Peter Van Dyck
...

Peter Van DyckDe nieuwe cd God Van Nederland kan zijn genen niet verloochenen. Het is het kind van een geestelijke vader die in een waterland woont. Thé Lau: "Alle nummers, behalve dan Waar Mensen Wonen, zijn visueel in mijn buurt gesitueerd: het havenkwartier in Amsterdam. Net als in Antwerpen is de kade lang vergeten gebied geweest. Momenteel bruist het er weer van het leven. Thé Lau: Eigenlijk een soort rap. Het is mijn pièce de résistance. Aan dat liedje heb ik het langst gewerkt. Het was eerst een gedicht van vijf A4'tjes. Ik ben er heel tevreden over. Over heel het album overigens. Ik heb de plaat in Brussel afgewerkt. In Studio Jet, naar verluidt de oudste studio van Europa. Dat is iets wat ik al jaren geleden had moeten doen: met Belgen samenwerken. Toen we de laatste avond naar de definitieve mix luisterden, hoorde ik een zekere magie. Maar de avond erna sloeg de onzekerheid alweer toe. Na het voltooien van een plaat volgt steevast een vervelende periode. Weken van twijfels. Precies op dat moment moet je dan journalisten te woord staan. Het niveau ligt hier gewoon hoger. Ik heb in Nederland al vaak gevechten moeten leveren voor de goede smaak.Toen ik het nummer had geschreven, hoorde ik meteen dat het als duet beter uit de verf zou komen. Aanvankelijk was het plan er een Portugese vertaling van te laten maken en het met fadozangeres Cristina Branco te brengen. Die vertaling wilde echter niet echt vlotten. Het idee was wel aardig, want mijn familie is van Portugese origine. Intussen had ik demo's rondgestuurd. Zonder al te veel verwachtingen, want ik las in de kranten dat het zo slecht ging met de platenindustrie. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik toch van vijf platenfirma's aanbiedingen. Toen ik voor Sony had gekozen, ging ik na welke artiesten er zoal bij die firma zitten. Toen viel de naam K's Choice. Sarah: die moest ik hebben. Eigenlijk had ze weinig zin om in die periode, het was net voor Kerstmis, iets te doen. Ineens flitste door mijn hoofd: dit wordt het eerste met betrekking tot deze plaat dat verkeerd zal lopen. Op oudejaarsavond belde ze me op. Ze wilde het toch wel heel graag doen, maar dan moest het in Atlanta gebeuren. Dus vloog ik naar ginds. Daar ging het bijna alsnog mis. Het sneeuwde er, iets wat eens om de tien jaar voorvalt. Mijn vliegtuig was het laatste dat nog mocht landen. Het is daar een subtropisch klimaat. Sneeuwruimers hebben ze niet. Gelukkig had Sarah een 4x4, zodat we toch nog in de studio geraakten. ( lacht) Daar bleek dat ik een heel amateuristische fout had gemaakt: ik had niet gecheckt of de toonhoogte van het nummer voor haar oké was. "Het is wel een beetje laag", zei ze. Het is toch nog goed gekomen. Ik ben heel trots op het resultaat. Voor deze cd heb ik geen compromissen moeten sluiten. En eerlijk: daar was ik wel eens aan toe. Ik had twee jaar geleden al aangekondigd dat ik een soloalbum zou maken. Juist. We hadden moeilijke jaren doorworsteld met The Scene. Die optredens betekenden een wonderlijke ommekeer. Als we twee jaar voordien op een festival speelden voor een 6000 mensen, dan applaudisseerden er 300. Ineens gingen weer duizenden handen de hoogte in. Een rare gewaarwording. Die verzamelplaat heeft immers commercieel weinig teweeggebracht. En ik had mijn solonummers toen al klaar.Nee. Zo gek veel speelden we niet. Tussen de bedrijven door zat ik in de studio in Amsterdam. Ik kon daar binnen en buiten lopen wanneer ik wilde. Een heel prettige manier van werken. Het kwam erop neer dat we wat ik thuis had opgenomen digitaal moesten omzetten en er hier en daar nog wat instrumenten bijplaatsten. Ik heb zelden langer dan