. Oh nee. Ze wou het mij niet tonen, maar schénken. Ik krijg het plots koud. Dit hoort niet, ze heeft amper iets. Ik zeg de tolk dat ik dat niet kan aannemen. Zij stelt met klem dat het erg beledigend is om het terug te geven. Ondertussen heeft Rachida mijn pols vastgenomen en plooit ze het dunne metaal zorgvuldig open zodat het rond mijn pols past. Ik heb kippenvel, ondanks de hitte. Hoe kan iemand haar kostbare bezit weggeven aan iemand die overduidelijk zoveel meer heeft ? Als ik straks wegga, uit haar stoffige land, leg ik haar juweel tussen de vele die ik bezit, en zit zij nog steeds hier, ongetooide prinses in het minst ontwikkelde land van Afrika. Het voelt niet juist. Ik weet voor het eerst in lange tijd niet wat te doen. Maar dan weet ik het opeens. Het is eigenlijk heel eenvoudig. Ik doe mijn oorbellen uit, geef ze aan haar. Nu dragen we allebei voor altijd een stukje van elkaar mee, Rachida en ik. Ik moet denken aan wat mijn mama altijd zei : "Handen die open zijn om te geven, zijn open om te ontvangen." En dat wie geeft wat hij heeft, waard is dat hij leeft. Ik probeer niet te bedenken wat het voor het leven van de andere meisjes in het dorp zou betekenen als iedereen zoals Rachida zou denken. Of voor de mensen overal die hulp nodig hebben. Als ik later achter mijn jonge, begiftigde heldin aanloop, langs de hutten en de tuinen van haar dorp, heb ik het weer warm, vooral dan vanbinnen. katrijn.van.bouwel@knack.beKATRIJN VAN BOUWEL Enthousiast maakt ze het juweel los van haar arm en overhandigt het me