Sommige vlaggen dekken nauwelijks hun lading. Neem nu een woord als wildplassen. Ik stel mij daar een vent bij voor, zo'n jonge kerel met een bles, die schaterlachend in het rond watert, op auto's en op honden, op handtassen van dames. Man, man, wat een pret. In werkelijkheid komt wildplassen neer op de stank van verschaalde urine in brievenbussen en portieken. Het klinkt wilder dan het is.
...

Sommige vlaggen dekken nauwelijks hun lading. Neem nu een woord als wildplassen. Ik stel mij daar een vent bij voor, zo'n jonge kerel met een bles, die schaterlachend in het rond watert, op auto's en op honden, op handtassen van dames. Man, man, wat een pret. In werkelijkheid komt wildplassen neer op de stank van verschaalde urine in brievenbussen en portieken. Het klinkt wilder dan het is. Aan zulke dingen denkt een mens als hij door de straten banjert, ijlings naar nergens. Niets doet meer deugd dan richtingloos door de straten te dwalen, bij voorkeur in de vrieskou, in het donker, in zo'n achterbuurt, waar je bevangen kan worden door het fameuze onveiligheidsgevoel. Ik heb daar weinig last van. Van alles kan ik bang zijn, van de kortheid van de dagen tot het hinkelspel van mijn hart. Aan kruimelmisdaad echter denk ik weinig. Mocht een beurzensnijder op mij af komen gestapt, ik denk dat ik hem in de ogen zou kijken en zeggen : "Broeder, ik ben niet degene die gij zoekt. Ik bezit zelf amper iets." Waarschijnlijk zou het deze broeder niet beletten mij een loden staaf op de kop te slaan. Toch blijf ik het gevoel hebben dat er met kruimelcriminelen valt te praten. Dat zij het vermogen des onderscheids hebben van de legendarische Robin Hood. Er zullen er méér komen, van die kruimelcriminelen. De prijs van de levensnoodzakelijkheden is de laatste tijd hand over hand gestegen. Zelfs pasta en brood laten zich tegenwoordig met harde valuta betalen. De kloof tussen arm en rijk gaapt als zelden tevoren. Dat gepronk aan de ene, dat gesukkel aan de andere kant : het bedroeft mij ten zeerste. Zelf voel ik niet de drang om in weelde te baden of Chinese vazen als doelpaal te gebruiken, zoals de winnaars van Euro Millions volgens de weerzinwekkende reclame. Ik wandel verder door de straten. Uit sommige huizen steken buizen naar buiten waar damp uitkomt, vermoedelijk van kleren die ergens binnen worden gedroogd. Zeker als het donker is, vind ik dat gezellig, en op een rare manier ook spannend. Het voert mij terug naar duistere steegjes in Londen, in de tijd van Charles Dickens. Naar Jack the Ripper en zo. Soms is mijn verbeelding een paar maten te groot. Op deze manier beland ik bij een kerkje. Zoals het betaamt, draait de deur knarsend open. Binnen heerst stilte. De zoete geur van wijwater en marmer. Ik kuch, voornamelijk om het plezier dit kuchen te horen kaatsen. Nieuwsgierig kijk ik in de biechtstoel, waar tot schande van de Heilige Kerk van Rome spinrag in hangt. Dan - ja, ik durf - beklim ik tastend de preekstoel, om boven met vlammende ogen de duisternis in te turen en de magische woorden uit te spreken. "Beminde gelovigen...." Het weergalmt tussen de orgelpijpen en het oksaal, een woord waarvan ik niet precies meer weet wat het betekent maar dat mij uit mijn katholieke jaren is bijgebleven, samen met de monstrans en de kazuifel en nog een paar andere joligheden. Zo is het wel blasfemisch genoeg geweest voor vandaag. Men weet tenslotte maar nooit. Ik steek een noveenkaars aan ter vergeving van mijn hoogmoed en spoed mij naar buiten, de profane wereld in. Aan de donkere lucht hangt een maan die er opgeplakt lijkt met een kleefstift van Pritt. Haar licht wordt als romantisch omschreven, maar het gros van de tijd vind ik haar een ijsprinses. Ze staat aan de hemel met die blik die ook fotomodellen hebben, zoals ze in modebladen te zien zijn, dwars door je heen kijkend, want jij bent voor hen quantité négligeable. Altijd staren ze in de verte, alsof ze van een prettiger planeet komen en het betreuren hier op aarde te zijn klemgeraakt. Het idee alleen al, van die maan, om altijd haar zelfde kant naar ons toe te keren. Generaties mensen moeten zich het hoofd hebben gebroken over hoe haar achterkant eruitziet. Nooit eerder heb ik daarbij stilgestaan. Opeens kan ik niet snel genoeg thuis zijn, om mij als een idioot voor het computerscherm aan ruimtesondefoto's te vergapen. Van de donkere kant van de maan, die saaier is en minder zeeën blijkt te tellen dan de zijde die sinds mensenheugenis naar ons is gericht. Ook in dat opzicht gedraagt Hare Hoge IJselijkheid zich als een verwaande dame, die erop staat van haar voordeligste kant te worden gefotografeerd. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders