Begin oktober baadt de Luberon in een weldoende rust. De bomen dragen nog hun groene kroon, de toeristen zijn vertrokken, de autochtonen zitten bij elkaar en straks worden de mouwen opgestroopt voor de druivenoogst. In Saint-Rémy-de-Provence haal ik een zandkleurige 2 pk, jaargang 1975 op, waarvan ik het dak meteen tot aan de achterruit oprol.
...

Begin oktober baadt de Luberon in een weldoende rust. De bomen dragen nog hun groene kroon, de toeristen zijn vertrokken, de autochtonen zitten bij elkaar en straks worden de mouwen opgestroopt voor de druivenoogst. In Saint-Rémy-de-Provence haal ik een zandkleurige 2 pk, jaargang 1975 op, waarvan ik het dak meteen tot aan de achterruit oprol. De geboorteplaats van Nostradamus is op woensdagochtend een druk marktplaatsje. Het is een juweeltje van kleinschaligheid, ideaal voor een slenterparcours tussen kazen en foie gras, kastanjes en T-shirts. Uiteindelijk strijk ik neer op het terras van de Brasserie du Commerce met uitzicht op het plein, Le Figaro en een stevige kop koffie onder de hand. Alleen komt er niets in huis van lezen : op een piepkleine vluchtheuvel staat een vrouw te midden van het verkeer uit volle borst maar toch heel relaxed te zingen : Edith Piaf, Chansons de Paris. Al zingend krijgt ze van een voorbij slenterende oudere vrouw een ruiker bloemen, wuift ze naar bussen met ouden van dagen, bestelt ze via de microfoon een glas pastis. Muriel is een professionele zangeres die houdt van straatoptredens. Als de pastis eraan komt en ze even met omstaanders een praatje maakt, neemt kompaan Patrick het van haar over en weldra galmt zijn zware, warme stem over het plein. "We zingen meer en meer op straat", zegt Muriel terwijl ze een slok neemt. "Soms uit noodzaak, vaak uit puur plezier. Tot in Turkije toe." Saint-Rémy-de-Provence lééft en nog wel sinds de Romeinse tijden. Amper een kilometer bezuiden de stad, op het plateau des Antiques, vind je de overblijfselen van de nederzetting Glanum, die in de derde eeuw door de barbaren vernietigd werd. Tegen de avond houden we halt in het landelijke Eygalières, waar de succesvolle Vlaamse chef-kok Wout Bru ons opwacht in zijn restaurant Chez Bru (zie ook Weekend Knack van 16 januari 2008 en het VT4-programma 'Koken met een sterretje'). Dertien jaar geleden bouwde hij in dit Provençaalse dorpje een oude, leegstaande kruidenierswinkel om tot bistro en rijfde er op zijn zesentwintigste al zijn eerste Michelinster binnen. Intussen viel hem een tweede ster in de schoot. Maar Wout is nooit van zijn weg afgeweken. Daardoor heeft zijn restaurant niet die snobby sfeer die daar helaas zo vaak aan vasthangt. Wouts vrouw, Suzy, ontvangt de gasten als waren ze bij haar thuis op bezoek en tekende ook voor het sobere, eigentijdse interieur. Goedkoop is het allemaal niet, maar de keuken is succulent, de helft van het personeel spreekt Nederlands en niet zelden vinden gasten uit verschillende windstreken elkaar voor een babbel op het terras. En voor een bed moeten we alleen de trap op. Gordes is een klassieker van formaat. Het dorpje komt nog het best tot zijn recht via de route vanuit het zuiden, vanwaar men een schitterend uitzicht heeft op de hellingen waarboven het zestiende-eeuwse kasteel torent. Toch sluimerde de plek eeuwen in relatieve onbekendheid en was het pas in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, toen de Franse schilder André Lhote er zich vestigde, dat de renaissance begon. Zelf waren we vele jaren geleden in het stadje te gast bij de Vlaamse schilder Pol Mara en zijn vrouw Maria, die daar toen een prachtige villa bewoonden met het eerste overloopzwembad waar ik ooit in zwom. Pol is inmiddels alweer bijna tien jaar gestorven, maar de gastvrijheid van het koppel staat nog vers in het geheugen en ook het dorp zelf is de Antwerpenaar niet vergeten : in het renaissancekasteel is permanent een rijke collectie van zijn werk te zien. Ook in de herfst strijken toeristen hier neer, maar complete rust vind je op enkele kilometers van het dorp, in de twaalfde-eeuwse abdij van Sénanque die 's zomers omgeven is door lavendelvelden in bloei. Het is een monument van cisterciënzersereniteit, geïnspireerd door de heilige Bernard de Cîteaux. In het Antwerpse Provinciehuis loopt tot 22 maart de expo 'In Memo Mara. Pol Mara 1920-1998', met o.m. werken uit het museum van Gordes. Info : 03 240 64 11.Wie het dorpje Roussillon binnenrijdt, ontdekt een andere wereld, met roodkleurige aarde, door erosie in puntige spitsen uitgesleten. De inwoners spreken van terre d'ocre, de huizen ogen Italiaans, met gevels in geel of terre de Sienne. Ook in de herfst slenteren nog bosjes toeristen rond. Net als die onverwachte drukte een lichte ergernis opwekt, ontdek ik bij toeval het vuilgele huis van Myriam Brose. Zij blijkt een ex-juriste uit het Brusselse te zijn, die het na een drukke carrière wat rustiger aan wilde doen en een goed jaar geleden in het stadje opdook, vastbesloten een ander leven te beginnen als boekhandelaar. Ze heeft niet alleen woord gehouden, ze is stilaan een bezienswaardigheid in het dorp. Over drie etages zijn duizenden boeken uitgestald, van kookboeken in de keuken tot kunstboeken en literatuur op de benedenverdieping. Alleen is er van de voorgenomen rustige aanpak niet veel in huis gekomen : vorig jaar heeft ze zeven dagen op zeven gewerkt, deze winter houdt ze het op vijf dagen. " C'est passionant. Ik heb hier al buitengewone mensen ontmoet, het leven is hier zo verrijkend." De 2 pk mag dan wat lawaaierig zijn, hij beklimt gezwind de hellingen die leiden naar de dorpen die tegen de noordelijke flanken van de Petit Luberon hangen. Daar klopt het leven op het ritme van kleine dingen en gewone lui, maar dan in een verfijnd decor op mensenmaat. Ménerbes, waar Peter Mayle zijn A Year in Provence schreef, is wel héél bijzonder. Hier bevindt zich ook het huis van Dora Maar, fotografe en schilder, model en maîtresse van Picasso. We passeren schitterende gevels en deuren, en eindigen op de Place de l'Horloge, een onooglijk pleintje waarboven het belfort van het stadhuis torent. Aan de zuidkant is een zeventiende-eeuws herenhuis een thuis geworden voor het Maison de la Truffe. Hogerop ligt de Saint-Luckerk met haar verrassend pure vormen : een zestiende-eeuws monument op een verstilde bezinningsplek, waar nog herinneringen leven aan de consuls en bisschoppen die er verzamelden. Enkele kilometers verder duikt in Lacoste al het silhouet op van de ruïnes van het kasteel van de markies de Sade. Maar het mooiste moet nog komen. Via onooglijke kronkelweggetjes bereiken we Sivergues, een verloren dorpje aan het eind van de wereld. Een onverharde weg eindigt 500 meter hoger in Le Castellas, een unieke plek met uitzicht over heuvels en rotsen. Enkele gebouwen, een paar lange houten tafels, met op de achtergrond alleen het geluid van de wind en van de klokjes van de geiten. Baas Gianni stamt uit een Sardijnse familie van herders, maar wilde al vroeg weg uit dat besloten milieu. "Ik was nieuwsgierig, maar tegelijk wilde ik een plek voor mijn geiten." We breken flinterdun herdersbrood ( carta di musica), eten rauwe ham, rode bonen, olijven en brood. En later varkensgebraad. Omgeven door stilte. Zevenentwintig jaar geleden ontdekte Gianni deze plek die niemand wilde. "Er was misschien een halve hectare die geschikt was voor bebouwing. Nu zijn er elf hectaren. Die heb ik met mijn eigen handen vruchtbaar gemaakt. Veel mensen zijn er alleen op uit om te nemen, de aarde leeg te roven. Zelden om te geven. Ik ben trots omdat ik hier het tij heb weten te keren. Ik ben in mijn hart een herder gebleven, maar toen ik hier voor het eerst stond, wist ik meteen dat er meer uit te halen viel. Soms voel ik me een visionair, ik weet dat gronden in de toekomst aan belang zullen winnen, en dat mensen de steden zullen ontvluchten omdat je nu eenmaal van beton niet kunt