Kunt u ons wat meer vertellen over uw opleiding aan de Ecole Boulle en uw eerste stappen in het modern design ?

Olivier Mourgue : De opleiding aan Ecole Boulle was voor de algemene vakken volledig pragmatisch, we leerden meubelconstructies tekenen op ware grootte. Elke namiddag waren we in het atelier aan de slag met metaal, hout en textiel. Ik was erg geboeid door stoffen, vooral bedrukte, en door design uit Scandinavië en ook architectuur. Ik hield veel van het werk van Le Corbusier, wiens Modulorsysteem ik veel heb gebruikt. In die tijd kregen we ook degelijke lessen over constructiemethodes van Jean Prouvé in Art et Métiers in Parijs. Op advies van een van mijn professoren aan de Boulle liet ik in 1959 mijn eerste Jokerstoel zien aan Charles Bernard, de stichter van Airborne, die hem dan ook uitgaf. In 1960 liep ik stage bij de Nordiska Kompaniet, een warenhuis in Stockholm...

Olivier Mourgue : De opleiding aan Ecole Boulle was voor de algemene vakken volledig pragmatisch, we leerden meubelconstructies tekenen op ware grootte. Elke namiddag waren we in het atelier aan de slag met metaal, hout en textiel. Ik was erg geboeid door stoffen, vooral bedrukte, en door design uit Scandinavië en ook architectuur. Ik hield veel van het werk van Le Corbusier, wiens Modulorsysteem ik veel heb gebruikt. In die tijd kregen we ook degelijke lessen over constructiemethodes van Jean Prouvé in Art et Métiers in Parijs. Op advies van een van mijn professoren aan de Boulle liet ik in 1959 mijn eerste Jokerstoel zien aan Charles Bernard, de stichter van Airborne, die hem dan ook uitgaf. In 1960 liep ik stage bij de Nordiska Kompaniet, een warenhuis in Stockholm. In die periode ontmoette ik in Finland ook de uitstekende architect Yuhani Pallasmaa, met wie ik bevriend ben gebleven. Na mijn opleiding aan Boulle studeerde ik twee jaar aan de Ecole Supérieure des Arts Décoratifs in Parijs. Eind 1975 legde Airborne de boeken neer en veranderde van eigenaar. Toch verliet ik de designwereld niet echt. Ik ben wel gaan wonen in Bretagne en ging les geven aan de Ecole Supérieure d'Arts in Brest. Maar parallel daarmee werkte ik verder voor Renault en hertekende onder meer het interieur van de Renault 4. In 1978 maakte ik een maquette voor een green car. Op uitnodiging van architect Norman Foster in het Sainsbury Center for Visual Arts aan de Universiteit van East Anglia Norwich, bouwde ik in 1992 de tentoonstelling Imaginary Gardens and Little Theatres, waar ik ook een sleezetel heb gepresenteerd. Ondertussen heb ik nog bestek ontworpen en een naaimachine op zonne-energie. Ik werk ook nog voort op het idee van het 'spel' in de meubelkunst, met de Djinn, de Bouloum, de Sièges-jouets en de Sièges-luges. Na de uitstekende opleiding die ik zelf genoot aan de Ecole Boulle en Les Arts Décoratifs leek het me nuttig om mijn ervaringen door te geven aan jonge designers. Ik leg hen via oefeningen het grote verschil uit tussen design, dat een toegepaste kunst is die zich richt tot een bepaalde persoon, en kunst, die een andere benadering vereist. Bij de opleiding van jonge designers zijn grafische problemen van groot belang. Ik vind dat ze op kunstscholen zowel film als theater, architectuur en schilderkunst zouden moeten doceren met behulp van kleine filmpjes, zoals je die bijvoorbeeld op Arte ziet. Design wordt te literair benaderd, ik geef de voorkeur aan een visuele benadering zoals met de mood boards van de Engelsen. Ik heb veel tijd doorgebracht in Finland, waar ik onder meer het geluk had om Armi Ratia te ontmoeten, de stichtster van Marimekko. Ik was onder de indruk van de prachtige landschappen en de traditionele huizen in Finland. Ik heb altijd gevonden dat de stilte van de Finnen hen verwant maakt aan Japanners. In het klimaat van de Noordzee en Bretagne herken ik ook wat van de charme van het hoge Noorden. Ik hou bijvoorbeeld van het licht en de luchten in de winter. Je herontdekt de eilanden, de algen en de trekkende vogels uit mijn omgeving in mijn aquarellen en de kleine theatertjes die ik nu bouw. Ja. Ik vind dit tijdperk, waarin men begaan is met nieuwe energie en materialen en met respect voor de natuur, bijzonder boeiend. Voor jonge designers ligt er een enorm braakveld om te experimenteren en om volledig nieuwe dingen uit te proberen. Met het onderzoek van de Zwitserse ingenieur Bertrand Piccard voor zijn vliegtuig Solar Impulse bijvoorbeeld, breekt een nieuw tijdperk aan voor luchtvaart op zonne-energie. Ik volg in de architectuur ook de ontwikkeling van ecowijken. Design moet wel eenvoudig, functioneel en betaalbaar blijven. Elke grote stad heeft volgens mij een designcentrum nodig. Maar design moet geen kunst worden. Als een kunstenaar kleine reeksen ontwikkelt kan het wel, zoals Alexander Calder dat ooit deed.