Een groter contrast dan tussen Montevideo en de hedonistische badplaats Punta del Este met zijn plezierhaven vol poepsjieke zeil- en motorboten, kan men zich nauwelijks voorstellen. Montevideo is een woord dat doet denken aan cruises uit vervlogen tijden, een aanlegplaats tussen Rio de Janeiro en Buenos Aires, een label op een oude leren reiskoffer.
...

Een groter contrast dan tussen Montevideo en de hedonistische badplaats Punta del Este met zijn plezierhaven vol poepsjieke zeil- en motorboten, kan men zich nauwelijks voorstellen. Montevideo is een woord dat doet denken aan cruises uit vervlogen tijden, een aanlegplaats tussen Rio de Janeiro en Buenos Aires, een label op een oude leren reiskoffer. Jorge Luis Borges vatte het mooi samen in zijn gedicht Montevideo: "Jij bent het Buenos Aires van weleer, dat in de loop der jaren is weggeglipt. Je bent van ons en je hebt iets feestelijks, zoals een ster die door het water wordt weerspiegeld. Trompe-l'oeil van de tijd, het portret van een zoet verleden nog zichtbaar in jouw straatbeeld." Ook de schrijfster Cristina Peri Rossi werd door nostalgie overmand en ervoer Montevideo als "een droevige stad waar de tijd geen vat op heeft, als een oneindige droom die zich almaar herhaalt". Wie vanuit Buenos Aires, met zijn jachtige drukte en wolkenkrabbers, de boot neemt naar Montevideo voelt meteen wat terugkeren in de tijd betekent. Het eerste dat hij ziet vanaf de Río de la Plata, is de heuvel die uit de vlakte oprijst. Volgens de legende kreeg een Galicische zeevaarder hem voor het eerst in het oog, "Monte vi eu" riep hij (ik zag een heuvel) en daarvan zou de naam Montevideo afkomstig zijn. De stad bevindt zich op een soort kaap tussen de Río de la Plata en de baai landinwaarts, waardoor een perfect natuurlijke haven ontstond die vroeger ook nog beveiligd werd door vestingen aan beide zijden van de inham. De geschiedenis van de stad begon met een territoriumgeschil. De Spanjaarden stichtten Montevideo in 1726 als vesting tegen de Portugezen, die het meer westelijk gelegen Colonia de Sacramento in handen hadden. Het duurde vijftig jaar voor Spanje de stad helemaal onder controle kreeg. De enige overblijvende vesting is El Cerro, op de westelijke oever van de baai. Bovenop de door de zee gebleekte ruïne staat een slanke vuurtoren uit 1804, de oudste in het land. Dat is een leuke plek om aan het einde van een warme dag wat rond te slenteren. Binnen de dikke muren is een militair museum ondergebracht. De plaatselijke bevolking komt er graag een glaasje maté drinken, want op het terras met uitzicht op de baai waait altijd een briesje. Het panorama overschouwt aan de ene kant de haven en de stad en aan de andere kant de weidse vlakte: de twee kanten van Uruguay. Beneden aan de voet van de heuvel rijden jongens te paard, zonder zadel, rond de vuilnisbelten van de stad. Wie per boot aankomt, kan zich ook een idee vormen van de grote, machtige haven. Kleine sleepboten manoeuvreren er tussen de grijze zeeschepen, massieve containerschepen, tientallen baggerboten en roestige wrakken. In de kranten kun je de dagelijkse in- en uitvaarten als het ware op de voet volgen. Voor Uruguay is het havennieuws bijna even belangrijk als de prijs van landbouwproducten. Misschien zie je het gigantische anker van de Graf Spey, het laatste overblijfsel van het schip dat in de Tweede Wereldoorlog net buiten de haven tot zinken gebracht werd. De Mercado del Puerto, in de onmiddellijke buurt, is een permanente