vier uur achter elkaar in die studio gezeten.Dat is bedrieglijk. ( lacht) In feite werk ik al jaren zo. David Bowie was daar lang geleden ook al mee bezig, onder invloed van Philip Glass. Zo ben ik op dat spoor gezet. Dat is ook een beetje de Nederlander in mij. Het krijgt iets Mondriaan-achtigs, als je het in beelden zou vertalen. Ik hou het graag heel strak. Het gekke is dat dat net moeilijk te spelen is. Als een van de muzikanten bij manier van spreken staat te pitten, is het effect meteen weg. Je moet het supergeconcentreerd spelen. Hoe gaat dat: we hadden Blauw gemaakt dat, vooral in Vlaanderen, heel goed ontvangen werd. Bij Open kregen we nog steeds positieve kritieken, maar begonnen we toch al de eerste geluiden op te vangen van: het is meer van hetzelfde. Toen Avenue De La Scene verscheen, kregen we nog meer te horen dat we op zoek moesten naar een nieuw geluid. Dan denk je: misschien hebben ze wel gelijk. Met Arena gingen we daadwerkelijk op zoek naar een nieuwe sound en toen lazen we overal dat de recensenten verlangden naar wat we vroeger deden. ( lacht) Vóór Marlene had ik al een drietal theatertournees achter de rug. Daar wilde ik toch wel iets van meenemen op die plaat. Ik werkte toen met Dante Oei, een toetsenman die klassiek geschoold is. Ik luisterde daardoor plots veel meer naar klassieke muziek. Ik laat me nogal snel meezuigen in zoiets, en dan moet dat ook gebruikt worden. Nu ben ik, zoals je aangaf, terug bij mijn oude werkmethode beland. Al ben ik door die confrontatie met klassiek veel secuurder geworden in het arrangeren. Vroeger kwam ik er pas in de studio achter wat iedereen in een nummer precies deed en moest ik soms nog wat bijschaven om het harmonisch te doen kloppen. Nu pluis ik dat allemaal op voorhand uit. Daarom wil ik ook altijd iemand in de groep die noten kan lezen. Neem nu het refrein van Waar Mensen Wonen: vier jaar geleden hadden daar geheid fouten in gezeten. Een lelijke dissonant of zo. De platenfirma heeft me nooit een strobreed in de weg gelegd. Ik zag wel eens een frons. Bij een nummer als Otto's Imperium bijvoorbeeld. Dan suggereerden ze voorzichtig of het er niet als bonustrack op kon. ( lacht) Kijk, ik hou ervan om iets uit te proberen. Ik durf me op dat vlak wel eens te vergelijken met Elvis Costello. Hij heeft ook zijn uitstapjes: met Burt Bacharach, het Brodsky Quartet, operazangeres Anne Sofie von Otter. Maar het draait altijd wel om zíjn liedjes. Hij experimenteert graag met de vorm. We luisterden op een dag in de auto naar Californication van Red Hot Chili Peppers. Ik zat achter het stuur te kicken. Mijn vrouw merkte op: "Ben je niet vergeten dat je van oorsprong een rocker bent?" Dat heb ik me ter harte genomen. Daar zit een leuk verhaal aan vast. Ik had een heel duidelijk idee van de identiteit van die God van Nederland toen ik het titelnummer schreef. Tijdens onderhandelingen met V2, een van de platenlabels die in de running waren om een deal te sluiten, vroeg de baas me: "Je weet toch waar dat vandaan komt: God van Nederland?" Ik dacht dat ik het zélf bedacht had. Toen bleek het in het verhaal Dichtertje van Nescio voor te komen. "Dat moet je maar eens lezen", zei hij. Meteen na dat gesprek heb ik het boek gekocht waarin dat verhaal stond. Dat leverde een verbijsterende ervaring op. Wat hij met God van Nederland bedoelde, kwam volledig overeen met het beeld dat ik ervan had. Hij beschrijft in zestig pagina's precies dit lied. In het mooiste Nederlands dat ik ooit gelezen heb. Ik weet nu waar Reve zijn stijl vandaan heeft. Mijn hele ziel stond in dat verhaal beschreven. En dan te weten dat het in 1916 is geschreven, bijna honderd jaar geleden. Ik was echt