eten." Gianni maakt niet alleen uitzonderlijke geitenkazen, hij serveert ook authentieke maaltijden, verhuurt kamers, organiseert trouwfeesten in dit ongerepte oord. "Mensen met veel meer geld dan ik, die alles hebben gezien, weten deze plek te vinden en te appreciëren. Uw koning is hier geweest, en met hem de rijken der aarde." Na een verkwikkende nacht ontwaken we in een chique boomhut op het Domaine Valvert in Bonnieux, waar de koffie nog voor het ontbijt in een klein bakje via een katrol naar boven wordt getakeld. De Vlaamse gastvrouw Cathy Herssens streek hier vier seizoenen geleden neer om er een schitterende en luxueuze B&B te runnen, die inmiddels vooral Vlamingen weet aan te trekken. Ze wijst ons de weg naar de hoogste kammen van het Forêt de Cèdres, om er een stevige natuurwandeling te maken met schitterende vergezichten. Daarna zetten we via les combes, de smalle, kronkelende, lichtschuwe doorgang tussen de 'bergen' van de kleine en grote Luberon koers naar de zuidkant van de heuvelketen. Wie de smalle vallei verlaat, ervaart Lourmarin als een verademing. Het stadje heeft een stevige geschiedenis. In de elfde eeuw was het een bloeiend handelscentrum, maar in de veertiende eeuw ontvluchtten de inwoners de stad wegens pest en plunderaars. Een eeuw lang gebeurde er niets, tot een lokale seigneur de vervolgde protestantse Waldenzen (ook Vaudois of Armen van Lyon, zie verder) opriep om er zich te komen vestigen. De bedreigde families bouwden er een nieuw leven op met hard werken en boeren, en brachten de zijdehandel tot bloei. Een tempel die in 1816 werd voltooid, getuigt nog van hun aanwezigheid hier, maar indrukwekkender oogt het kasteel, waarvan het oudste deel uit de vijftiende eeuw stamt. Lourmarin leeft, ook buiten het seizoen. In de hoofdstraat lezen bezoekers hun krant op de terrasjes, de handel bloeit. Literatuurliefhebbers gaan op zoek, even buiten het dorp, naar het kerkhof waar schrijver Albert Camus onder een verweerde steen rust. In Ansouis bezoeken we het kasteel van de hertogen van Sabran-Pontevès, dat sinds meer dan acht eeuwen in handen van dezelfde familie is. Het heeft een prachtige keuken en een verzorgde tuin. Maar ook verder oostwaarts slaapt achter gesloten luiken een rusteloos verleden. In vorige eeuwen was de Luberon dé basis van de voornoemde, wat teruggetrokken levende Waldenzen. Het waren de protestantse volgelingen van Petrus Valdez, een rijke koopman uit Lyon die in 1170 de armoede predikte, de sacramenten evenals de hiërarchie binnen de kerk afwees, en een terugkeer naar het Evangelie voorstond. Ze werden in 1184 geëxcommuniceerd en als ketters vervolgd maar min of meer met rust gelaten. Maar vijf jaar nadat het parlement in 1540 het Arrêt de Mérindol had gestemd, riep parlementsvoorzitter Meynier d'Oppède de koning op om het arrest toe te passen en werd een klopjacht georganiseerd. Tussen 15 en 20 april 1545 werden verschillende dorpen in de Luberon aangepakt. Huizen werden in brand gestoken en geplunderd, zo'n drieduizend Waldenzen kwamen om, zeshonderd anderen belandden in de gevangenis. Op een zijmuur van de kleine eglise réformée van La Motte d'Aygues wordt de geschiedenis van deze protestantse groep in herinnering gebracht. Dankzij het Edict van Nantes (1598) dat het protestantisme erkende, kwamen de Vaudois weer op krachten. 95 van de 100 families die in 1650 in het dorp woonden, waren volgelingen. Maar het Edict werd in 1685 herroepen en de aanhangers stonden voor de keuze : hun geloof afzweren of verdwijnen. Ze doken onder of beleden hun geloof in besloten omstandigheden en konden pas vanaf 1789 met het uitroepen van de godsdienstvrijheid opnieuw hun geloof belijden. Te laat om zich echt te herstellen. In de buurt zijn nog slechts drie gereformeerde kerken te vinden, waar de dominee eens in de maand langskomt voor de mis. In de winter zijn er helemaal geen missen. Door Pierre Darge I Foto's PPI I Portret Gerrit Op de Beeck