Adelaida en Pilar heetten ze. Allebei groeiden ze enkele decennia geleden op in de Peruviaanse Andes en waren ze getrouwd met een afwezige, aan alcohol verslaafde, geldverkwistende en soms gewelddadige man. Allebei voedden ze in hun eentje drie kinderen op. De ene was landarbeidster, de ander kleuterjuf. Ze besloten het platteland in te ruilen voor de hoofdstad. In Lima meenden ze hun kinderen een betere toekomst te kunnen geven, omdat zich daar de enige staatsuniversiteit bevond. Deze twee alleenstaande vrouwen brachten zes universitairen voort, van wie er drie het tot leerkracht schopten.

De jongste telgen van de twee gezinnen, Isabel en Victor, werden op de banken van de universiteitsaula verliefd op elkaar. Ze debatteerden en streden samen, en droomden van het Peru van morgen. Ze besloten een academische loopbaan uit te bouwen en kwamen naar België om aan hun doctoraat te werken. Toen een vreselijk conflict losbarstte tussen de terroristen van het Lichtend Pad en dictator Fujimori, konden ze niet meer terug naar hun vaderland.

Na vijf jaar onrechtmatige opsluiting verliet de zus van Victor de gevangenis. Ze kwam als balling haar broer achterna naar België, vergezeld van haar moeder Adelaida. Voor ons, haar kleinkinderen, heette Adelaida 'abilla Lala'.

Mannen moeten tandje bijsteken om echte bondgenoot te worden in de strijd om meer gelijkheid.

De twee vrouwen verbleven negen jaar in ons vlakke land en maakten zich onmisbaar in mijn bestaan. Vrouwen en de rollen die de maatschappij hun toebedeelt, waren dan ook doorslaggevend in mijn leven. Eigenlijk heb ik het aan hen te danken dat ik nu een gelukkig en evenwichtig persoon ben. Ik groeide immers op in de best mogelijke omstandigheden om een 'pro-feministische' man te worden: een man die vóór de gelijkheid tussen vrouwen en mannen is, die zich solidair toont met de feministische strijd en die een bondgenoot probeert te zijn, maar geen op erkenning beluste hoofdrolspeler.

Maar ondanks mijn opvoeding blijf ik soms nog te veel en te luid praten, luister ik nog steeds niet genoeg. Lach ik nog met machistische mopjes (en vertel ze zelf aan anderen). Ben ik soms nog solidair met mijn mannelijke vrienden, hoewel ik sommige van hun daden veroordeel. Blijf ik paternalistisch in de omgang met mijn omgeving, en vooral met vrouwen. Ik bezondig me nog weleens 'mansplaining': op een betuttelende manier aan een vrouw iets uitleggen wat ze zelf al weet. Ik geniet nog steeds bewust van de privileges die aan mijn geslacht verbonden zijn. En van de bijkomende privileges die me als pro-feminist in een patriarchale maatschappij te beurt vallen.

Om een oprechte bondgenoot van gelijkheid te worden, moeten we echter heel wat meer doen. We moeten onze borst nat maken en echt 'onze ballen op tafel leggen', zoals de uitstekende feministische podcasts 'Les couilles sur la table' van Victoire Tuaillon het zo poëtisch verwoordt. Als heteroseksuele man tegen het patriarchaat vechten, betekent waarschijnlijk in de eerste plaats tegen jezelf vechten. Je informeren, jezelf voortdurend in vraag stellen, je vrienden tot de orde roepen wanneer ze zich seksistisch gedragen, viriliteit niet bewieroken, verschillende vormen van mannelijkheid promoten en slachtoffers van seksisme verdedigen. Proberen om jezelf op te voeden en niet aan feministen vragen om dat in jouw plaats te doen, waardoor je hun mentale belasting nog zwaarder maakt. Ook de gendergelijkheid in bed verdedigen, het lichaam van je partners kennen, naar hun verlangens luisteren, ijveren voor de verspreiding van mannelijke contraceptie. Op zoek gaan naar manieren om de feministische strijd te ondersteunen zonder de hoofdrol op te eisen. (Misschien net het omgekeerde van wat ik met het schrijven van dit artikel doe?) Kritiek aanvaarden. Je ego aan de kant zetten.

Eigenlijk is dat vooral wat je tot een echte bondgenoot maakt.

Uiteraard zal je als gevolg van deze gelijkheid bepaalde privileges verliezen, maar dat hoeft volgens de filosofe Olivia Gazalé niet per se een slechte zaak te zijn:

'De mannelijke aandacht voor het privé- en gevoelsleven, de heruitvinding van het vaderschap, het uitdrukken van emoties (...) Al die dingen vormen geen 'achteruitgang', maar een kans voor de mensheid, misschien wel haar allergrootste kans: de kans om enthousiast de geboorte van nieuwe vormen van mannelijkheid aan te kondigen, wat een onontbeerlijke voorwaarde is voor een beter evenwicht in de verhoudingen tussen de twee seksen. (...) Je moet begrijpen dat het feminisme een vorm van humanisme is: het antiseksisme komt niet alleen op voor vrouwen, maar werkt emanciperend voor de hele mensheid.'

In de Quechua-taal hebben we een spreekwoord: "Phuturiy paqmi punin kausayninchis". Het betekent: 'Als we hier zijn, is het om tot bloei te komen'. Het einde van het patriarchaat zal mannen in staat stellen om open te bloeien en - wie weet - eindelijk werk te maken van hun tuin.

David Méndez Yépez is econoom, muzikant en lid van de Vrijdaggroep, een politiek platform van jongeren van diverse pluimage ondersteund door de Koning Boudewijnstichting. Meer info opwww.vrijdaggroep.be Twitter: @Friday_Group).

Lees ook:

- Wim Slabbinck en Griet Vandermassen in debat: 'Vrouwen zullen hoogstzelden betalen voor seks'

- Waarom feminisme goed is voor mannen

- Feminisme en biologie: een verzoening?