verbouwereerd. Dat verhaal is één groot verzet tegen het calvinisme dat Nederland verstikt. Minder en minder. Het heeft iets tweeslachtigs. In de auto hiernaartoe viel mijn blik op borden langs de weg met boodschappen tegen euthanasie. Op dat vlak ben ik trots op Nederland: dat we heel liberaal zijn in dat soort morele debatten. Waar ik dan helemaal niét trots op ben, is de houding van onze regering tegenover de zaak-Srebrenica. Dat aarzelen: doen we mee of doen we niet mee, is typisch Nederlands. Om dan te besluiten: we doen half mee. Wat je in een krijgssituatie nooit kunt maken. Dus stuurden ze een onderbewapend bataljon. Vervolgens duurt het zes jaar voor het kabinet daarover valt. De kamerdebatten worden nu ook grimmiger. Het Pim Fortuyn-effect. Dan zie je soms de beleefdheid verdwijnen en de arrogantie de kop opsteken. Ik heb mezelf vaak de vraag gesteld waarom ik in België populairder ben. Er moet in mij iets zuidelijks zitten dat botst met vooral de mannelijke bevolking van mijn geboorteland. Ja. Zoals iedereen waarschijnlijk. Ik ben absoluut geen dappere mens. Meestal loop ik weg van conflicten. Al is dat met de jaren veranderd. Toen ik pas in Amsterdam woonde, was ik banger op straat. Ik heb ook wel wat meegemaakt: iemand naast me in een cafetaria die in elkaar zakte met een mes in zijn rug, ik heb ook ooit midden in een schietpartij gezeten. Ik heb het lied Helden gezongen voor de Nederlandse campagne De maatschappij, dat ben jij, die mensen sociaal bewuster wilde maken. De boodschap was: als je op straat iets ziet gebeuren, doé dan iets. Je moet niet passief blijven toekijken. Ik neem wat ik zing serieus, maar toen dacht ik toch: en ik dan? Ik heb het geluk gehad dat er het laatste jaar niets voorgevallen is waarbij ik had moeten ingrijpen. Ik weet ook niet zeker wat ik zou doen als ik in zo'n situatie verzeild zou geraken. Ik heb op mijn dertigste verjaardag besloten dat het afgelopen moest zijn om dat verleden als last te dragen. Hoe meer je met mensen praat, hoe meer je erachter komt dat iedereen lijken in de kast heeft.Ik ga niet slaan als ik gedronken heb, zoals mijn vader destijds. Ik word nooit agressief. Ik deed ooit een weddenschap met iemand om een maand niet te drinken. Dat ging prima. Ik had meer energie, maar vond het leven ook wat saaier. Toen kwam het eerste optreden in die maand. In een theater, waar je toch meer geconcentreerd en geïnspireerd moet zijn dan op een rockpodium. Tijdens de pauze kwam de technicus de kleedkamer binnen. "In godsnaam, wat is er met je aan de hand?" vroeg hij. Ik wist het niet, ik had de indruk dat alles goed liep. Toen zag hij het glas water op de tafel. "Doe me een lol en drink twee glazen wijn, anders wordt dit optreden een drama." Dat deed ik. Na afloop vroeg ik of het nu beter was. "Het was een pak van mijn hart" , zei hij . Ik ben niet zo dol op psychologiseren, maar wat ik als verklaring zie: als je twee glazen wijn voor een optreden drinkt, vraag je je, als je het podium op wandelt, in een impuls af: had ik dat nu wel moeten doen? Op dát moment sta je scherp. Toen ik enkel water dronk, nam ik een houding aan van: mij kan niets overkomen. Daarom dat ik, tijdens het eerste gedeelte, aan dingen moest denken als: heb ik mijn belastingaangifte wel gepost en waar heb ik mijn auto nu weer geparkeerd? Zoiets is dus dodelijk. Het is wél zo dat ik nooit sterke drank aanraak. Dát maakt het duiveltje in je wakker. Zo was het ook met mijn vader: als hij aan de jenever zat, ging het fout. Ik hou het bij bier en wijn. En nu ga je vragen of het autobiografisch is, niet? ( lacht) Dat is het. Ik heb een jaartje cocaïne gebruikt. Coke is een wondermiddel. Het geeft je het