Ongezonde voeding is de grootste risicofactor voor ziekte, en de oorzaak van één op de vijf sterfgevallen wereldwijd. In de rijke landen verhogen suiker, vet en rood vlees de kans op hart- en vaatziektes, diabetes en kanker. Dat leidt tot sterftes op latere leeftijd.

In landen met lage inkomens hebben mensen het dan weer moeilijk om aan voldoende voedzaam eten te komen, zoals fruit, groenten, eieren, vlees en melk. Daardoor lopen ze risico op ondergewicht, groeiachterstand en tekort aan vitaminen en mineralen. Dit leidt vaak tot kindersterfte maar ook tot ondervoeding en vertraagt de cognitieve ontwikkeling.

De relatieve kostprijs per calorie

De oorzaken van foute voedingskeuzes zijn complex. Onze voedingspatronen zijn cultureel bepaald en geworteld in tradities, ze hangen samen met onze algemene kennis over voeding en het belang dat we hechten aan onze gezondheid. Maar economische factoren zoals inkomen en de relatieve kostprijs zijn ook van tel, vooral bij mensen met een laag inkomen, omdat zij het met een erg beperkt voedingsbudget moeten stellen.

Waarom zowel arm als rijk naar de foute voeding grijpen

Wij onderzochten de economische kant van deze voedselkeuzes. We maakten een analyse van de kostprijs van 657 voedingsmiddelen in 176 landen zoals in schema gebracht door het International Comparison Programvan de Wereldbank. Het doel was om inzicht te krijgen in het globale voedselsysteem, bekeken vanuit het perspectief van de armere consument, door de relatieve prijs per calorie na te gaan en in kaart te brengen hoe vele consumenten extra geld moeten ophoesten voor gezonde caloriebronnen.

Voedzaamheid als topprioriteit

Onze analyse van de relatieve kostprijs per calorie leidde tot een opvallende vaststelling. Naarmate landen ontwikkelen, worden hun voedselsystemen efficiënter in het voorzien van gezondere voedingsmiddelen aan een lagere prijs, maar tegelijk worden ze ook beter in het voorzien van ongezonde voedingsmiddelen aan een lagere prijs.

Dat betekent dat arme mensen in minder ontwikkelde landen ook in inefficiënte voedselsystemen leven. Voedzaam eten zoals eieren, melk, fruit en groenten kan heel duur zijn in deze landen. Dat maakt het veel moeilijker om af te wijken van nutriëntenarm basisvoedsel zoals rijst, maïs en brood.

Bij het uittekenen van het voedselbeleid zou de prioriteit niet moeten liggen bij de inkomens van landbouwers en de winsten van voedselproducenten

In de ontwikkelde landen ligt het probleem elders. Ongezonde calorieën zijn daar een heel betaalbare optie. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld zijn calorieën uit frisdrank maar 1,9 keer duurder dan calorieën uit basisvoedsel en ze hoeven niet bereid te worden.

Het feit dat de relatieve kostprijs van voedingsmiddelen zo sterk en stelselmatig verschilt, is een sterke basis voor een voedselbeleid in functie van een zo hoog mogelijk gehalte aan voedingsstoffen. Momenteel leggen veel regeringen de prioriteit inzake voedselbeleid bij de inkomens van de landbouwers en bij de winsten van voedselproducenten en -verdelers. In plaats daarvan zou de voedzaamheid van de producten en de gezondheid van de consument de topprioriteit moeten zijn bij het uittekenen van het voedselbeleid.

Eieren duur in Afrika

Niger is een van de armste landen ter wereld, met rijst, brood en maïs als basisvoedsel. Eieren zouden een nuttige toevoeging zijn aan het voedingspatroon, omdat ze vol hoogwaardige proteïnen zitten en veel sporenelementen bevatten. Zo'n superfood is ideaal voor jonge kinderen en zwangere vrouwen.

Maar calorieën uit eieren zijn in Niger 23,3 keer duurder dan calorieën uit het basisvoedsel. In de veel rijkere Verenigde Staten daarentegen zijn ze maar 1,6 keer duurder dan calorieën uit basisvoedsel. Conclusie: zelfs als armere consumenten in Niger hun voeding willen diversifiëren en minder basisvoedsel eten, kunnen ze zich dat financieel niet veroorloven.

Onze bevindingen komen overeen met de zogenaamde voedseltransitie: als landen ontwikkelen, wordt hun voedselpatroon gevarieerder en voedzamer, ook al gaat dat soms traag. Tegelijk breidt ook de keuze aan ongezonde caloriebronnen uit, zoals frisdranken.

