Tervuren ligt niet alleen te midden van fraaie natuur, het geniet ook van de koelte van het Zoniënwoud en van de oevers van de Voer en de Maalbeek. Bovendien mag het al meer dan acht eeuwen op een vorstelijke interesse rekenen. De Brabantse hertog Hendrik I liet aan het einde van de twaalfde eeuw al een versterking bouwen aan de samenloop van Voer en Maalbeek en sinds die tijd is Ter Vure (wat staat voor aan de Voer) nooit meer uit de gedachten van gekroonde en minder gekroonde hoofden geweest. Met als laatste prins Laurent, die aan de Jezus-Eiklaan zijn dagen doorbrengt.
...

Tervuren ligt niet alleen te midden van fraaie natuur, het geniet ook van de koelte van het Zoniënwoud en van de oevers van de Voer en de Maalbeek. Bovendien mag het al meer dan acht eeuwen op een vorstelijke interesse rekenen. De Brabantse hertog Hendrik I liet aan het einde van de twaalfde eeuw al een versterking bouwen aan de samenloop van Voer en Maalbeek en sinds die tijd is Ter Vure (wat staat voor aan de Voer) nooit meer uit de gedachten van gekroonde en minder gekroonde hoofden geweest. Met als laatste prins Laurent, die aan de Jezus-Eiklaan zijn dagen doorbrengt. Die belangstelling bleef niet zonder gevolgen : her en der werden mooie residenties opgetrokken, zonder daarbij evenwel het omliggende groen te verdringen. Het eindresultaat oogt als een zeer gezonde parkgemeente waar gigantische oases van groen afwisselen met merkwaardige gebouwen, sommige op mensenmaat, andere zeer monumentaal. Wie er komt, kan niet om de geschiedenis heen, noch om het Zoniënwoud, een overblijfsel van het oorspronkelijke Kolenwoud, sinds de twaalfde eeuw eigendom van de hertogen van Brabant en toentertijd 12.000 hectare groot. Voortdurende kap deed het woud serieus krimpen, maar uiteindelijk zijn toch ruim 4000 hectare overeind gebleven, grotendeels met beuken beplant en gespreid over drie gewesten. Om wat meer variëteit in de aanplantingen te brengen werd vanaf 1902, op vraag van koning Leopold II, het Geografisch Arboretum aangelegd, waar men liefst 460 houtsoorten vindt. De bomen werden er gegroepeerd volgens hun afkomst en niet per familie, zodat men er de verschillende werelddelen in herkent. Van het wild dat destijds zoveel adellijk volk naar het woud lokte, is maar weinig overgebleven, maar vogels zijn er in overvloed. Bovendien ontspringen in het woud ook nog verscheidene bronnen en rivieren, en zijn er nog vele sporen te vinden van het jachtleven van weleer. Het meest opvallende is de Warande, ook het Park van Tervuren genoemd, waarvan de naam verwijst naar de functie ervan : bewaarplaats. In dit geval gaat het om het bewaren van het wild dat in een ommuurd gedeelte van het woud werd samengehouden in afwachting van de grote jachtpartijen. Aanvankelijk ging het om een houten schutting, later om een stenen omwalling. Die dateert nog uit de tijd van Albrecht en Isabella, grote delen ervan zijn bewaard gebleven. Het oorspronkelijke dambordplan werd door Karel van Lorreinen veranderd in een stervormig geheel waarin de lanen samenkwamen in de Zevenster . Terwijl de mannen het wild achterna zaten, werden de dames over de lanen gevoerd zodat ze wat van de jachttaferelen konden opvangen. Aan het eind van de jacht spraken beide partijen af bij het paviljoentje dat aan de Zevenster werd opgetrokken. Centrum van de jacht was het hertogelijke kasteel dat sinds de twaalfde eeuw tot een residentie was omgevormd en waarvan de gotische zaal op zeker moment de grootste van Europa was. Aartshertog Albrecht en Isabella renoveerden het kasteel, lieten er de Sint-Hubertuskapel bouwen en iets verderop in het Zoniënwoud het kapucijnenklooster waar Isabella na de dood van haar man vaak verbleef. Van dat kasteel blijft zo goed als niets over : Jozef II liet het afbreken, alleen de Sint-Hubertuskapel staat er nog. En toen in 1879 ook het paviljoen afbrandde dat Leopold II aan zijn zuster Charlotte had geleend, leek de vorstelijke belangstelling voorbij. De Wereldtentoonstelling van 1897 en de wat megalomane plannen van Leopold II zorgden echter voor een plotselinge ommekeer. De koning zag in de expositie een goede gelegenheid om de Kongostaat voor te stellen en vond in Tervuren de ideale plek om dat met enige zwier te realiseren. Waar het