"O Lissabon, mijn thuis", zo schreef de weemoedigste van alle dichters. Het geluk brengt me naar de Portugese hoofdstad. Al staat de Praça do Comércio in de steigers, het plein aan de Taag dat Portugal als koloniale zeemacht verzinnelijkt, toch zoek ik het hoekcafé waar Fernando Pessoa klant aan huis was. Aan het eind van een galerij, geribbeld als een harmonica, zet ik me op het terras van Martinho da Arcada voor sardienen en vinho branco uit Estremadura. Binnen hangen zijn foto's aan de muur : somber bebrilde man met hoed en lange jas, symbool van nostalgie, rusteloosheid en het verloren maar zo begeerde Lissabon, stad van fado en revolutie, van manuelijnse architectuur, van Camões, Hendrik de Zeevaarder en Vasco da Gama, van statige winkelstraten en geelverlichte stegen, van donkere cervejarias en vervallen wijken.
...