Bomen die ruisen en daarboven, ver boven de stad verheven, een vliegmachien. Ik heb altijd van dat woord gehouden, de frivoliteit van het vliegen vermengd met de metalen degelijkheid van dat 'machien'. Op dezelfde manier hou ik van het woord automobiel, voluit geschreven en niet afgekort tot de nen otto van tegenwoordig.
...

Bomen die ruisen en daarboven, ver boven de stad verheven, een vliegmachien. Ik heb altijd van dat woord gehouden, de frivoliteit van het vliegen vermengd met de metalen degelijkheid van dat 'machien'. Op dezelfde manier hou ik van het woord automobiel, voluit geschreven en niet afgekort tot de nen otto van tegenwoordig. Ergens timmert een man aan een dak. In de verte ronkt een motorfiets voorbij. Waarin schuilt de weemoed van dat soort verafgelegen geluiden ? In het wegsterven ervan ? In het feit dat zij teweeg worden gebracht door mensen die je wel hoort maar nooit te zien zult krijgen, voor ze voorgoed weer in het niets verdwijnen ? Of schuilt de lichte triestheid in het feit dat je die geluiden al gehoord hebt in andere tijden, die van je weggeraasd zijn : tijden waarin deze en gene nog leefde en je vader melkstampers maakte als je niet wilde eten ? Melk en eieren en boter, nooit iets lekkerders geproefd - vader zijn hemdsmouwen opgestroopt om de inspanning extra zichtbaar te maken en miljoenen jaren afwezigheid te compenseren. De insecten op dit tafelblad, zouden ook zij gebrek aan liefde kunnen lijden ? Schijnbaar kruipen zij onbezorgd rond, zwarte lijfjes met flashy oranje accenten, miniatuurschorpioenen die hun best doen er vervaarlijk uit te zien. Boven de tafels drijft gegons, gelach van mensen die blij zijn met de zon, mensen die over stoppelbaarden wrijven, mensen die zich krabben en stiekem winden laten en mensen die maar wat in het rond zitten te kijken. Waarop wachten wij allen ? Een kelner met een papbuik en te bleke tenen draagt Gildenbier en Pilaarbijter en Satan Gold rond. Brugse Zot, Zatte Bie en Hellekapelle. Men zou een dichtbundel kunnen vullen met alleen maar de namen van bieren. Dulle Teve. Vapeur à folie. Om van het Grottenbier te zwijgen. Aan een tafeltje zit een niet meer zo verse vrouw van onder felblauwe oogschelpen naar haar tulpglas te kijken. Haar handen zijn gemanicuurd, haar bewegingen te afgemeten. Ze heeft meer gedronken dan goed voor haar is. Het kan zeer doen, naar allenige mensen kijken. De schorpioentjes beginnen mij tegen te steken. Ik ga ze rücksichtslos te lijf, met het suikerklontje van bij mijn koffie. Zij sterven zonder kreun of klacht en zijn aanzienlijk zachter dan verwacht. Ze blijken een soort gele smurrie te bevatten die doet denken aan een mengsel van mosterd en crème au beurre. Dat het technisch gesproken mogelijk zou zijn zoiets te bereiden en op te eten. Soms denk ik aan al die dingen die mogelijk zijn maar die men desondanks niet doet, zoals vijfhonderd keer rond dezelfde rotonde rijden. Zou dat verboden zijn ? Maar die gekke beestjes. Wie heeft in godsnaam zulke malligheid bedacht, en dan in één moeite door ook de Marianentrog, het vogelbekdier, de ziekte van Crohn en tepels als potloodgommetjes ? Met als kers op de taart wijzelf, wezens die op hun beurt zulke verscheidenheden kunnen bedenken als bluetooth, de wc-borstel en de beurs van New York. De veelheid van dingen blijft mij verbazen. En zo tastbaar allemaal, om ooit toch weer te moeten achterlaten. Drie mannen aan het nabijgelegen tafeltje, zo te zien homo's, drinken rosé. Ik hou niet van rosé. Aan rosé doe ik niet mee. Ditzelfde etmaal wel nog aan een blindproeverij van rode wijnen, waarop neuzen geplakt werden als rode bes en chocolade, maar ook gezochtere dingen zoals potlood en versgemaaid gras. "Deze ruikt als een verkoolde sprinkhaan op de printplaat van een klokradio om zeven uur in de ochtend, waaruit net de akoestische versie van Smells like Teen Spirit weerklinkt", probeerde ik. Niemand lachte. Mijn gevoel voor humor heeft soms een neus van pokerhoeden, en van flesgroen ribfluweel dat liefdevol spant om de billen van jonge meiden. Aan het tafeltje naast mij hoor ik een vrouw het woord toespijs uitspreken. Het gebruik van woorden die zo afzichtelijk zijn, zou beboet moeten worden door de woordenpolitie. Zeep daarentegen vind ik prachtig, en klippen. Zeepklippen zouden natuurlijk nog beter zijn en een ogenblik zie ik ze staan, omspoeld door schuimend water, in de schemering, met op hun ruggen van die uitgedroogde kloven waarin een volwassen man kan verdwijnen zonder ooit terug te worden gezien. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders