Die ochtend, bij het ontwaken, hoorde ik gefluister en gejammer in de gangen. Bleek dat men mijnheer Schiettecatte had gevonden in zijn fauteuil, bij het raam, volgens welingelichte bronnen aangekleed en nog warm. "Zo sterven ze in mijn familie", schijnt hij toen hij nog leefde te hebben gezegd : "onverwacht en snel."
...

Die ochtend, bij het ontwaken, hoorde ik gefluister en gejammer in de gangen. Bleek dat men mijnheer Schiettecatte had gevonden in zijn fauteuil, bij het raam, volgens welingelichte bronnen aangekleed en nog warm. "Zo sterven ze in mijn familie", schijnt hij toen hij nog leefde te hebben gezegd : "onverwacht en snel." Als jongeman had mijnheer Schiettecatte van de dokter te horen gekregen dat hij een hartafwijking had en waarschijnlijk geen twintig zou worden. Dat klopte, want hij werd negenentachtig. Erg goed heb ik hem niet gekend. Onze ontmoetingen beperkten zich tot vluchtige begroetingen en geschuifel van voeten in de gang, waarbij hij altijd op zijn hoede leek, achterdochtig als hij waarschijnlijk was geworden voor elke mens die nog wat geweld van de jeugd in zich droeg. Het heengaan van mijnheer Schiettecatte deed mij iets. Dat hij zich gisteravond nog zorgen had gemaakt over geluiden in de kelder en de voorradigheid van brood, en nu in een vingerknip met aan perfectie grenzende volledigheid verdwenen was. Dat niets of niemand op de hele wereld, noch Obama noch Osama, terug kon halen wat hier zo plots verdwenen was. Ik voelde, dit valt moeilijk uit te leggen, zelfs een zweem van jaloezie. Omdat mijnheer Schiettecatte nu voor niets of niemand nog schrik moest hebben, en ik wel. Ik nam het mijzelf een beetje kwalijk dat het stoppen van zijn oude hart mij niet was opgevallen, maar dat ik lompweg was doorgegaan waarmee ik bezig was, in mijn koffie roeren of mij onder de oksels wassen, terwijl we toch in hetzelfde gebouw woonden, van elkaar gescheiden door ocharme een paar lagen beton. Ik had op zijn minst een siddering mogen voelen, zo kwam het mij voor. Een kille windtocht in mijn nek. Ze sterven langzaam uit, de mensen die in 1940 nog door de Veldstraat hebben gewandeld. Ondanks mijn min of meer prille verschijning heb ik er hier toch al een vijftal gekend die inmiddels zijn overgevaren, van de kruidenier met zijn grijze stofjas tot de minzame mijnheer Blandijn en de ingenieur-architect-urbanist die het gebouw heeft nedergezet. Soms denk ik : weg hier, nu het nog kan, maar dan komt bijtijds het gedicht in mijn gedachten van de tuinman die ijlings vlucht naar Isfahan. Kalmte kan u redden. Waar ik het bangst voor ben, is de schrik. Er waren geluiden in het pand, deuren die dichtklapten, haastige stappen, de lift die in de liftkoker op en neer werd gejaagd als een muilezel op jaren. In de verte en vervolgens steeds dichterbij loeide een ambulance, wat enigszins potsierlijk overkomt als je weet dat het te laat is. Absoluut onsensatiezuchtig als ik in dergelijke gevallen ben, vermeed ik het een glimp op te vangen van ziekenbroeders met een berrie. Ik rukte mij integendeel los uit de schemering van de mij toegemeten vertrekken, en verliet de building. Ik sprong op mijn fiets, reed langs vervuilde grachten, door een buurt met witte huizen en een witte kerk, langs een dak waar driftig aan getimmerd werd, voorbij een keuken waar nog een kerstboom stond, door de Dapperheidsdreef, de Politieke Gevangenenstraat en de geheimzinnige Zesseptemberlaan. Ik blijf het treffend vinden, hoe bij het benoemen van straten de onprettigheden van het alledaagse worden geschuwd. Nooit zul je iets als de Spataderstraat aantreffen of de Lekkebandlaan, laat staat de Vechtscheidingswegel of het Plein van de Onwelriekende Adem - hoewel die zaken toch ook bestaan en talrijker voorkomen dan hemelse vrede, prinsessen en lusthoven. Toen ik weer thuiskwam, was het rumoer in de gangen verstomd en hoorde ik alleen nog het gezoem van ventilatieschachten. Ik dronk een koffie, de groene capsule die naar walnoot smaakt, perste enige sinaasappels en ondernam een zwakke poging om het vliegtuigje op te lappen dat dochtertjelief de avond tevoren moedwillig had vertrappeld, driftig omdat het haar verboden was binnenshuis haar step te gebruiken. Door het spionnetje in de deur zag ik de levensgezellin van mijnheer Schiettecatte haar appartement binnengaan. Zij droeg een beige regenjas. Beneden rolde de conciërge de afvalcontainers met dof gerommel terug op de binnenplaats, nadat die door de vuilniskar leeggeschud waren. Aan het zwerk krijste een meeuw. Een druppel water viel uit de kraan. De tegels in de badkamer hingen onverstoorbaar aan de muur, als de afgelopen vijftig jaar. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders