?Geen andere stad heeft zoveel gezichten.? In ?Wonen & Leven in Brussel? schilderen Weekend-redacteur Piet Swimberghe en fotograaf Jan Verlinde een ongewoon portret van een plek die nochtans zo vertrouwd lijkt.
...

?Geen andere stad heeft zoveel gezichten.? In ?Wonen & Leven in Brussel? schilderen Weekend-redacteur Piet Swimberghe en fotograaf Jan Verlinde een ongewoon portret van een plek die nochtans zo vertrouwd lijkt.Sabine Lamiroy / Foto's Jan VerlindeBrussel heeft een bepaalde manier van leven ontwikkeld, die erin bestaat het beste te halen uit het meest desastreuze, en het onmenselijke draagbaar te maken. Brussel wordt nu beschouwd als een lelijke stad waar het ongelooflijk goed leven is?, schrijft baron Eric d'Huart in zijn inleiding op Wonen & Leven in Brussel. Een intrigerende uitspraak van een Brussel-minnaar aan het begin van een prachtig geïllustreerd coffeetablebook over de metropool. En toch geeft ze precies de opzet van het boek weer, dat de stad bijna als een levend organisme bekijkt. Vertrekkend vanuit een korte historiek en verder kuierend langs gekende en ongekende gevels en plekken, dringt de wandeling door tot in de intimiteit van opvallende interieurs, publiek, privé, barok, modernistisch of hedendaags. Bij het doorbladeren van dit werk speelt ongewild het deuntje door mijn hoofd : Take me by de hand and I'll show you through the streets of... Brussels.Jarenlang al struint Piet Swimberghe door de hoofdstad : ?Hoe meer ik ontdek, hoe meer ik gefascineerd geraak. Brussel is niet groot, maar heeft oneindig veel gezichten : achter elke straathoek ontdek je een andere wijk met herinneringen aan het verleden of knipogen naar de toekomst. Het is geen makkelijke stad, je moet geduld hebben om ze te ontdekken, want de mooie plaatsjes afgezien van het toeristische circuit liggen niet voor het grijpen. We zijn vertrokken van het centrum om via minder bekende wijken zoals de volkse buurten rond de oude haven, het Sint-Goriksplein, te belanden in de absoluut onderschatte randen van de stad : Sint-Gillis, Ukkel, Ter Kameren, de Brugmannlaan, Elsene, met zijn vijvers, en de buurt rond het Flageyplein waar je een confrontatie krijgt tussen arbeiderswijken en rijke straten. Het meest fascinerende aan Brussel is de onwaarschijnlijke verscheidenheid van stijlen. Elke gevel, elke straat is anders. Dat vind je in geen andere stad en dat hebben we in ons boek proberen te illustreren. Jan Verlinde heeft niet gewerkt met de klassieke, decoratieve plaatjes. Die zitten er natuurlijk bij, maar we hebben ook het vreemde, de chaos willen tonen, zoals op dat vergezicht vanop het stadhuis van Sint-Gillis, of tussen de torens van Koekelberg. Brussel is boeiend, maar zeer moeilijk te fotograferen precies omwille van dat onoverzichtelijke. Overal zitten dissonanten in het straatbeeld. In dat opzicht was het belangrijk dat ik al zovele jaren met Jan samenwerk. We merken dezelfde dingen op, hebben een minimum aan overleg nodig.? Dat dit ?interieurboek? een ongewone visie geeft op de stad blijkt ook uit de verrassende beelden van het kerkhof van Laken. ?Misschien wat wrange foto's, maar essentieel omdat die dodenstad zo integraal deel uitmaakt van de levende stad en zowel de geschiedenis als de stadsarchitectuur weerspiegelt.? Dat in Brussel veel kapotgemaakt is, ontkent Piet Swimberghe niet. ?Maar er bleef ook zeer veel bewaard, precies omdat er zoveel waardevols was. Je vindt nog hele wijken opgetrokken in de jaren 1880-90, waar niets aan veranderd is. De Brusselse rand is eigenlijk op zeer korte tijd tot stand gekomen, van het midden van vorige eeuw tot de eerste helft van deze eeuw, en vormt misschien wel het boeiendste deel van de stad. Je komt er alle mogelijke eclectische en neo-stijlen tegen.? Uiteraard vormt de art nouveau een belangrijk hoofdstuk. Brussel is immers, naast Wenen, dé belangrijkste bakermat van deze stijl in Europa. De grootste archtitecten, zoals een Horta, een Van Rysselberghe of een Van de Velde, hebben hier gewerkt. ?Maar ook ontelbare andere, minder gekende architecten hebben pareltjes afgeleverd. Je vindt gebouwen in Frans-Belgische stijl à la Horta, maar ook Oostenrijkse met als