Een centraal station zegt veel over de stad waarin het zich bevindt. Dat van Detroit, Michigan Central Station, ademt vergane glorie uit. Het werd in 1913 gebouwd door dezelfde architecten die New Yorks Grand Central Station ontwierpen, en werd toen beschouwd als een van de mooiste ter wereld. In 1988 werd het gesloten wegens niet meer rendabel. Detroit moet het sindsdien zonder passagierstreinen stellen.
...

Een centraal station zegt veel over de stad waarin het zich bevindt. Dat van Detroit, Michigan Central Station, ademt vergane glorie uit. Het werd in 1913 gebouwd door dezelfde architecten die New Yorks Grand Central Station ontwierpen, en werd toen beschouwd als een van de mooiste ter wereld. In 1988 werd het gesloten wegens niet meer rendabel. Detroit moet het sindsdien zonder passagierstreinen stellen. We dringen er binnen langs een gat in de afsluiting. Na een trek door de pikduistere kelderverdiepingen staan we onder de marmeren bogen van de op Romeinse baden geïnspireerde inkomhal. Vroeger passeerden hier jaarlijks miljoenen reizigers. Vandaag rest er slechts een ruïne, overwoekerd met graffiti. Van op het dak van het twintig vernielde verdiepingen tellende station kunnen we heel Detroit zien, en dat is veel : dit is de vierde grootste stad van de VS. In oppervlakte toch. Qua bevolking was ze dat een halve eeuw geleden ook, maar nu staat ze zelfs niet meer in de top tien. Ze is onherkenbaar veranderd. Het landschap dat voor ons in de ochtendzon baadt, lijkt haast bucolisch. Kerktorens alom. Uitgestrekte grasvelden. Hier en daar bosjes. Meer dan een derde van de stad - honderd vierkante kilometer - is door de natuur heroverd. De pastorale illusie werkt natuurlijk enkel als je wegkijkt van de wolkenkrabbers en fabrieken. Zoals het enorme complex links van ons, Fords River Rougefabriek, net buiten de stadsgrens. Het is meer dan twee keer zo groot als Central Park in New York, maar slechts een fractie ervan wordt nog gebruikt. Hetzelfde geldt voor de wolkenkrabbers. Er is een stuk van downtown dat skyscraper's graveyard wordt genoemd. Halverwege de twintigste eeuw was Detroit een metropool met bijna twee miljoen inwoners. Zijn welvaart was zichtbaar in zijn vele musea, theaters en luxehotels. Toch was het zaad van het verval al geworpen. De oorzaak van Detroits succes en ondergang was dezelfde : de auto. Op aandringen van de auto-industrie werd de stad uiteengereten door brede wegen. De arbeiders verdienden nu genoeg om zelf een wagen te bezitten en met de nieuwe wegen konden ze in een mum van tijd na hun werk de overbevolkte stad uit. Naar een nieuw huis in een groene omgeving, gesubsidieerd door de federale regering. Ruim 98 procent van die subsidies ging naar blanken. Het platteland rond Detroit veranderde in een kring van blanke voorsteden. Dat was goed voor de auto-industrie, het was goed voor de vastgoedsector, het was goed voor de bouwnijverheid. Maar niet voor Detroit. De blanke uittocht die in de jaren 1950 begon, werd een paniekvlucht na de rassenrellen van 1967. Detroit werd de zwartste stad van het land, met een brede zwarte middenklasse. Een zwart cultuurcentrum met de motownsound als bekendste exportproduct. Maar ze werd steeds armer. Bedrijven verhuisden op hun beurt naar de voorsteden. Winkels volgden. Geen enkele grootwarenhuisketen bleef nog in Detroit. Sociale bezuinigingen en de invasie van crack-cocaïne versnelden de neergang. Gangs namen bezit van de straten. Dit werd de Murder Capital, de gevaarlijkste stad van de VS. De politie, onderbemand en onderbetaald, werd steeds corrupter. En ontpopte zich als een van de grootste wapenhandelaars van het land. Op Devil's Night, de nacht voor Halloween, vierden jongeren uit de armenbuurten hun onmacht bot in een orgie van brandstichting. Vandaag is Detroit veel kalmer geworden. De misdaad is gevoelig gedaald. Een van de redenen is dat de stad meer dan de helft van zijn inwoners, ook zwarte, heeft verloren. Je voelt hun afwezigheid. Kuierend door de straten, met hun brede lege voetpaden en hun zes baanvakken zonder auto's, denk je voortdurend : waar is iedereen ? Maar al die plaats creëert nieuwe mogelijkheden. Kunstenaars zijn bij de eersten om er gebruik van te maken. De eerste pioniers trekken anderen aan. Hier en daar ontstaat er een sneeuwbaleffect en wordt hun impact voelbaar. "Het is niet alleen vanwege de goedkope ruimte," zegt Corinne Vermeulen, een Nederlandse kunstfotografe die sinds 2001 in Detroit woont en werkt, "de stad is ook een inspiratiebron." Sommigen gebruiken haar als hun canvas. In Heidelberg Street hebben twee kunstenaars de hele straat ingepalmd. Scott Hocking gebruikt vervallen fabriekshallen als decor voor installaties. "Er heerst een soort anarchie", zegt Vermeulen. "Je kunt ongeveer alles doen. Daar staat tegenover dat je op geen hulp kunt rekenen. Net het omgekeerde van Nederland." Fietsen is een genot in Detroit, omdat er zo weinig auto's zijn en het stadslandschap zo gevarieerd is. "In de zomer is het hier een echte jungle", zegt Corinne, die lang geen auto had en dus heel wat afgepeddeld heeft. Ze was nooit bang, behalve enkele keren van wilde honden. De rit is nooit eentonig. Stadsbuurten wisselen af met prairie ; tussen de ruïnes liggen tuinen en hier en daar een boerderijtje. Zoals dat van de 31-jarige Greg Willerer, die zijn groenten aan het begieten is als we passeren. Trots leidt hij ons rond in zijn piepkleine urban farm. "Voor een rij mesclunsla krijg ik honderd dollar", zegt hij. "Ik verkoop ze aan de beste restaurants van Detroit." Greg kweekt alles zonder pesticiden. De meeste stadsboeren in Detroit doen dat volgens hem. Er zijn er nu al honderden. Ze werken samen in coöperatieven en krijgen steun van de University of Michigan. "Te veel mensen blijven nog passief wachten op hulp van buitenaf", klaagt Greg. "Maar niemand zal Detroit ter hulp komen." Hij hoopt dat de stad een experiment wordt waar de hele wereld van zal leren. We ontmoeten inwijkelingen die er net zo over denken. Zoals Jody, een jonge lerares uit Colorado. "Er is geen stad ter wereld waar urban farming zo snel groeit als Detroit", zegt ze. "Uit heel het land komen mensen zoals ik naar hier om eraan deel te nemen. Detroit is de stad van de toekomst." Al zal ze iets heel anders zijn dan de metropool van weleer. De auto-industrie komt niet terug. De stad zet de bewoners van de grotendeels verlaten wijken onder druk om te verhuizen naar de dichter bevolkte delen. De lege stukken zouden dan natuurgebieden, parken en stadsboerderijen worden. Als daar geld voor is. Telkens ontmoeten we mensen in Detroit die ondanks alles positief denken. Stoutmoedige kunstenaars en stadsboeren. Een advocaat die zijn praktijk opgaf om een tehuis voor dakloze vrouwen en kinderen te runnen. Een man die al zijn buren kon overtuigen om de hele straat op te knappen. De twee meisjes die fietszaak The Wheelhouse openden aan de nieuwe promenade langs de Detroit River. De jonge uitbaters van nieuwe restaurantjes, galeries, internetbedrijfjes en bed & breakfasts die enthousiast meewerken aan de revival van midtown, downtown en Corktown. De eerste blanke die een voet zette in wat nu Detroit is, was een man uit onze contreien : Louis Hennepin, een franciscaner pater afkomstig uit het Henegouwse Ath. Hij was ook de eerste blanke die de Niagarawaterval zag. Er zijn heel wat plaatsen en zelfs een biersoort in Amerika naar hem genoemd. In 1679 stak hij, vanuit wat nu Canada is, de rivier over die nu de Detroit River heet. Hij noemde die en het grote meer waarin hij uitmondt St. Clair, volgens de ene bron omdat het die dag het feest van de heilige Clara was, volgens de andere omdat zijn moeder zo heette. De eerste landgenoten die zich hier permanent vestigden, arriveerden in 1833. Detroit telde toen 4973 inwoners, schrijft Arthur Verthé in zijn boek 150 jaar Vlamingen in Detroit (1980, Lannoo, niet meer in druk). Onder hen was er de Antwerpse familie Palms. Een zoon van dat gezin, Francis Palms, leefde de American dream. Hij begon als producent van lijnzaadolie en