Gedurende 27 jaar was zijn galerie in Fulham Road (destijds het epicentrum van trendy Londen) de rendez-vousplek van vermogende verzamelaars die tuk zijn op glas, keramiek, zilver, meubelen, juwelen en foto's uit de twintigste eeuw. Samen met zijn collega Lewis Kaplan verkocht hij schilderijen van Bacon, Freud en Picasso, meubelen van Eileen Gray en zilver van Puiforcat. Kortom deze zaak was op de cutting edge of style. Gordon heeft contacten over de hele wereld en stoffeerde de woningen van beroemde miljonairs als Sir Mick Jagger, Barbra Streisand, Freddie Mercury, Catherine Deneuve, Valentino, Ralph Lauren en Tom Cruise. Hij was destijds een van de eersten om werk van Damien Hirst te kopen. Vorig jaar verkocht hij zijn volledige collectie bij Sotheby's. De verkoop was zo'n succes dat het veilinghuis hem engageerde om nieuwe verzamelingen te zoeken om die dan weer te veilen. Op 26 september werd zijn derde collectie verkocht met meubelen, objecten en kunstwerken uit de twintigste eeuw, van de jaren dertig tot tachtig. De verzameling bevatte zowel late art-decoklassiekers van Jacques Adnet, als surrealistisch design van Gio Ponti en tafels van de Brusselse ontwerper Ado Chale. Gordon Watson heeft vooral voeling met de top van de handel en volgt de evolutie van de markt op de voet.

Wat is er essentieel veranderd in de laatste kwarteeuw ?

Gordon Watson : In onze galerie verkochten we van alles. Van schilderijen tot Laliqueglas. We mixten alles. De pure art deco verkocht het best. Ik heb het over gesigneerde meubelen van Ruhlmann of zilver van Puiforcat. In die tijd verkochten we vrij veel aan musea, het V&A of het Dallas Museum, en aan verzamelaars over de hele wereld. Ik kon speciale collectioneurs direct opbellen en die wisten meteen waarover ik het had. Het grote verschil met nu ? Ik heb geen verzamelaars meer. Ik verkoop aan mensen die fabuleuze rariteiten wensen. En musea kopen niet meer.

Andere kopers dan vroeger ?

Destijds verkochten we vrij veel aan popzangers, zoals Elton John of Rod Stewart. Nu zitten we meer in de modewereld, met bijvoorbeeld Valentino of Tom Ford. Fashion people zijn de smaakmakers van vandaag. Vroeger waren ook beeldende kunstenaars dat, maar nu niet meer. Modemensen zoeken en ontdekken nieuwe dingen. Via hun winkels proberen ze ook veel uit. Hun smaak wordt daarna een trend. Maar uiteraard komen de meeste kopers uit de financiële wereld.

Is dat het enige verschil ?

Nee, want we werken tegenwoordig ook veel met decorateurs. Dikwijls weten we niet waar een kunstwerk of meubel ooit terechtkomt. De decorateur speelt de rol van een soort agent, een esthetische adviseur.

Maar er is toch ook een smaakevolutie. Destijds waren echte rijkelui soms behoorlijk klassiek.

Ze zwoeren bij de klassieke Franse stijl. Het achttiende-eeuwse Lodewijk XVI-meubilair als ze smaak hadden of de kopieën ervan als ze er wat minder hadden. Of je nu in New York of Parijs was, overal zag je dezelfde interieurs. Dat bestaat nog wel. Kijk maar naar de veilingen van die meubelen en de mooie prijzen die ervoor worden betaald. Maar dit publiek is ouder.

En de jonge generatie ?

Die koopt kunst en meubilair uit de twintigste eeuw.

Maar toch niet iedereen ? Wat kopen bijvoorbeeld nieuwe rijken uit Rusland ?

Die zijn gek op bronzen beelden van Chiparus. Ze zijn tuk op al wat Russisch is. Er bestaat enerzijds een kitscherige markt, met interieurs vol glitter en marmer. Maar daar hou ik me niet mee bezig. Russen met een goede smaak, zoals deze die in Londen wonen, betalen fortuinen aan internationaal gereputeerde decorateurs met een gesofisticeerde smaak. Ze hebben de smaak snel geleerd en kopen moderne kunst en design.

Stelt u een groot smaakverschil vast tussen de rijke superklasse en de middenklasse ?

Wie zeer rijk is, doet wat hij wil. De middenklasse is volgzaam. Als je zo rijk bent als de zee diep is, dan hoef je je niets aan te trekken. Ben je ergens gek van, dan koop je gewoon het beste. Zo ken ik iemand in de States die een woning heeft, ingericht door Peter Marino, en die niet minder dan honderd gesigneerde objecten heeft van de vermaarde Franse ontwerper Paul Dupré-Lafont. Dat is onwaarschijnlijk veel. Of in Turkije ken ik een zeer rijke man die gek is op islamitische kunst. Hij heeft alles, manuscripten, Iznik-borden, koperwerk... noem maar op. Hij heeft een echt museum vol. Iemand die zo rijk is, mag en kan excentriek zijn. De middenklasse kan zoiets niet aan. In de middenklasse wordt dat soort originaliteit ook minder gewaardeerd. Bovendien speelt er nog een factor een rol : plaats. In grote steden is plaats kostbaar. Die heb je nodig voor zo'n immense verzameling. Middenklassers hebben gewoon een huis, misschien ook een landhuis. Zodra de muren er vol hangen zijn ze tevreden en kopen niets meer bij.

Als we het over excentriekelingen hebben, dan denk ik meteen aan het classicistische interieur van Andy Warhol.

Hij was inderdaad fantastisch. Ik heb trouwens ooit zijn gehele collectie zilver van Puiforcat verkocht. Zijn private smaak was klassiek. Dat leek toch zo, maar was het dat ook ? Hij kocht tegen de trend in. In die tijd kocht hij empiremeubels of topkwaliteit art deco. Niemand moest het. Hij stockeerde alles. Nu zijn de mensen over het algemeen volgzamer. Vroeger was de algemene interieurstijl meer gediversifieerd.

Hoezo ?

Je kon een Francis Bacon hangen boven een zestiende-eeuwse kloostertafel waarop er ook een schaal lag van Picasso. Dat komt wel een beetje terug, maar niet zo veel. Er werd dus gemengd. Denk maar aan onze grote interieurdesigner, David Hicks, die alles door elkaar gooide. Ik probeer dat ook wel wat te suggereren, maar het lukt niet altijd. Als ik een verzamelaar van hedendaagse kunst probeer te overtuigen van de schoonheid van iets Grieks-Romeins of Egyptisch, dan reageert hij doorgaans weinig enthousiast. Het mengen van stijlen en perioden is niet zo aan de orde. Ik heb een mooi voorbeeld in mijn vorige veiling. Daarin was er een natuurstenen vaas van de Italiaanse beeldhouwer Angelo Mangiarotti, uitgevoerd naar een Egyptisch voorbeeld. Welnu, het origineel, de vaas van 2500 jaar oud, zou moeilijk te verkopen zijn, de vaas uit de jaren zestig wel.

Hoe komt dat ?

Dat heeft te maken met kennis. De mensen kunnen zo'n gesigneerde vaas van een twintigste-eeuwse kunstenaar terugvinden in een boek. De antieke Egyptische vaas vinden ze moeilijker terug. Ze nemen dus geen risico. Hetzelfde heb je met de Oude Meesters. Soms zijn ze moeilijk toe te schrijven of zelfs anoniem. Dat is een probleem. Verzamelaars willen dat niet. Ook weer omdat ze nu meer belangstelling hebben voor moderne kunst en design. Ik ken in New York enkele verzamelaars die nu bijvoorbeeld hun impressionisten verkopen om meer modern te kopen. Het soort materiaal dat wij onder de hamer brachten, zoals meubelen uit de jaren veertig en vijftig van Robsjohn-Gibbings.

Wordt er in de toekomst nog antiek verzameld ?

Ondanks de hype voor alles wat uit de twintigste eeuw komt, zien we de laatste jaren toch dat bijzondere stukken antiek weer hogere prijzen halen op veilingen. Er dienen zich vooral nieuwe en jonge kopers aan. Ik denk dat die markt weer in beweging komt. De handel is een cyclus. Nu hellen we over naar het moderne en hedendaagse. Waar-door sommige oude stukken veel lager zijn geprijsd dan vroeger. Neem nu een tafel uit de Georgian period waar twintig jaar geleden twintigduizend pond voor werd opgehoest. Nu koop je die voor vijfduizend pond ( 7236 euro). Bovendien was twintigduizend pond destijds een enorm bedrag. De mensen beginnen zich stilaan weer te realiseren dat de waarde en de zeldzaamheid van die objecten groot is. Maar de verkoop komt maar langzaam op gang.

De basis van de markt doet het toch niet zo slecht, kijk maar naar het internet.

Toen ik begon, viel het me op dat er zoveel dokters, tandartsen en advocaten munten verzamelden. Of ook bijzondere potscherven of Romeinse olielampen. Die dingen waren en zijn nog steeds goedkoop. Voor tweehonderd euro heb je iets oud. Nu ken ik bijvoorbeeld mensen die gek zijn op antiek Marokkaanse textiel. Dat is momenteel zeer gezocht. De mensen merken dat er veel is, kopen een boek en gaan verzamelen. Maar dat is toch nog maar de basis van de markt. De top kiest voor modern. Zelfs de aristocraten uit ons land kopen nu moderne of hedendaagse kunst.

Wat is de toekomst van de antiekhandelaar ?

Hij evolueert mee met de markt en verdwijnt niet. Hij kan niet meer, zoals vroeger, rustig in een hoekje blijven zitten en moet rondreizen en aan beurzen meedoen. Nu gaan antiquairs ook meer samenwerken met veilingen en stukken onder de hamer brengen. Er is zeker een toekomst voor de handelaren en veilinghuizen. Maar de markt wordt volgens mij wel gedreven door de decorateurs.

De collectie die u samenbracht voor de veiling heeft een apart karakter. Er werden veel unica aangeboden, niet het courante oud design dat je overal vindt. En veel objecten zijn ook wat surrealistisch getint.

Deze surrealistische tint is momenteel zeer in. Designers als Ponti of Mollino zijn bijzonder in trek. Ze zijn ook zeer duur. Maar de Belgische Ado Chale, met zijn fantastische tafels, hoort daar ook bij. Het onwaarschijnlijkste stuk van de voorbije veiling was het ijzeren bed van Giovanni Ferrabini, uit de jaren vijftig. Het is een beetje kitsch, niet te serieus. Dat is belangrijk. De interieurstijl van nu is niet zo serieus of saai. Het minimalisme is afgelopen. Design is fun. Veel van de meubelen die we veilen zijn unica, maatwerk. En ik kies ook voor diversiteit. Ik wil van alles mixen, jaren dertig met zeventig... noem maar. En dat sluit dan weer helemaal aan bij de modewereld, die eveneens verscheiden, grappig en ondeugend kan zijn. Nogmaals : de modelui zijn de smaakmakers.

Door Piet Swimberghe I Foto's Jan Verlinde