afgebrande paviljoen stond, liet hij het Koloniënpaleis bouwen en toen dat te klein bleek, volgde in 1904 het KoloniaalMuseum. Het hele project groeide uiteindelijk uit tot een kolossale onderneming, waarbij ook de aanleg van de Tervurenlaan hoorde. Die laan met haar genereuze afmetingen werd immers de as die de Wereldtentoonstelling in Brussel verbond met de koloniale tegenhanger ervan. Terzelfder tijd werd ook een tramverbinding aangelegd en met die ingrepen kreeg Tervuren zijn huidige vorm. Dat Koloniaal Museum heet intussen het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Het is een imposant geheel dat door de Franse architect Charles Louis Girault werd gebouwd en duidelijk geïnspireerd werd door het Parijse Petit Palais. Het verrast door zijn omvang, maar ook door een zekere elegantie en oogt meer als een paleis dan als een museum. De vier vleugels komen samen in een centrale rotonde waarop een indrukwekkende koepel rust. De voorzijde kijkt uit op de al even indrukwekkende Franse Tuinen die ter gelegenheid van de Kongotentoonstelling in de Warande werden aangelegd door de Franse architect Elie Lainé. Niet meteen zichtbaar is het gebruik van metaal als onderdeel van de constructie, een moderne toepassing in een klassiek bouwwerk. Binnenin ligt een etnografische verzameling van een buitengewone verscheidenheid, over wel twintig zalen gespreid. Zowel beelden, muziekinstrumenten, maskers, siervoorwerpen als opgezette dieren getuigen er van de bijzondere rijkdom van het zwarte continent, maar er zijn ook zalen over de prehistorische periode, over de grondstoffen en de gebruiken. Minder bekend is het Stanley-archief dat in het Stanley-paviljoen werd ondergebracht, maar niet te bezoeken is. De koninklijke voorbeelden konden niet zonder navolging blijven. Leopold II had niet alleen de belangstelling voor Kongo weten op te wekken, ook Tervuren deelde in de eer. Rijke families die de drukte van de hoofdstad wilden ontvluchten, vonden er een ongerept groene omgeving, makkelijk bereikbaar met de nieuwe trein- en tramlijnen. Tussen de Tervurenlaan, de Albertlaan en de Hertogenweg ontstond al aan het einde van de negentiende eeuw een wijk waarin cottages en landhuizen van diverse pluimage werden gebouwd. Daarbij werd echter nadrukkelijk afgezien van protserig vertoon en kreeg een zekere gezelligheid de bovenhand. Een van de eerste huizen was de cottage Les Pâquerettes (Hertogenweg 3) uit 1895, die opvalt door zijn eenvoud. De meeste van de huizen werden gebouwd in een landelijke, Engels aandoende architectuur. Toch valt er geen absolute eenvormigheid te herkennen en durven de woningen in die buurt ook grondig van mekaar te verschillen en dat maakt ze zo interessant. Wie een wandeling door de buurt maakt, wordt met een zeker eclecticisme geconfronteerd, een combinatie van veel stijlen die in de hand werd gewerkt door het gebruik van nieuwe materialen en bouwtechnieken. Tijdens het interbellum worden heel wat geometrisch geïnspireerde art-deco-elementen geïntroduceerd, maar dan verwerkt in de cottagestijl. Voorbeelden van de art- deco-invloeden zien we in de villa's Julien en Mathilde (Hertogenweg 16 en 18) of in het huis aan de Henri Van de Veldelaan 3 (Henry heet op de straatnaamborden Henri). In de tuin naast het huis Bon Coin (Albertlaan 6) kan men een blik opvangen van de evoluerende tuinarchitectuur, de Franse traditie met symmetrische hagen en gazons moest stilaan wijken voor de Engelse aanpak. Die kenmerkt zich door een natuurlijker landschapsstijl, met bochtige paden, wisselende gezichten, natuurlijk uitziende oevers en onregelmatige bloemenperken. En soms is de tuin zo belangrijk, dat de hoofdtoegang er ligt, zoals bij de Cottage Carusi, in de Henri Van de Veldelaan. Het absolute hoogtepunt van de wijk wordt evenwel gevormd door La Nouvelle Maison, het huis dat Henry Van de Velde in 1927 voor zichzelf liet optrekken en waarin zijn nieuwe inzichten in de praktijk werden gebracht. n Pierre Darge / Foto's Michel VaerewijckTerwijl de mannen het wild achterna zaten, werden de dames over de lanen gevoerd zodat ze wat van de jachttaferelen konden opvangen.De Franse symmetrie moest stilaan wijken voor Engelse tuinaanleg : bochtige paden, natuurlijk ogende oevers en grillige bloemenperken.