Column

Nathalie Cardon

‘Wat mijn kind later ook zal worden, een bachelor Mededogen heeft hij alvast op zak’

Nathalie Cardon Eindredactrice Knack Weekend

Nathalie Cardon vindt niks te banaal voor een goed verhaal

Terwijl Russische jongens met een helm op huilend naar hun moeder bellen, denk ik aan de keer dat ik angst in de stem van mijn zoon hoorde. Er zat een muis op zijn kot, zei hij. Het beest was uit z’n pennenzak gesprongen en schoot vervolgens onder een kastje, in een kier, of zat hij nu achter de vuilbak? Het was donker buiten. De winkels waren dicht. Ze zouden met elkaar de nacht in moeten, mijn zoon en de muis. Op zulke momenten heb je als negentienjarige weinig aan het internet. Er is een lifehack voor alles, van avocado’s ontpitten tot het goedkoopste vliegticket vinden. Maar een moeder die je geruststelt, krijg dat maar eens uit een zoekmachine getoverd. “Veel mensen hebben een muis als huisdier”, improviseerde ik. “Geef hem een naam, dan voelt het niet langer als ongedierte. Kun je niet slapen van het getrippel, dan denk je gewoon: daar heb je mijn muis.”

Wat mijn kind later ook zal worden, een bachelor Mededogen heeft hij alvast op zak

Toptip. “Naam geven helpt. Bismarck en ik zijn de nacht redelijk doorgekomen”, liet mijn zoon weten. Maar nu ging hij toch echt een val halen. Hij had zich ingelezen intussen. Het meest diervriendelijke exemplaar, waarbij de muis simpelweg in een kooitje terechtkwam, was geen optie. “Je moet dat beest dan kilometers verder in een natuurgebied vrijlaten,” wist hij, “of hij vindt de weg naar je pastarestjes terug.” Dus ging hij voor de korte pijn: een klem die wat meer van zijn weekbudget zou vergen, maar een vlijmscherpe guillotine was. Rond de middag kreeg ik bericht. “R.I.P. Bismarck.” Met een mond vol boterham klikte ik een foto open van een half muizenlijf, een soort knijpschep en de hand van mijn zoon. Bismarck bleek ook nog een broer te hebben. Een dag later kon ik meekijken hoe die, naamloos en stijf, in zijn gft-graf gleed.

“Weet je wat het is”, zei mijn zoon in een volgend telefoongesprek. “Een muis doden is zo makkelijk op deze manier, dat je er een soort hardheid door ontwikkelt. Maar ik wil muizen niet als muggen gaan zien.” Ik was stilletjes trots. Wat mijn kind later ook zou worden, een bachelor Mededogen had hij al op zak. Nooit vergeet ik die ene collega, die destijds vertelde hoe ze een muis in haar garage had laten ‘vastlopen’ op een kartonnetje met speciale lijm. Toen ze thuiskwam van het werk, trof ze het beestje heen en weer deinend aan, in een zoveelste poging zich los te rukken. Waarop ze het dier met karton en al op de oprit zette en er een paar keer met de auto overheen reed. Ze glom bij de gedachte aan haar eigen vindingrijkheid.

Het overlijden van Bismarck en zijn broer bracht de muizen tot inzicht. De pindakaas in de val lieten ze voortaan voor wat ie was, tenzij er toevallig een klodder op de rand was beland. Zoon besloot tot een nieuwe aanpak. De vallen gingen weg. Spleten in de muren dichtte hij met proppen papier. Zo hadden de knagers hun eigen verblijf, afgescheiden van het zijne. Slapen deed hij met oordoppen. Heel af en toe googelde hij op ‘Kunnen muizen een huis ondergraven?’

Een beetje moeder zou zeggen: “Dit kan zo niet meer, bel de kotbaas!” Maar ik kan mezelf er maar niet toe brengen. Het warmt mijn hart, om telkens te vragen: “Hoe is het met je muizen?” Het verhaal moet verteld. Het einde herhaald. Van de machthebber die weigerde naar straffere wapens te grijpen, omdat een oneerlijke strijd nog nooit een held heeft opgeleverd.

Partner Content