hoogmis aan het bruisende leven. De overdekte negentiende-eeuwse markt, een gerestaureerd gebouw van glas en staal in de Calle Piedras, bulkt van de restaurants en voedselkraampjes. Vegetariërs raad ik aan uit Uruguay weg te blijven: dit is een land van échte vleeseters. Op reuzengrote roosters, waaronder permanent een houtskoolvuur smeult, liggen ribstukken en steaks te braden en staan sausen te pruttelen. De hele ruimte wordt gevuld met een warme gloed en met allerlei verlokkelijke geuren. Rond de middag wordt het er chaotisch. Kantoorbedienden, studenten, dokwerkers en toeristen willen allemaal tegelijk lunchen. Koopjesjagers vinden ook hun gading in een paar winkels waar lederwaren, halfedelstenen en souvenirs verkocht worden. 's Zaterdags is er een openluchtmarkt. Proef eens een medio y medio, een mengeling van witte wijn en schuimwijn, in Café Roldos, sinds 1886 the place to be. 's Nachts gaat de markt dicht en kun je er maar beter wegblijven, na zonsondergang wordt de buurt bepaald onguur. De Calle Piedras leidt meteen naar het centrum van de Ciudad Vieja (oude stad), de punt van het schiereiland met uitzicht op de haven. Het netwerk van smalle straatjes en groene pleintjes is zo klein, dat je er gewoon te voet door kunt lopen. Waar ook ter wereld zou zo'n stadskern afgestemd zijn op het toerisme, niet zo in Montevideo. Het ziet er nogal sjofel uit op enkele uitzonderingen na: een idyllisch pleintje hier, een mooi gebouw of een interessante winkel daar. Zoals alle steden met een koloniaal verleden refereert Montevideo voortdurend aan Europa. De lokale rijken verlangden naar de levensstijl van het oude continent en lieten door Europese architecten huizen optrekken die ook in Parijs niet zouden misstaan. Een charmant voorbeeld is het Palacio Taranco, nu het Museo de Artes Decorativas, op de Plaza Zabala, met een typisch interieur in de Franse stijl van de vorige eeuwwisseling. Het werd in 1908 gebouwd door een Franse ondernemer in opdracht van de gebroeders Ortiz de Taranco. Men wandelt door een opeenvolging van kamers: de eetkamer, de zitkamer, de muziekkamer - allemaal met vensterdeuren die uitgeven op een loggia en een zeer verzorgde tuin. Meer naar het oosten beland je op de Plaza de la Constitución. Dit is het aantrekkelijkste plein van de Ciudad Vieja. Op zondagochtend gaat het er tijdens de antiekmarkt heel levendig aan toe. Ten westen ervan bevindt zich de kathedraal of Iglesia Matriz, gebouwd tussen 1790 en 1804, het oudste openbare gebouw van Montevideo. Aan de overkant staat het Cabildo, het stadhuis uit 1812. Dat is de moeite waard, alleen al voor zijn schitterende tuin en het decoratieve smeedwerk. In het historisch museum dat er is gehuisvest, kan men een schaalmodel zien van de oorspronkelijke citadel rond het schiereiland. De Plaza de la Constitución staat in verbinding met het belangrijkste plein van de stad: de Plaza de la Independencia. Bij zonsondergang krijgen de kasseien van de Peatonal Sarandi (voetgangersstraat) de kleur van goud. En goud was natuurlijk dé reden waarom de Spanjaarden naar hier kwamen. Ze troffen echter geen goud, maar wel halfedelstenen zoals amethist en agaat. En die vind je nu nog in Amatistas Uruguayas, de zaak van Benito Sitaya (Peatonal Sarandi 604). Na de kleinschaligheid van de Ciudad Vieja is het even schrikken als je op de Plaza de la Independencia aankomt. Dat is het grootste plein van Montevideo en tegelijk een gigantische verkeersrotonde. Aan drie van de vier zijden staan zuilenrijen en het plein is een populair trefpunt met veel openluchtcafeetjes, krantenkiosken en schoenpoetsers die werken in de schaduw van de grote palmbomen. Het plein bevindt zich tussen de oude en de nieuwe stad en etaleert de geschiedenis van Uruguay in een notendop. Ten westen bevindt zich de oude toegangspoort van de citadel, ooit een gigantische versterkte burcht, nu het symbool van de vroege geschiedenis van de stad. In het midden van het plein staat het ruiterstandbeeld van Artigas. In een zwartmarmeren ondergronds mausoleum rust de gouden urne met de as van deze nationale held. In de 19de eeuw, toen de Argentijnse revolutionairen hun land onafhankelijk verklaarden, bleef het stadsbestuur van Montevideo trouw aan de Spaanse kroon. Uit de wisselende veldslagen en allianties tussen Spanjaarden, Portugezen, Argentijnen en Uruguayanen verrees de patriottische figuur José Gervasio Artigas, die vocht voor onafhankelijkheid van zowel Brazilië als Argentinië. Dat lukte uiteindelijk in 1828. Aan de zuidkant van het plein staat het achttiende-eeuwse Palacio Estévez, gekneld tussen moderne gebouwen, en net daarnaast het Teatro Solis. Beide neoklassieke gebouwen herinneren aan de gracieuze tijden. Theaterbezoekers houden de sfeer erin door te dineren in het restaurant Del Aquila (Avenida Buenos Aires 694). Op de zuidoostelijke hoek van de Plaza de la Independencia domineert Palacio Salvo het hele plein. Het heeft een toren met een koepeldak. In de jaren 1920 was José Salvo de rijkste man van Uruguay. Toen hij vernam dat een welgestelde Italiaan, Luisi Barolo, de Italiaanse architect Mario Palanti had ingehuurd om in Buenos Aires een wolkenkrabber te bouwen (die de naam van de eigenaar zou dragen), vroeg Salvo aan Palanti om hetzelfde te doen voor hem. Palanti pleegde zelfmoord (het is niet duidelijk of de architectuur of een maîtresse hem zover dreef), maar de twee befaamde gebouwen staan er nog altijd, als twee bakens, elk aan zijn kant van de Río de la Plata. Ter hoogte van het Palacio Salvo begint ook de belangrijkste straat van Montevideo: de Avenida 18 de Julio. Die loopt oostwaarts en verbindt een aantal leuke pleintjes met elkaar. Op die laan heerst permanent een vrolijke drukte, hoewel het te merken is dat de hele buurt betere tijden heeft gehad. De schitterende gebouwen van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zijn in erbarmelijke staat. Koepeltjes, siertorentjes, versierde balkons en de deuren met houtsnijwerk geven een idee hoe het vroeger is geweest. In de Avenida bevinden zich ook enkele musea, inclusief het Museo del Gaucho y de la Moneda (met wapens en siervoorwerpen die gebruikt werden door de Uruguayaanse gaucho's). Ik vind het leuker naar de mensen te kijken die langswandelen. Een ideale uitkijk op de stad biedt de mirador (uitkijktoren) van het Palacio Municipio, in Calle Soriano, tussen Calle Ejido en Calle Santiago de Chile. De Avenida 18 de Julio, met een mix van Spaanse, Franse en Italiaanse neoklassieke architectuur, art nouveau en art deco, lijkt zo uit Europa overgevlogen. Plaatselijke ambachtslui zie je aan het werk in de Mercado de los Artesanos op de Plaza Cagancha. Een absolute must op zondagochtend is de Feria de Tristan Narvaja, een straatmarkt in de Calle Tristan Narvaja. Op de zondagmarkt word je gewaar hoe dicht je bij de pampa en bij het Zuid-Amerikaanse platteland bent. Tussen de plaatselijke handelaars en een hele rist antiekwinkeltjes lopen exotisch uitgedoste Peruvianen die panfluit spelen of zelfgemaakte spullen en muziekinstrumenten verkopen. Tussen huisgerief, ondergoed, muziekinstrumenten, huisdieren in barokke kooien en allerlei prullaria kun je ook poncho's en lederwaren kopen of gesofisticeerde uitrusting om maté te maken en te drinken. Maté past perfect bij iedereen die paardrijdt of een Ford pick-up bestuurt. Geen Uruguayaan die het huis verlaat zonder zijn thermos heet water, een gedecoreerde drinkfles en een zilveren drinkpijpje, om dat ietwat vreemde plantenaftreksel te kunnen drinken. De traditie is door de gaucho's afgekeken van de inboorlingen, de Guarani-indianen. Voor wie er niet vertrouwd mee is: maté doet denken aan vloeibare tabak en stilt de honger. De eerste migranten hebben vroegere ambachtstechnieken aangepast aan nieuwe materialen: wol, zilver, koehoorn (guampa), leder, been, pompoen en natuurlijke vezels. Wie op zoek is naar het betere handwerk, moet uitkijken naar een vestiging van Manos de Uruguay, een non-profitorganisatie die meer dan dertig jaar geleden opgericht werd om over het hele land werk te verschaffen aan 1000 handarbeiders (meestal vrouwen). Men verkoopt niet alleen truien en tapijtjes, kussens en wandversieringen, maar ook ceramiek, leren en hoornen voorwerpen, zoals servetringen of lepels. De beste winkel vind je in Calle de la Reconquista 587. Wie van architectuur houdt, brengt een bezoek aan het gigantische Palacio Legislativo, aan het einde van de Avenida Libertador Lavalleja (nog een held uit de onafhankelijkheidsstrijd). Uruguay is trots op zijn democratie en dat paleis, ontworpen door verscheidene architecten (tussen 1908 en 1925), is werkelijk overdadig. De uiteindelijke structuur en decoratie zijn van de hand van de Italiaanse architect Cayetano Moretti. Hij gebruikte plaatselijke materialen, waaronder luxueus marmer, graniet en harde houtsoorten. Als het Palacio Legislativo de staat symboliseert, dan vertegenwoordigt de Calle Emilio Reus, in een armere buurt verder naar het noordoosten, het volk. Barrio Reo, zo wordt de buurt ook wel genoemd, werd door leerling-architecten opgesmukt in opzichtige kleuren. Er heerst een gemoedelijke sfeer en er is een levendige vroegmarkt. Op bijna elke straathoek zijn er winkels, die elkaar de loef proberen af te steken met reclameborden en speciale aanbiedingen. De buurt is een smeltkroes van nationaliteiten. De kleurenrijkdom verhult enigszins de armoede. Oude mannen zitten op versleten stoelen, jonge moeders slenteren voorbij met te veel jengelende kinderen aan hun rokken, de jongeren banjeren langs de straat en schoppen tegen een bal of prutsen aan de motor van een oude Amerikaanse slee waarmee ze later op de stadsboulevards gaan toeren. Het kapsalon van Esther heeft een opvallende paarse voorgevel. Uit de kruidenierswinkel La Negrita klinkt oorverdovende muziek uit het Midden-Oosten. Naast de Italiaans-Amerikaanse kappersschool vind je garages en fietsenmakers. Gevels in art deco - ooit een symbool van hoop - zitten verscholen achter schreeuwlelijke reclameborden. Overal waaieren flarden tango en zwarte candomblé-muziek (een overblijfsel van de slavernij uit de koloniale tijden). Tango associeert men met Buenos Aires, maar de band met Uruguay is op zijn minst even sterk. De mythische tangozanger Carlos Gardel ligt dan wel begraven in Buenos Aires, maar hij werd geboren in Montevideo. Een van de beroemdste tango's, La Cumparsita, werd hier gecomponeerd in 1917 door de Uruguayaan Gerardo Matos