werd schatrijk door grondspeculatie. Toen hij in 1886 stierf, omvatte zijn bezit banken, fabrieken en spoorwegen. Het familiemausoleum, omringd door de graven van generaties Palms, staat in het Mount Elliott Cemetery. Verthé citeert pastoor Syoen, afkomstig van Woumen, West-Vlaanderen, die zegt dat er in 1908 16.000 Belgen in Detroit woonden. Hun aantal bleef groeien tot de jaren 1950, toen de blanke uittocht begon en de Belgische immigranten en hun nakomelingen uitzwermden over de voorsteden. In Detroit zelf overleven Vlaamse namen op graven en gevels van bedrijven zoals Rabaut Interior Decorating Company. In de East Side ligt de oude Belgian Social Club, waar ooit nogal wat afgedanst werd, er vervallen bij. Van de Belgische kerken was Our Lady of Sorrows de prominentste. De kerk brandde af in 1963, maar werd herbouwd naar een ontwerp van de Belgische architect Jan Stevens. De glasramen en andere kunstwerken werden in Vlaanderen gemaakt. De kerk is nog in goede staat en is sinds 2000 van een zwarte protestantse gemeenschap. Van de vele Belgische cafés die in Detroit floreerden, blijft enkel het Cadieux Café over. Er was een fiets-, bol-, duiven- en boogschuttersclub. Er werd accordeon gespeeld en gedanst. Ron Devos is de huidige uitbater. Het café is zo ouderwets Belgisch gebleven dat het intussen hip is geworden. Jonge Detroitenaars komen er frieten met mosselen en worst met stoemp eten, Belgisch bier drinken, vogelpik spelen en feather bowl (bolspel, een oud Vlaams spel waarin je een houten 'bol' of cheese wheel mikt naar een veer die in het zand staat). Als ze met velen zijn, blijven immigranten van de eerste generaties hun taal spreken en zich vermaken in hun eigen kringen. Ze hebben zelfs hun eigen pers. Dat was ook zo voor de Vlaamse immigranten in Detroit. Hun krant was de Gazette van Detroit. Wonderlijk genoeg bestaat die nog steeds. De meeste abonnees zijn Amerikanen die hun Nederlands, of 'Belgisch' zoals ze de taal van hun voorouders noemen, grotendeels vergeten zijn. Vandaar dat de Gazette meer en meer artikels in het Engels heeft, en rubrieken om de Nederlandse taalkennis op te frissen. In 2014 zal het krantje hopelijk zijn honderdste verjaardag vieren. "Op zijn hoogtepunt rond 1950 werd het op 10.000 exemplaren gedrukt", zegt Elisabeth Khan, tot voor kort de (onbezoldigde) hoofdredactrice van de Gazette. "Vandaag zitten we aan 1500. Dat aantal blijft wel stabiel. We doen ons best maar alle steun is welkom." Elisabeth is afkomstig uit Ninove. Ze leerde haar Indiase echtgenoot kennen aan de Gentse universiteit en immigreerde met hem naar Amerika. Omdat het stel een verhuis naar India plant, gaf Elisabeth de fakkel door aan Christine Naert-Vaughan, een dochter van immigranten uit Roeselare en Rumbeke maar geboren in de VS. Algemeen Nederlands heeft ze nooit geleerd. "Thuis spraken we West-Vlaams", zegt ze. Een andere (eveneens onbetaalde) werkkracht bij de Gazette is Margaret Roets. Zij was veertien toen haar ouders, die van Aartrijke en Bekegem waren, naar Detroit emigreerden. "Ik kan wat Nederlands lezen", vertelt ze, "en ik ken nog een beetje West-Vlaams. Ik ging naar de school van de John Berchmans Church in Detroit. Alles was in het Engels." Margaret hoopt om het eeuwfeest van de Gazette nog mee te maken. "Ik ben nu negentig", zegt ze lachend. "Wie weet lukt het." Intussen is de Gazette al bezig met de planning van haar jaarlijkse benefiet en Belgian Heritage Celebration. Het feest wordt dit jaar gevierd op 16 september. U bent van harte uitgenodigd. Knack Weekend nodigt u uit om mee naar Detroit te reizen voor een veelzijdige kijk op de stad en een feestelijke ontmoeting met de Belgisch-Amerikaanse gemeenschap, begeleid door Jacqueline Goossens en Rik Van Cauwelaert. Meer info op pagina 61. DOOR JACQUELINE GOOSSENS EN TOM RONSELEEGSTAND KAN OOK INDRUKWEKKEND ZIJN : EEN DEEL VAN DOWNTOWN WORDT SKYSCRAPER'S GRAVEYARD GENOEMD. KUNSTENAARS, STADSBOEREN EN JONGE ONDERNEMERS MAKEN VAN DE STAD EEN EXPERIMENT WAAR HEEL DE WERELD VAN KAN LEREN.