gevoel onoverwinnelijk te zijn. Wat iemand je ook zegt, je hebt altijd een raak antwoord klaar. Wat in het Amsterdamse sociale leven, met zijn harde humor, een voordeel is. Ik had zo'n dealer die met zijn gsm rondloopt. Ik hoefde enkel het nummer in te toetsen en dan stond hij een half uur later op de stoep. Tot ik een keer het nummer intikte en hij zei: "Sorry, ik ben ermee gekapt." Hij had een vriendinnetje gekregen dat hem had aangemaand een baan te zoeken, want ze wou geen man die daarvan leefde. Ik zei: "Gefeliciteerd en bij deze is het ook voor mij afgelopen." Van die beslissing heb ik absoluut geen spijt. Cocaïne bezorgt je een kil gevoel.De band kon dat eenvoudigweg niet, akoestisch spelen. Ik had daar persoonlijk geen problemen mee, maar als we met de groep niet versterkt speelden, was dat altijd zonder overgave. We traden met The Scene ook wel eens in theaters op, maar dat voelde nooit lekker. Als Jan Douwe het me vandaag zou vragen, weet ik nog altijd niet of ik erop inga. Na zo'n serie theaterconcerten ben je uitgekeken op die stilte. Ik heb nu een nieuwe liveband samengesteld. Er spelen twee jonge kerels uit Rotterdam in. Bij de eerste repetitie zette ik mijn versterker open. Ik zag ze schrikken van het volume. Ze grijnsden. Ze hadden kennelijk verwacht: dat is een al wat oudere man, we zullen moet dimmen. ( lacht) Voor mij is het alles of niets. Als ik met een drummer en een bassist speel, kan het nooit zacht zijn. Ik weet het niet. Ik leef van dag tot dag. The Scene speelt nu een jaar niet. Het was trouwens nodig om eens tot inkeer te komen. We hebben veertien jaar gezwoegd en zoiets blijft uiteraard niet vrij van spanningen. Het is beter het nu een jaar te laten bezinken. Ik heb hen overigens dit project aangeboden. Ze reageerden: "Ja maar, dat wordt een theater-cd." Toen daar discussie over ontstond, heb ik besloten het alleen af te maken. Daar is onenigheid over geweest, ja. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Op Marlene heb ik me ingehouden. Iets als Otto's Imperium ging voor hen waarschijnlijk te ver. Dat mezelf intomen, heeft niet zo'n goed gevoel achtergelaten. Als ik de honderd meter in tien seconden kan lopen, waarom zou ik er dan veertien seconden over doen? Ze argumenteerden dat die tekstuele aanpak niet bij een rocksong paste. Ik had de reflex: als er bij hen twijfel bestaat, moeten we er als groep niet aan beginnen. Je kunt je geen twijfel permitteren. Luister naar Californication van Red Hot Chili Peppers: daar hoor je een unanieme geïnspireerde inspanning. Van de eerste maat hoor je: die band staat scherp. Op de goede nummers op de recentste U2-cd All That You Can't Leave Behind, die teruggaan naar hun oude geluid, hoor je dat ook. Vanwege het succes. Op enkele nummers van All That You Can't Leave Behind merk je ook de onzekerheid. Zelfs bij dat soort grote groepen zie ik daar dwars doorheen. Hun vorige plaat was een heel weird experimenteel project, je kunt ze wat dat betreft naast The Scene leggen. Ze stoeiden daarop met danceritmes. Maar rock en dance hebben altijd al gebotst. Ook op sociaal vlak. Toen ik op de middelbare school zat, stonden blues en soul ook al lijnrecht tegenover elkaar. Dat was niet te combineren. Het is alsof je een man in een vrouw zou willen stoppen. De eerste twee tracks van die nieuwe U2-plaat zijn behoorlijk zwaar geproduceerd. Dat leert mij toch dat U2 angst had. De schrik: misschien is dit het einde van de band. Maar toen kwam de opluchting, want ze scoorden twee grote hits: Beautiful Day en Elevation. Ik heb hun optreden in Boston gezien en inderdaad: dat was een herboren groep. Als zoiets The Scene nog zou kunnen overkomen: graag. Voorwaarde