Suiker is overal gewild

Hoe komt het nu precies dat het globale voedselsysteem en de economische ontwikkeling uitmonden in een foute prijs voor gezonde en ongezonde voeding in zoveel landen?

Een deel van het antwoord is het voedsel zelf. Suiker zit vol basiscalorieën die we nodig hebben als snelle energiebron om te overleven. Groene groenten daarentegen zijn rijk aan vitaminen en mineralen maar leveren niet veel energie, dus ze zijn duur in termen van calorie-opbrengst. Consumenten met een beperkt budget vinden suikerrijke voeding dus erg aantrekkelijk, en voor voedselfabrikanten is suiker een heel goedkope manier om smaak en calorieën in hun producten te stoppen.

Hoe bederfelijker, hoe duurder

De houdbaarheid van voeding is nog een erg belangrijke factor in de prijssetting. Eieren en verse melk kun je niet over lange afstanden verhandelen. De eierproductie in Niger is laag, omdat de pluimveeteelt in Afrika met ziektes te kampen heeft, en ze er over weinig technologie en investeringsgeld beschikken.

Zowel onderzoeksinstellingen als regeringen blijven al te vaak gefixeerd op de toevoer van basisvoedsel. Dat moet veranderen

In principe zou Niger goedkope voeding uit de Verenigde Staten kunnen importeren, maar dat is onmogelijk voor bederfelijke en fragiele voedingswaren zoals eieren. Anderzijds kunnen landen wel langer houdbare voedingswaren importeren zoals bonen, noten, melkpoeder en bevroren vlees of vis. De verschillen in kostprijs van gezonde en ongezonde caloriebronnen worden dus deels bepaald door de lokale productieniveaus en door de transportprijs.

Door die complexiteit zijn verschillende strategieën nodig per soort voedsel in de verschillende landen.

De weg naar meer variatie

Het grootste obstakel op weg naar gezonde voeding voor consumenten in arme landen is uiteraard de prijs. Voor bederfelijke waar die niet makkelijk kan verhandeld worden, is het essentieel om meer te investeren in onderzoek en ontwikkeling van de landbouw om de opbrengst van nutriëntenrijk voedsel te verhogen. Ontwikkelingslanden kunnen beroep doen op de Consultative Group on Agricultural Research (CGIAR), de belangrijkste multilaterale instelling voor landbouwonderzoek en -ontwikkeling, die in de jaren 1960 en 1970 de Groene Revolutie mee aanstuurde met superoogsten van hoogwaardige rijst, tarwe en maïssoorten. Maar de CGIAR heeft tot nog toe nooit de focus gelegd op een hogere opbrengst van voedzame gewassen, veeteelt of visserij.

Diezelfde voorkeur voor basisvoedsel tekent zich ook af bij de nationale regeringen van ontwikkelingslanden, die al te vaak gefixeerd blijven op de toevoer van basisvoedsel. Dat moet veranderen.

Etikettering en voedselvoorlichting

Wat verhandelbare voeding betreft, moeten landen hun importbeleid herzien en ervoor zorgen dat ze geen accijnzen heffen op voedingswaren waar de consument behoefte aan heeft. Niet elk land moet bijvoorbeeld zelfvoorzienend zijn inzake zuivel. Melkpoeder is bijzonder voedzaam en gemakkelijk verhandelbaar, en kan vaak goedkoop ingevoerd worden uit exporterende landen met een hoge productiviteit zoals Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten.

Suiker, olie en vet zijn zo'n extreem goedkope caloriebronnen, dat wij vermoeden dat het efficiënter zal zijn om in voedingsvoorlichting te voorzien dan belastingen te heffen op ongezonde voeding

Voor gezonde voeding moet ook de infrastructuur en de zakelijke omgeving aangepakt worden om opslagmogelijkheden te verbeteren, de handel erin aan te zwengelen en de verwerking van gezonde voeding te vergemakkelijken.

De lage en zelfs dalende kostprijs van ongezonde voedingsmiddelen is een veel moeilijker beheersbare factor. Belastingen op ongezonde voedingsmiddelen kunnen een oplossing zijn. Maar suiker, olie en vet zijn zo'n extreem goedkope caloriebronnen, dat wij vermoeden dat het efficiënter zal zijn om in voedingsvoorlichting te voorzien en de leveranciers verplichtingen op te leggen, zoals duidelijke etikettering op de voedingswaar.

Derek Headey en Harold Alderman zijn senior researcher aan het International Food Policy Research Institute (IFPRI) in Washington.

Bron: The Conversation.