uitschieter het Stocletpaleis van Hoffmann, of de Schotse richting met Paul Cauchie. Daarnaast heb je de Amsterdamse school, in baksteen, veel soberder, die al neigt naar de Amerikaanse of de Britse school. In een en dezelfde straat kom je de hele Europese kunstgeschiedenis tegen. Parijs of Londen zijn veel uniformer. Opmerkelijk is dat het hier niet gaat om openbare gebouwen, maar om particuliere initiatieven. Mensen die iets gebouwd hebben met een eigen gezicht, zeer individualistisch en typisch Belgisch dus, zowel Vlaams als Waals. Zelfs de regio's hebben sporen achtergelaten. Je hebt huizen in natuursteen die zo uit Wallonië lijken geplukt en je hebt Brugse neogotiek met trapgevels.? Het boeiende is dat heel wat van die panden vandaag openstaan voor het publiek, zoals het spectaculaire interieur van restaurant Amadeus of het veel te weinig gekende museum David van Buuren. Dat schitterende pand is tussen 1924 en '28 gebouwd en vertegenwoordigt bijna puur Nederlandse art deco. ?Dat zoiets in Brussel staat, is weer typisch, evenals het feit dat je in de buurt nog meer huizen in dezelfde stijl vindt. Als je ergens een gebouw ziet à la Corbusier bijvoorbeeld, ontdek je er gegarandeerd nog vier à vijf in dezelfde geest, maar van andere architecten. Het fameuze Schröderhuis van Rietveld in Utrecht daarentegen staat moederziel alleen. Dat bewijst dat die stromingen bij ons erg populair waren bij een groot deel van de bevolking. Nu staat Brussel niet meer zo open voor moderne architectuur als toen. De regio's van Antwerpen en Gent staan op dat gebied verder. Hoewel ook de hoofdstad weer wat opleeft, maar dan is het opnieuw hoofdzakelijk dankzij particulier initiatief, vooral van jonge Vlamingen.? Natuurlijk komen in het boek enkele klassiekers aan bod, zoals de Grote Markt, of de in classicistische stijl opgetrokken Sint-Hubertusgalerij. Een van de gaafste monumenten van de stad en een van de mooiste galerijen van Europa. Uniek is bovendien dat ze nog altijd volledig privé-eigendom is, met cafétjes, winkels, boekhandels. Ook een aantal historische passages wordt extra in de verf gezet, zoals de Hollandse periode van 1815 tot 1830, omdat die kan beschouwd worden als de eerste aanzet tot urbanisatie, met de realisatie van enkele belangrijke monumenten als de botanische tuin en de Munt. ?Voordien was Brussel echt piepklein en viel er weinig te beleven. Dat was ook het gevoel dat de koninklijke familie had toen ze hier kwam. Buiten het koninklijke park tussen parlement en paleis was er niet veel. Pas in de tweede helft van de vorige eeuw is de stad opengetrokken. Toen barstte een echte bouwwoede los, een beetje zoals vandaag, maar nu gebeurt het in functie van Europa.? Het gekke is dat het individualisme dat de straatkant typeert, zich ook doorzet in de interieurs. Niet toevallig komen in het boek vooral huizen aan bod van creatieve mensen, zoals dat van hoedenontwerper Elvis Pompilio met zijn zwak voor de dolle jaren '50, het stijlvolle art-decohuis van Nissim Israël (eigenaar van het modehuis Olivier Strelli), de moderne creatie van architect Marc Corbiau of de mysterieuze woning van Lydia Kümel die het midden houdt tussen art deco en modernisme. ?Brussel is geen saaie ambtenarenstad zoals vaak wordt beweerd, er wonen ontzettend veel creatieve mensen. Je hebt zowel heel barokke interieurs, als uitgesproken minimalistische, andere lijken zo geplukt uit de vorige eeuw.? Het meest frappante voorbeeld daarvan, waarmee ook het hoofdstuk Achter Deuren en Vensters opent, is het huis van baron Eric d'Huart met zijn salons vol antieke meubels en imposante luchters. De restaurateur maakte van een vergeten openluchttheater in het hart van de stad, de oude Waux Hall in het Warandepark, een fascinerende plek waar je lijkt terug te gaan in de tijd. Ook de man zelf is een buitenbeentje en houdt er uitgesproken ideeën op na. Zo is hij er bijvoorbeeld van overtuigd en anderen met hem dat de doodsteek er gekomen is met de Expo van '58. Toen heeft men Brussel willen moderniseren op een zeer bruuske manier en is veel verloren gegaan. In de selectie van interieurs, hebben we vooral willen tonen dat het perfect mogelijk is om een