is dat we heel lang en heel hard aan een plaat kunnen werken. Vroeger was iedereen in de band vrijgezel. Nu hebben we alle vijf een gezin. Ik kan me voorstellen dat je je dat niet kon voorstellen. ( lacht) Nadien is er nog een plaat gekomen: This Is Real. Als je die hoorde, zou je het je nóg moeilijker kunnen voorstellen. Ten tijde van het debuut waren we een trio. Dat was de era van de new wave, een stroming die belangrijk voor me was. Voordien was ik into bluesrock. Die eersteling was dus een poging tot een new-waveplaat. Pas daarna kwam ik op het minimalistische spoor van weinig akkoorden. Een sleutelmoment was toen ik op Torhout-Werchter naar al die bands stond te kijken en me afvroeg wat aan mijn groep ontbrak om ook daar te kunnen spelen. In een flits realiseerde ik me dat het power was. Dus ging ik na hoe dat kwam. Het lag onder andere aan de composities. Te veel gepiel. De lichte nummers moesten er meteen uit. Dat waren toevallig de Engelstalige songs. Die eerste teksten in het Nederlands, dat was schrapen en krassen. Als ik al eens een goede tekst had, werd het ingegeven door iets wat waar gebeurd was. De aanleiding van Rij Rij Rij was bijvoorbeeld de dood van een vriend. Ik heb het mezelf niet makkelijk gemaakt, hoor. Ik kwam in '74 in Amsterdam. Dat mijn groep The Scene heet, is eigenlijk tamelijk ironisch. Ik wilde namelijk nooit tot een scene behoren. Ik wilde mijn eigen weg zoeken. Samen met De Dijk ben ik even de richting van de rhythm & blues uitgegaan, maar dat heb ik snel in een impuls van me afgezet. Ik wilde niet de zoveelste blanke zijn die leentjebuur speelt bij de Amerikaanse muziek van de zwarten die nooit een cent hebben gezien voor hun inspanningen. Dat is gelukkig intussen veranderd. Hiphopproducer Dr. Dre rijdt vast in een leuke auto. Ik hoorde enkele jaren geleden nog iedereen kankeren dat er niets nieuws onder de zon was. Dat klopt niet, maar de grootste innovaties komen toch weer uit de zwarte hoek. Ik vind het fascinerend. Ik liep rond in Atlanta, waar tachtig procent van de bevolking zwart is, en begreep weer veel meer van wat soul is. Achter de goede rappers en r&b-artiesten zit een bepaalde attitude. Dat is iets heel aristocratisch. Dat zie je ook aan hun houding op straat. Die is helemaal anders dan die van de Surinamers in Nederland. In de Surinaamse gemeenschap wordt ook muziek gemaakt, maar dat blijft intern. Dat breekt er zelden uit. Terwijl die Amerikaanse hiphoppers wereldwijd bekend zijn. Het is echter toch frappant dat de beroemdste van allemaal weer een blanke is: Eminem. Die vind ik overigens erg goed. Daar kwam mijn zoon mee af. Een illegale kopie die hij gedownload had van Napster. Dus heb ik hem een draai om zijn oren gegeven en vervolgens de schijf in de cd-speler gestoken. (lacht)Je kan het ook slecht treffen. Dance en house bijvoorbeeld, daar kan ik niet naar luisteren. Dat trapt me op mijn ritmische ziel. Ik begrijp er niets van. Ik wíl het ook niet begrijpen. De r&b van Mary J. Blige boeit me veel meer. En al die power girls. Ik mocht op een radioprogramma zelf plaatjes kiezen. Daar zat Pink tussen. De presentator, een serieuze mens, kon niet volgen. Ik zei hem: "Dat is gewoon een lekkere meid. Een rebel van het soort dat twintig jaar geleden ondenkbaar was." 'De God Van Nederland' van Thé Lau komt op 13 mei uit bij Double T/Sony Music."Als ik twee glazen wijn voor een optreden drink, sta ik scherp. Met enkel water moest ik aan dingen denken als: heb ik mijn belastingaangifte wel gepost?" "Ik stel mezelf vaak de vraag waarom ik in België populairder ben. Er moet in mij iets zuidelijks zitten dat botst met de mannelijke bevolking van mijn geboorteland."