In het jaar 1773 moest een Engelse koopman, John Woodhouse, met zijn schip Elizabeth in de haven van Marsala schuilen voor een verwoestende storm op zee. In die tijd waren versterkte wijnen als port, sherry en madera in Engeland al zeer goed ingeburgerd. In Marsala leerde hij de lokale wijn kennen, kocht er onmiddellijk 70 pijpen van (vaten van 400 liter) en stuurde ze naar zijn vader in Engeland met de vraag of deze wijn zou geschikt zijn voor de Engelse markt, en vooral of hij port en/of madera kon vervangen. Het antwoo...

In het jaar 1773 moest een Engelse koopman, John Woodhouse, met zijn schip Elizabeth in de haven van Marsala schuilen voor een verwoestende storm op zee. In die tijd waren versterkte wijnen als port, sherry en madera in Engeland al zeer goed ingeburgerd. In Marsala leerde hij de lokale wijn kennen, kocht er onmiddellijk 70 pijpen van (vaten van 400 liter) en stuurde ze naar zijn vader in Engeland met de vraag of deze wijn zou geschikt zijn voor de Engelse markt, en vooral of hij port en/of madera kon vervangen. Het antwoord was zo volmondig positief dat John zich in Marsala vestigde en in het groot begon met wijn. Voor de lokale druivenboeren investeerde hij in plantgoed en materiaal, in ruil voor de opbrengst tegen een vooraf vastgestelde prijs, zodat hij in zekere zin een monopolie vestigde. Het versterken met alcohol deed hij zelf en zijn wijn werd weldra Vino Inglese genoemd. In Engeland werd zijn wijn dermate beroemd dat admiraal Nelson in 1800 er 500 pijpen van bestelde voor de Engelse vloot. In 1806 werd Sicilië door de Britten bezet om de Napoleontische expansie tegen te gaan en kwam een tweede Engelsman op het eiland: Ingham Whitaker. Deze stelde zich als doel om de kwaliteit te verbeteren en om andere exportmarkten aan te boren. Het legde hem geen windeieren: in 1854 was zijn firma driemaal groter dan die van Woodhouse en exporteerde hij met een eigen handelsvloot naar Brazilië, Boston, het Verre Oosten en Australië. De derde hoofdrolspeler in de marsala-story is een zekere Vincenzo Florio, die weliswaar in 1799 in Calabria geboren was maar met zijn vader naar Sicilië emigreerde en in 1832 een eigen wijnfirma oprichtte. Voordien had hij een zes jaar durende studiereis gemaakt door Noord-Italië, Frankrijk en Engeland. Alle geschiedschrijvers zijn het erover eens dat hij een commercieel genie was; hij was onder mee ook bevriend met Garibaldi. Ondertussen was de Engelse présence in Sicilië overweldigend: in 1876 schreef de Franse consul van Palermo naar zijn minister in Frankrijk dat Engelse eigendommen en investeringen waren opgelopen tot het fabelachtige bedrag van 500 miljoen pond. Maar Florio produceerde goedkoper dan de Engelse concurrentie en won langzaam maar zeker aan marktaandeel. Zijn zoon Ignazio begon in 1890 een groothandel in gelagerde distillaten: de Siciliaanse cognac was geboren. Een evenement dat trouwens in heel Italië juichend als een vittoria nazionale werd begroet. De grote naoorlogse crisis van 1922 bracht echter het Florio-imperium aan het wankelen en uiteindelijk werd het overgenomen door Cinzano. Dat gebeurde wat later (1929) ook met de twee originele Engelse firma's Woodhouse en Whitaker. In 1998 nam Illva Saronno alles over van Cinzano en de distributie van Amaretto di Saronno en Florio-wijnen gaan sindsdien samen. Zo kwam een einde aan de Engelse glorie. Herwig Van Hove