hedendaagse leefwijze op een originele manier te combineren met het verleden in huis. Een mooi voorbeeld is het appartement in de Zuidstraat, tegenover de winkel van Pompilio : achter de afgebladderde gevel zit een somptueus decor van rond 1860. Pure vergane glorie, niet gerestaureerd, maar de nonchalante manier waarop daar vandaag in geleefd wordt, is bijzonder boeiend. Het zou zowel in Leningrad als in New York kunnen zijn.? Dat contrast vind je ook in de woning van interieurarchitect Axel Verhoustraeten : een zuiver functionalistische bouw uit de jaren '30, maar het interieur is compleet hedendaags. Dat geldt ook voor het woonatelier van decorontwerpster Eugénie Collet achter het Zuidstation. Aan het oude decoratie- en verfatelier dat door haar vader werd opgericht, heeft ze nauwelijks iets veranderd. ?Alles was er, patina en verf inbegrepen.? Dat wil niet zeggen dat het boek zich beperkt tot oude interieurs. Je vindt er ook moderne creaties in, zoals de pied-à-terre die de architecten Paul Robbrecht en Hilde Daem gemaakt hebben in een flatgebouw in de oude havenwijk. Een moderne belvedère met een prachtige uitkijk op de chaotische stad : aan de ene kant de barokke kerk van het begijnhof en aan de andere kant de noordwijk met zijn allegaartje van beton en kranen. Als afsluiting wordt een aantal ambachtelijke ateliers geportretteerd zoals de Ecole Vanderkelen. Deze privé-school dateert van eind vorige eeuw, maar is uniek omdat ze nog steeds mensen vormt in het schilderen van trompe-l'oeil, faux-bois, precies zoals het vroeger gebeurde. Aan het interieur is niets veranderd, de muren zijn afgebladderd, vuil, maar zeer sfeervol. Veel mensen die nu in de decoratie zitten, zijn daar opgeleid. ?Zo'n atelierbezoek is eigenlijk pakkender dan een interieur, omdat het leeft. Zo hebben we op de eerste verdieping van een 18de-eeuws herenhuis, tussen de ambassades aan het park, het schilderachtige meubelrestauratieatelier Taquin-Carton ontdekt. Waar je een deftig salon verwacht, bots je op een werkplaats met wanden vol werktuigen en meubelfragmenten. In een oogwenk word je teruggeslingerd in de tijd van Diderot en d'Alembert. Merkwaardig is ook de anderhalve eeuw oude kunstsmederij Costermans op de Zavel, waar nog volgens aloude traditie lichtarmen, kandelaars en luchters worden gemaakt. Helemaal in de Charles Dickens-sfeer kom je terecht bij een bezoek aan de passementerie-manufactuur De Backer, al meer dan 100 jaar gevestigd in een oud pandje in de verpauperde buurt van het Vossenplein. Een echt relict van de industriële revolutie, waar nog steeds de oude weefmachines uit 1831 op volle toeren draaien. Het atelier levert maatwerk tot in Londen en Parijs. Brussel trekt vandaag trouwens relatief veel ambachten aan, zeker in vergelijking met pakweg 15 jaar geleden. Onder meer dankzij de Europese Unie is er veel vraag naar restauratie. Een van de mooiste uitspraken die perfect samenvat wat velen voelen, is die van Nissim Israël : ?Brussel is een vreemde, onvoorspelbare stad die haar rijkdom puurt uit een smeltkroes van culturen en talen. Veel landgenoten onderschatten de charme ervan, maar buitenlanders verafgoden het veelzijdige, eclectische karakter. Ik heb op veel plaatsen gewoond, maar van alle grote steden die ik ken, is Brussel misschien de meest leefbare.? Leuk voor de lezer is dat het boek afsluit met een aantal voor het publiek toegankelijke adressen, uitgekozen omwille van hun typisch Brusselse of merkwaardige interieur : cafés, restaurants, musea tot bloemenwinkels toe. ?Wonen & Leven in Brussel? is uitgegeven bij Lannoo, telt 208 blz. en kost 1980 fr. Zoals het eerder gepubliceerde ?Wonen in Vlaanderen? van dezelfde auteurs, maakt het boek deel uit van de internationale reeks ?L'Art de Vivre? en verschijnt in vier talen, begin volgend jaar komt er ook een Amerikaanse editie. Vergezicht vanop het stadhuis van Sint-Gillis : schoonheid verpakt in chaos.Deze moderne flat werd door de architecten Robbrecht & Daem ontworpen voor kunstgalerie Meert, bovenop een art-nouveaupakhuis.Brussel telt nog heel wat artisanale ateliers, zoals de schilderachtige manufactuur De Backer, gespecialiseerd in passementerie.