Zoals altijd verliep mijn metro- en tramrit door Brussel deze ochtend in volledige stilte. Uiteraard ligt dat enkel en alleen aan mij want ik verschuil mezelf achter een boek, en wil ook helemaal niet aangesproken worden. Integendeel. Ik ga ervan uit dat alleen gekken een conversatie aanknopen in Brussel en dat ik, voor je 'dwangbuis' kunt zeggen, in een volledig krankzinnig gesprek zit met een schizofreen en zijn overleden moeder. Haast iedereen sluit zich af in de Brusselse metro. Mijn medereizigers kijken op hun smartphone, spelen spelletjes (Candy Crush Saga lijkt heel populair) of luisteren naar muziek. En iedereen heeft d...

Zoals altijd verliep mijn metro- en tramrit door Brussel deze ochtend in volledige stilte. Uiteraard ligt dat enkel en alleen aan mij want ik verschuil mezelf achter een boek, en wil ook helemaal niet aangesproken worden. Integendeel. Ik ga ervan uit dat alleen gekken een conversatie aanknopen in Brussel en dat ik, voor je 'dwangbuis' kunt zeggen, in een volledig krankzinnig gesprek zit met een schizofreen en zijn overleden moeder. Haast iedereen sluit zich af in de Brusselse metro. Mijn medereizigers kijken op hun smartphone, spelen spelletjes (Candy Crush Saga lijkt heel populair) of luisteren naar muziek. En iedereen heeft diezelfde blik: leeg, afstandelijk, achteloos. Het is een van die grootstadregels: praat niet met vreemden in de metro, dat is vragen om problemen. Maar misschien is die regel wel fout, dachten gedragspsychologen Nicholas Epley en Juliana Schroeder. Zij wilden onderzoeken wat ze de 'antisociale paradox' noemen. De mens is een uiterst sociaal wezen, en toch zitten we op openbare plaatsen naast elkaar te zwijgen en voor ons uit te staren. We genieten van de aanwezigheid van vrienden en familie, maar huiveren van contact met onbekenden. Epley en Schroeder benaderden reizigers in de metro in Chicago met de vraag of ze een jarenlange gewoonte wilden doorbreken en toch een gesprek wilden aanknopen met een medereiziger. Hun beloning was een Starbucksvoucher, maar dat bleek niet zo belangrijk. Achteraf meldden de proefpersonen stuk voor stuk dat ze een aangename conversatie hadden gehad en dat ze er een 'geluksgevoel' aan hadden overgehouden. Het banale babbeltje had hun dag een stukje lichter en vrolijker gemaakt. Zelfs degenen die in het vooronderzoek zeiden dat ze niets van zo'n metroconversatie verwachtten, dat ze ongetwijfeld een gênant moment zouden beleven en dat hun praatpaal waarschijnlijk zou sterven van verveling; zelfs die mensen vonden het praatje uiteindelijk een onverdeeld positieve ervaring. De gesprekspartner trouwens ook. Epley en Schroeder wijten de niet-praten-code aan pluralistic ignorance (pluralistische onwetendheid). Iedereen denkt dat niemand wil babbelen op de metro, maar eigenlijk vindt iedereen het wel prettig. Waarschijnlijk zit u op een trein vol praatgrage mensen, en toch gebeurt de reis in stilte omdat iedereen denkt dat het zo hoort. Maar oppervlakkig contact met iemand die u waarschijnlijk nooit nog ziet (tenzij u op dezelfde uren reist en altijd op dezelfde plaats zit), doet wonderen voor uw humeur. Elizabeth Dunn, professor in de psychologie, noemde dit het Benjamin effect, naar haar man. Die kon als een knorrige beer thuiskomen en zich bijzonder onhebbelijk gedragen, zoals je je dat alleen veroorlooft bij iemand die je graag ziet; en dan plots zeer charmant worden als er een onbekende langskwam, want dat is niet meer dan goedgemanierd. Dunn noteerde dat die goede bui nadien bleef hangen. Na de ontmoeting met de onbekende was haar echtgenoot beter gezind omdat hij verplicht was geweest zich beter en vrolijker te gedragen. Morgen zit ik in een metrostel vol vrolijke mensen, zeker weten.lene.kemps@knack.be Lene KempsEen babbel met een onbekende doet wonderen voor uw humeur