Het gebeurt tegenwoordig dat ik mij door een vriend laat verlokken om een stapje in de wereld te zetten. Met een beker in de hand om schuimloos vocht te morsen, schuren we ons dan aan tegen andere aangespoelden. Op de tonen van Tainted Love bijvoorbeeld. Dat betekent zoiets als 'besmeurde liefde' en het is door Marilyn Manson gecoverd.
...

Het gebeurt tegenwoordig dat ik mij door een vriend laat verlokken om een stapje in de wereld te zetten. Met een beker in de hand om schuimloos vocht te morsen, schuren we ons dan aan tegen andere aangespoelden. Op de tonen van Tainted Love bijvoorbeeld. Dat betekent zoiets als 'besmeurde liefde' en het is door Marilyn Manson gecoverd. Don't you want somebody to love van Jefferson Airplane klinkt even opzwepend als het ter hoogte van mijn geboortejaar bedoeld was. Iemand om graag te zien: moeilijk is dat niet te vinden. Het is een natuurwet dat de vraag naar liefde altijd het aanbod zal overtreffen. De wereld bulkt van de zielen die hunkeren. De vrouw met rollator in de supermarkt die te lang met de caissière blijft babbelen, omdat dat de enige menselijke aandacht is die ze krijgt op een dag. De gesneden kater in het asiel die geen nieuw baasje vindt omdat iedereen liever een kitten wil. Maar liedjes gaan doorgaans niet over de liefde voor dat soort verworpenen. Liedjes gaan over love in haar gemakkelijkste verschijningsvorm: de liefde voor iemand die al zijn haren en tanden nog heeft en tot wie we ons lichamelijk aangetrokken voelen. Nog steeds in die donkere krocht, waar lichtschuwe wezens dansen, stel ik opeens vast dat mijn telefoon is verdwenen. Dat voelt aan als een amputatie. De paniek kind noch kraai te kunnen bereiken, net nu Major Tom onwezenlijk van planeet Aarde wegdrijft in Space Oddity. "Mijn telefoon is weg", zeg ik tegen de kerel die het dichtst bij mijn jas zit. "Ik ben geen dief", antwoordt hij. Alsof ik dat beweerd heb. Het valt mij op dat hij op de schrijver Michel Houellebecq lijkt. Diezelfde afgeleefde, slechtgezinde oogopslag. "Vraag het eens aan de toog", suggereert Michel milder. Dat doe ik zonder veel overtuiging. Tot mijn verbazing halen ze een toestel tevoorschijn dat ik herken als het mijne, in het vertrouwde, versleten hoesje. "Nu mag je mij wel een Duvelke trakteren." Houellebecq grijnst een rij tanden bloot die doen denken aan verzonken grafzerkjes. "Op uw muile, zeggen ze bij ons", grapt hij als we klinken. Bij nader inzien blijkt hij niet kwaadaardig, maar ook slechts iemand die toevallig op de planeet aangespoeld is. Ik heb een zwak voor aangespoelden. Vaak zijn ze interessanter dan de mensen in een ligstoel op het zonnedek van de Titanic. Bij de toiletten raak ik aan de praat met een meisje met glinsterende ogen. Ze beklaagt zich over een kerel die Marnix heet en die met haar hart heeft gerotzooid. Ik stel vast dat zij naar knoflook ruikt. Thuisgekomen lees ik nog enkele pagina's in Soumission van Houellebecq, de echte dit keer. "Het verleden is altijd mooi", stelt hij vast. "En de toekomst trouwens ook. Alleen het heden doet pijn. Je draagt het met je mee als een lijdensgezwel dat je altijd vergezelt tussen twee oneindigheden van vredig geluk." Dat slaat nergens op, maar mooi gezegd is het wel. De maan schijnt door het raam, met diezelfde pokdaligheid als toen ik negen jaar was. Ik leg mij te rusten en droom van zielen die ondraaglijk graag gezien zijn.