De laatste rocailleur van Frankrijk is beter bekend in Amerika en Nederland dan in zijn eigen land. Zijn faam over de plas kwam er na een artikel in het gerenommeerde tijdschrift The World of Interiors, en in Nederland wordt hij geruggensteund door bloemenbinder Menno Kroon. Geen sant in eigen land dus, terwijl Frankrijk nochtans een beetje de bakermat is van dit kunstambacht. Ook Italië is erom bekend. Al in de Renaissance werden tuinen opgesierd met gemetselde beelden en grotten. De beroemde rotsen van de Boboli-tuin in Florence zijn wellicht het bekendste voorbeeld. Italianen hebben trouwens iets met mortel. Dank...

De laatste rocailleur van Frankrijk is beter bekend in Amerika en Nederland dan in zijn eigen land. Zijn faam over de plas kwam er na een artikel in het gerenommeerde tijdschrift The World of Interiors, en in Nederland wordt hij geruggensteund door bloemenbinder Menno Kroon. Geen sant in eigen land dus, terwijl Frankrijk nochtans een beetje de bakermat is van dit kunstambacht. Ook Italië is erom bekend. Al in de Renaissance werden tuinen opgesierd met gemetselde beelden en grotten. De beroemde rotsen van de Boboli-tuin in Florence zijn wellicht het bekendste voorbeeld. Italianen hebben trouwens iets met mortel. Dankzij een uitstekende mortelspecie waarin kalk met baksteenpoeder en vulkanische as werd vermengd, slaagden de Romeinen erin om theaters en aquaducten te bouwen die al bijna tweeduizend jaar standhouden. Het waren wel de Grieken die als eersten kalkmortel gebruikten. "Die Italianen brachten hun kennis over het maken en verwerken van mortel mee naar Frankrijk. Daarom trof je de meeste rocailleurs aan in mijnstreken zoals in Oost-Frankrijk en in de buurt van Marseille. Daar zijn nog heel wat tuinen met dergelijke cementsculpturen verfraaid. Een van de toppers in het genre is de creatie van Le Facteur Cheval, die in zijn tuin een cementen paleis optrok", legt Fabien Rochoux uit. "Het bekijken van veel van die eigenaardige kunstwerken werkte aanstekelijk", zegt hij. Rochoux bedenkt nieuwe creaties en restaureert ook oude kunstwerken. Zo nam deze autodidact de kans om het rocailleursambacht opnieuw te leren, want het was volledig verdwenen. "De meeste rocailleurs waren gewone metselaars die zich op die manier uitleefden in hun vrije tijd. Maar na de oorlog taande de belangstelling voor deze volkskunst." De komst van goedkoop plastic tuinmeubilair in de jaren zeventig en tachtig zorgde er ook voor dat veel cementwerk werd afgebroken. Voor wie de tuin nooit netjes genoeg kan zijn, vormen cementen potten en meubels een obstakel. "Volgens mij worden ze net mooier door de ouderdom. Een beetje mos doet wonderen", meent Rochoux. "Zon en vocht geven de steen een prachtige patina die fraaier wordt met de jaren. Schuren met een harde borstel en bijtende producten is dus uit den boze."Stevig zijn de cementen objecten in ieder geval. Loodzwaar ook, want het gaat om kunststeen aangebracht op een ijzeren frame. Dat is een arbeidsintensief karwei, waar meer technische kennis achter schuilgaat dan je zou vermoeden. Rochoux bouwt zijn sculpturen laagje per laagje op en moet minutieus rekening houden met droogtijden, om barsten te vermijden. Hij gebruikt geen pigmenten, maar kleurt de mortel met verschillende soorten zand. Deze rocailleur beperkt zich niet tot het herhalen van de klassieke vormen, maar bedenkt ook nieuwe modellen. Zo maakt hij enorme tuintafels met grote fauteuils in Louis Quinze-stijl. Daarnaast zien we ook consoles waarvoor Rochoux prachtige kandelaars en bloempotten ontwerpt. Sommige potten versiert hij met de afdruk van bladeren uit zijn tuin. Het basismotief blijft steeds de boomschors. "Een onuitputtelijke inspiratiebron, waarvoor ik nooit ver weg hoef te gaan, want mijn tuin staat vol knoestige fruitbomen die als voorbeeld kunnen dienen. Doordat de streek hier zeer vochtig is, groeien er ook nog prachtige mossen op: een ideale combinatie."Info: Fabien Rochoux, rue Caulaincourt 125, 75018 Paris, Tel. (00-33) 14.22.37.216.Piet Swimberghe / Foto's Jan verlinde