LINDA ASSELBERGS

Ga jij weleens op de vuist, Koen ? Mep je erop los als woorden tekortschieten ? Nee, natuurlijk niet. Voor zover ik je ken, ben je een beschaafd en eerder zachtmoedig man. Beledig ik je als ik veronderstel dat iemand een uppercut verkopen niet tot je basisvaardigheden hoort ? Nu, ook niet tot de mijne, maar ik heb een alibi. Alle emancipatie ten spijt hebben wij vrouwen nog altijd het recht om hard weg te lopen van dreigend geweld. Niet dat ik volslagen hulpeloos ben. Als kind was ik een verdienstelijk straatvechter. Maar talloze blauwe plekken en gescheurde plooirokjes later besefte ik dat ik het bloedvergieten beter aan specialisten kon overlaten. Mannen dus. Zij weten hoe het moet, vechten. Dat is toch wat 90 procent van het filmaanbod ons wil doen geloven.
...

Ga jij weleens op de vuist, Koen ? Mep je erop los als woorden tekortschieten ? Nee, natuurlijk niet. Voor zover ik je ken, ben je een beschaafd en eerder zachtmoedig man. Beledig ik je als ik veronderstel dat iemand een uppercut verkopen niet tot je basisvaardigheden hoort ? Nu, ook niet tot de mijne, maar ik heb een alibi. Alle emancipatie ten spijt hebben wij vrouwen nog altijd het recht om hard weg te lopen van dreigend geweld. Niet dat ik volslagen hulpeloos ben. Als kind was ik een verdienstelijk straatvechter. Maar talloze blauwe plekken en gescheurde plooirokjes later besefte ik dat ik het bloedvergieten beter aan specialisten kon overlaten. Mannen dus. Zij weten hoe het moet, vechten. Dat is toch wat 90 procent van het filmaanbod ons wil doen geloven. Waar wil ze in hemelsnaam naartoe, hoor ik je nu peinzen. Simpel : vorige week heb ik op Canvas nog eens naar A history of violence gekeken, de ambigue film noir van David Cronenberg, waarin brave familievader en snackbareigenaar Viggo Mortensen zich tot een efficiënte geweldenaar ontpopt die zichzelf en de zijnen met hand en tand en desnoods potten gloeiende koffie verdedigt. Niet minder dan acht gewapende tegenstanders legt hij in zijn eentje neer. Wat mij nog het meest verontrustte, was het vuur waarmee ik, nochtans een overtuigd pacifiste, voor Mortensen zat te supporteren. "Pak de hufters, Viggo, komaan, geen compassie, knal ze overhoop." Hoe simpel is geweld op het witte doek : elke rechtse hoek treft doel, elke trap naar de solarplexus is raak, de good guys schieten stukken beter dan de bad guys. Hoe onnozel geweld in werkelijkheid is, kon ik een dag later vaststellen, in mijn auto voor een stoplicht in de buurt van het Antwerpse gerechtshof. Twee mannen gingen er op de vuist, althans dat was de bedoeling. Allebei keurig in het pak, het type dat jij bureaumannen noemt. Dreigend stonden ze tegenover elkaar, in pure Karate Kidstijl. En net toen ik me afvroeg of er nog wat van kwam, begon het. Geen heldhaftige uithalen, geen welgemikte trappen, maar knullig duw- en trekwerk dat in een amechtig soort berenomhelzing resulteerde. Ga daar mee naar de oorlog, schudde ik mijn hoofd. Maar wat wil je, Koen ? In het echt schrijft Viggo Mortensen gedichten, van die sombere, die hij alleen begrijpt. Ik niet vechten, Linda ? Je onderschat me. Ik ben er zelfs voor opgeleid : ik kan schieten en ik kan met een bajonet uit de voeten. Ik ben namelijk soldaat geweest. Drie weken, niet langer. In die korte tijd heb ik tien kogels mogen afvuren en heb ik één keer een man-tegen-mangevecht geoefend. De vijand was respectievelijk een kartonnen silhouet dat we door het hoofd moesten schieten en een juten strozak waar we brullend op af moesten lopen. De korporaal-chef verzekerde ons dat een echte buik met darmen waar je een bajonet inploft ongeveer hetzelfde aanvoelt. En toen keurden ze me af. Over het hoe en het waarom ga ik niet in details treden. Een keer heb ik echt gevochten. Vijfde leerjaar, na de avondstudie. Het moet in de winter geweest zijn, want het was al donker en er cirkelden vleermuizen rond de booglamp die de speelplaats verlichtte. Laat ik hem I. noemen, hij zat een klas hoger. Als je in het vijfde leerjaar zit, Linda, is een jongen van het zesde een onoverwinnelijke reus. Maar wat hij tegen mijn broertje zei, was zo lelijk, dat ik vergat dat hij een halve kop groter was dan ikzelf. Ik vloog hem aan. Het was jassentrekkerij, gevechtstechnisch stelde het niks voor. We rolden over de koude plavuizen en de ene probeerde de ander eronder te krijgen. Hij was sterker, maar ik was kwaaier. Het lukte. Ik zat bovenop zijn ribbenkast, drukte zijn handen tegen de grond en zette mijn knieën op zijn forsbollen. Zo noemden we dat, forsbollen. Ik, nat van de tranen en het snot dat ik niet kon wegvegen omdat ik geen handen vrij had. Hij, klemvast. Bij meer ervaren vechtersbazen had ik weleens gezien hoe ze hun tegenstander enkel met de knieën in bedwang konden houden. Dat was de ultieme vernedering. Maar dat kon ik niet, ik had alles wat ik in huis had nodig om I. tegen de grond te houden. Daar zaten we dan. Ik weet echt niet meer hoe we uit die patstelling zijn weggeraakt, Linda. Maar ik herinner we wel dat ik, overwinnaar, huilend naar huis ben gegaan. Dat ik trilde en dat ik het koud had. En dat we onderweg niks tegen elkaar hebben gezegd, mijn broertje en ik. I. is iets hoogs geworden in het theater. Af en toe lees ik een interview met hem. Hij lijkt me sympathiek. (www.koenfillet.be)