Rodriguez. Wie niet van plan is naar Buenos Aires te gaan, kan een tangoshow bijwonen bij Mil Aos (Calle Zelmar Michelini 1054). Na de werkdag en tijdens het weekend trekken de mensen naar de parken en de stranden van de stad, zoals Playa de los Pocitos. Maar de meesten kunnen zich een bezoek aan Uruguay niet voorstellen zonder een ommetje langs het strand van Punta del Este. Schrijver en historicus Horacio Vazquez Rial beweert dat Buenos Aires en Montevideo "twee kernen [zijn] van eenzelfde cel, maar uit een verschillend tijdperk, van elkaar gescheiden maar ook samengehouden door de Río de la Plata". Dat kun je net zo goed beweren van Buenos Aires en Punta del Este, de trendy badplaats, 139 kilometer ten oosten van Montevideo. Van december tot maart zitten de chique hotels, villa's en jachten vol met beau monde uit beide landen. De namen die de residentiële wijken kregen, spreken boekdelen: Beverly Hills, Miami Park en Esteril. Zoals de naam doet vermoeden, ligt Punta del Este (inclusief de vuurtoren) op een schiereiland aan de oostkant van de monding van de Río de la Plata. Er zijn aan weerszijden stranden, Playa Brava voor 's ochtends en Playa Mansa voor 's middags en voor de zonsondergang, plus een leuk, afgeschermd eilandje, Isla Gorriti, perfect voor een lunch aan boord van je jacht, maar je kunt er ook als voetganger per ferry heen. Naast de grote hotels zoals het Conrad zijn er ook enkele kleinere hotels zoals het verfijnde, met antieke meubelen ingerichte L'Auberge, vlak naast het golfterrein, en Casa Pueblo op Punta Ballena. Ten oosten van de stad bevinden zich kleinere centra, zoals La Paloma met goedkopere hotels en vakantiehuurwoningen, motels en campings. Sommigen komen hier voor het sociale leven, maar de meesten toch om te rusten. Punta del Este is dan wel overbevolkt, maar een paar kilometer oostwaarts lig je alleen op een stuk strand. Wie het zich kan veroorloven, betrekt een van de kleurige huizen van La Barra, een uitgestrekte verkaveling langs een schitterend zandstrand. Windsurfers treffen elkaar in San José Ignacio, waar in de kleine binnenzee surfkampioenschappen gehouden worden. Aan elk strand zijn er kleine restaurantjes en paradores waar je tijdens het hoogseizoen een hapje kunt eten. Ook natuurliefhebbers komen aan hun trekken. Er zijn in de omgeving verscheidene natuurparken, zoals Isla de Lobos, met een kolonie van 200.000 zeeleeuwen. Maar bovenal is Montevideo the place to be voor wie de Europese winter wil ontvluchten. Reisdocumenten: Paspoort geldig gedurende de periode van je verblijf. Gezondheid: Hepatitis A, hepatitis B en buiktyfus aanbevolen. Elektriciteit: 220 V met adapter Tijdsverschil: Zomer: -5 u. Winter: -3 u. Munteenheid: Uruguayaanse Peso (UYP), 30,8 UYP = 1 ÇAanbevolen munt: dollars Talen: Spaans, Engels, Portugees Toeristische dienst: Ministerio de Turismo: www.turismo.gob.uy Ambassade: F.D. Rooseveltlaan 22, 1050 Elsene, 02-640.11.69, uruemb@skynet.be Let op!: Het historische centrum, de haven en de oude stad van Montevideo zijn het terrein van gauwdieven, maar er komen ook daden van agressie en gewapende overvallen voor. Waakzaamheid is geboden en het is aangeraden er 's nachts niet naar toe te gaan. In andere regio's van het land, met name Punta del Este, is het veiliger. Nuttige websites: Montevideo: www.montevideo.gub.uy Punta del Este: www.puntadeleste.com Punta Online: www.puntaonline.com All Uruguay: www.aluruguay.com Tekst: Fiona Cameron / Foto's: Preben S. Kristensen