Iedereen weet dat op Murano, het eilandje van de glasblazers naast Venetië, toeristen worden gefopt met goedkope kitsch. De winkeltjes langs de Rio dei Vetrai slijten smakeloos glaswerk waarvan boze tongen beweren dat het niet eens op het eiland maar in het Verre Oosten is gemaakt. Toch blijft Murano wonderbaarlijk. Wie het hoofdkanaal verlaat, ontdekt een paar prachtige kerken, desolate fabrieksstegen en artisanale glasfabriekjes die voor de hele wereld vazen en lichtkronen maken. Tussen de talloze kleine, onbekende ateliers liggen enkele grote werkhuizen met klinkende namen: Barovier e Toso, Venini en Seguso. Deze manufacturen hebben wortels in een ver verleden, want ook vroeger was Murano het kloppend hart van de Europese glasindustrie. Het atelier waar we te gast zijn, de firma A...

Iedereen weet dat op Murano, het eilandje van de glasblazers naast Venetië, toeristen worden gefopt met goedkope kitsch. De winkeltjes langs de Rio dei Vetrai slijten smakeloos glaswerk waarvan boze tongen beweren dat het niet eens op het eiland maar in het Verre Oosten is gemaakt. Toch blijft Murano wonderbaarlijk. Wie het hoofdkanaal verlaat, ontdekt een paar prachtige kerken, desolate fabrieksstegen en artisanale glasfabriekjes die voor de hele wereld vazen en lichtkronen maken. Tussen de talloze kleine, onbekende ateliers liggen enkele grote werkhuizen met klinkende namen: Barovier e Toso, Venini en Seguso. Deze manufacturen hebben wortels in een ver verleden, want ook vroeger was Murano het kloppend hart van de Europese glasindustrie. Het atelier waar we te gast zijn, de firma Archimede Seguso, heeft een voorgeschiedenis tot in de veertiende eeuw. Toen al was er een Seguso als glasblazer actief. Uitzonderlijk is dat niet, want de glasblazers van Murano vormen een gesloten gemeenschap waarin het vakmanschap van vader op zoon wordt doorgegeven. Op Murano werd vermoedelijk al in de 10de eeuw glas geblazen. In 1271 beschikten de glasmakers over eigen statuten die tot eind 18de eeuw van kracht bleven. De meesters werden zelfs tot een soort adelstand verheven. Hun gilde legde strikte regels op. De glasblazers mochten de staat niet verlaten, of ze verloren hun vergunning en hun bezittingen. Venetië probeerde zo zijn knowhow te beschermen, maar kon niet verhinderen dat glasblazers van Murano zich elders in Europa vestigden, onder meer in Antwerpen. Venetië onderhield nauwe contacten met de Byzantijnse en de Syrische glasindustrie. Na de val van Constantinopel trokken veel ambachtslui naar de Dogenstad. Dat leidde tot een Venetiaanse stijl die eeuwenlang à la façon de Venise werd genoemd, een stijl die door zijn Oosterse antecedenten bijzonder virtuoos is. Dat merk je nu nog in atelier Seguso, waar allerlei technieken door elkaar worden gebruikt. Het is verrassend te zien hoe glasblazers zowel de moderne als de antieke stijlen en technieken beheersen. Zo gaat de traditionele kennis niet verloren. De Vetreria Archimede Seguso werd in 1946 gesticht door de beroemdste telg van het geslacht: Archimede, een klinkende naam voor het Italiaanse glas van na de Tweede Wereldoorlog. Van de jaren '40 tot '70 runde hij een van de toonaangevende ateliers van het land. Enkele maanden geleden stierf hij op hoge leeftijd. Hij leerde het vak van zijn vader Antonio, die in de jaren '30 met Barovier was geassocieerd. Het glasatelier Seguso maakt zowel kroonluchters, servies, vazen als presse-papiers. De basisgrondstoffen zijn altijd dezelfde: zand, potas en soda. Dat materiaal ligt opgestapeld in een primitief laboratorium achter de werkplaats. Op het pleintje tussen beide gebouwen wordt het glasafval per kleur gestort. De kleurrijke resten worden gebruikt voor de aanmaak van nieuw glas. Het eerste werk van Antonio Seguso, kleinzoon van Archimede, die het bedrijf samen met zijn vader Gino voortzet, bestaat erin de glasovens te onderhouden. De dag voor de productie beslist hij welke kleuren op heel hoge temperatuur in de aparte ovens worden aangemaakt. Elke morgen is hij om vijf uur uit de veren om de gesmolten massa te controleren, ruim twee uur voor de glasblazers opdagen. De meesters worden bijgestaan door twee helpers die dikke glasdruppels uit de smeltoven halen. Ze zitten aan een tafel naast een andere, kleine oven waarin het glas na elke bewerking weer wordt opgewarmd. Met blaaspijpen vergroten ze het voorwerp en met tangen kneden ze de gloeiende massa. Dat gaat zeer snel. De meesters beschikken over een tekening en een voorbeeld dat ze zo accuraat mogelijk volgen. De piepkleine verschillen geven de voorwerpen meer charme. Elk stuk draagt ook sporen van de tangen en de blaaspijp. Na het blazen wordt het glaswerk van de pijp afgeknepen. De slijpers verwijderen het litteken en polijsten ook alle andere foutjes weg. Ten slotte worden de voorwerpen grondig gewassen en onderzocht op mankementen. Kandelaars en luchters worden in aparte ateliers geassembleerd. Hoewel het zwoegen is in dit ambacht, werken alle arbeiders ontspannen, en stappen ze zingend door het atelier terwijl ze gloeiende glasklompen draaien.Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde