In een proper gekasseid, oplopend straatje in het historische centrum van Mons bevindt zich een gebouw dat in 1930 door architect Vleugels werd opgetrokken, en waarin een van de eerste grootwarenhuizen van de stad een onderkomen zou vinden. L'Indépendance werd opgezet als een coöperatieve door de maatschappij van staatsagenten. Maar de tijden veranderen.
...

In een proper gekasseid, oplopend straatje in het historische centrum van Mons bevindt zich een gebouw dat in 1930 door architect Vleugels werd opgetrokken, en waarin een van de eerste grootwarenhuizen van de stad een onderkomen zou vinden. L'Indépendance werd opgezet als een coöperatieve door de maatschappij van staatsagenten. Maar de tijden veranderen. Wie er nu, en op afspraak, binnenloopt, waant zich in een surrealistisch universum waarin een grote wereldbol centraal staat, en de muren bezet zijn met duizenden houten archiefkastjes van een tijdloze schoonheid. Die kastjes bedekken ook de muren op de eerste verdieping en geven het geheel een geordend, maar niettemin wat morbide karakter. Ze zijn een uiting van de ambitie van twee heren die zich op het einde van de negentiende eeuw over een waanzinnig plan bogen : ze wilden een kaartensysteem opzetten dat verwees naar alle beschikbare kennis. Het waanzinnige is dat het plan ook grotendeels werd uitgevoerd. Achttien miljoen fiches getuigen daarvan, in de stilte van het half in het duister gehulde Mundaneum, dat sinds 1998 over de inmiddels versnipperde erfenis van de heren waakt. Paul Otlet werd in 1868 geboren als zoon van een succesvolle ondernemer die de wereld van trams voorzag. Toen Paul drie was, stierf zijn moeder en besloot zijn vader om hem gewoon thuis te laten opvoeden door privéleraars en vrienden. Omdat hij vond dat de school de natuurlijke ontplooiing van een kind in de weg stond. Die wat asociale aanpak maakte van zijn zoon een teruggetrokken jongen die veel tijd tussen de boeken doorbracht en pas op zijn twaalfde naar school werd gestuurd, waar hij al snel het postje van bibliothecaris op zich nam. Zijn vader spoorde hem aan om rechten te studeren, maar eens afgestudeerd, kwam hij nauwelijks aan de balie toe. Paul Otlet vertoefde het liefst tussen zijn boeken, en voedde daar zijn onblusbare nieuwsgierigheid naar wat er in de wereld rond hem gebeurde. En dat was niet weinig in een tijd waarin grote uitvindingen gedaan werden. Henri La Fontaine was uit geheel ander hout gesneden. De socialistische senator, die veertien jaar ouder was dan Otlet, was niet alleen een groot reiziger, maar ook een liefhebber van de muziek van Wagner, een bergbeklimmer en een vrijmetselaar die zich inzette voor een wereld waarin rechtvaardigheid, gelijkheid en vrede zouden heersen. Hij was een echte humanist die tal van internationale verenigingen zou oprichten die alle tot doel hadden de mensen nader tot elkaar te brengen en ze als elkaars gelijken te behandelen. Toen de twee elkaar ontmoetten gebeurde het onvermijdelijke : ze besloten alle bestaande informatie te inventariseren en richtten daartoe het Office Internationale de Bibliographie (OIB) op, waarin Paul Otlet zich volop kon uitleven omdat hij het klasseren als de hoogste geestelijke betrachting zag. Omdat hij ook nauwkeurigheid nastreefde en elk verschijnsel een nummer wilde geven, bedacht hij zelfs een eigen klasseringsmethode, de Classification Décimale Universelle, die een verfijndere versie wilde zijn van de bestaande methode die door de Amerikaan Melvin Dewey op poten was gezet. Het resultaat kon per definitie nooit af zijn, het was een nooit aflatende poging om de bronnen van alles wat beschreven was op fiches te zetten. De fiches die nu tegen de muren van het Mundaneum in Mons van zijn obsessie getuigen. En toch was dat slechts een eerste stap, want beide heren wilden vooral dat dit zoeksysteem avant la lettre voor iedereen beschikbaar zou zijn, en zagen dat als hun bijdrage tot de verspreiding van de kennis, die op zijn beurt zou leiden tot de wereldvrede. Omdat uit de kennis van andere culturen ook respect zou groeien voor elkaar. In 1910 waren zo'n tien miljoen fiches beschreven, maar de groei van de kennis en de wetenschap impliceerde dat ze onvermijdelijk door de tijd zouden worden ingehaald, omdat de snelheid van het verschijnen van nieuwe boeken de snelheid van het klasseren zou inhalen. En omdat Otlet intussen tot het besef was gekomen dat boeken alleen al slechts een stuk van de realiteit uitmaakten. Om die reden begon hij gelijk met het verzamelen van affiches, foto's, pamfletten, postkaarten en objecten, wat zijn taak alleen maar complexer maakte. De omvang van de zelf gegeven opdracht en de complexiteit ervan, noopte hem ertoe hulp te gaan zoeken bij de overheid. Hij droomde er immers van om een Palais Mondial op te zetten, waar al die informatie beschikbaar zou zijn, en later zelfs van een Wereldstad. De eerste plannen daarvoor werden in 1912 door de Noorse architect Hendrik Andersen op papier gezet, en ook Le Corbusier tekende zijn visie van wat helaas een utopie zou blijven. De regering stond niet weigerachtig tegenover de vraag naar logistieke hulp. Ze hoopte de zetel van de Volkerenbond naar Brussel te halen, en in dat kader zou een project voor een wereldstad niet misstaan. En van de vrede konden de Belgen inmiddels meepraten. Henri La Fontaine was in 1907 voorzitter van het Internationaal Bureau voor de Vrede geworden, nadat hij het instituut mede had opgericht. Hij woonde alle grote vredescongressen bij, en zes jaar later kreeg hij bovendien omwille van zijn nooit aflatende inzet de Nobelprijs voor de Vrede. De regering besloot het tweetal een vleugel van het Jubelparkpaleis toe te kennen, waar hun waanzinnige projecten een thuis zouden krijgen en beiden uiteindelijk zo'n zestig zalen zouden vullen met getuigenissen van een wereld die in haar technologische elan niet meer te stuiten leek. In het Mundaneum bekijken we een foto waarop vrouwen in lange rokken achter tafels met fiches hebben plaatsgenomen, terwijl tegen de muur de inmiddels vertrouwde archiefkastjes weer opduiken. Die werden door een immer perfectionistische Otlet eigenhandig ontworpen. Uitgaande van de bibliografische fiches van 12,5 op 7,5 cm werden lange laders getimmerd waarin ze perfect pasten. Die laders werden vervolgens in een op maat gemaakte kast ondergebracht, waarin zo'n 72 stuks pasten, met halverwege uittrekbare houten steunen waarop de medewerkers een lader konden laten rusten voor nader onderzoek. Onderzoekers uit de hele wereld konden per brief of via telegraaf hun vragen overmaken, waarna de informatie tegen een kleine vergoeding werd afgeleverd. 's Werelds eerste zoekmachine was een feit. Die informatie groeide echter zo snel dat Paul Otlet experimenteerde met een op papier gebaseerde computer, maar al snel zag hij het nutteloze van zijn pogingen in. Hij begreep al in de jaren dertig dat hij het papier moest vervangen door een nieuw medium, en ontwierp eigenhandig een visie van een wereldwijd netwerk van elektrische telescopen die de informatie zouden verspreiden. Niets minder dan een theoretische voorloper van het huidige internet. Kort daarop, in 1934, verloor de Belgische regering haar interesse voor het project, omdat ze het onderspit had moeten delven in de strijd om de zetel van de Volkerenbond binnen te halen. De bibliotheek zelf was intussen al een paar keer uit haar behuizing verjaagd, werd van hot naar haar verstuurd, waarbij telkens een deel van de collectie verloren ging, verzoop in doorregende opslagplaatsen. Ze werd zelfs gedeeltelijk in een bejaardentehuis en in de gangen van het metrostation Rogier gestationeerd. De wereldbibliotheek leek het lot van de wandelende Jood beschoren. En toen hoorde Jean-Paul Deplus, de huidige directeur van het Mundaneum, van een kennis, Jean-Pol Baras, over het lot van wat eens het intellectuele centrum van de wereld was geweest. Ze spraken er een andere kennis over aan, de toenmalige minister van Cultuur Elio Di Rupo. Die luisterde naar het verhaal en redde met één zin wat overbleef van het project : "On déménage tout à Mons." Gedurende maanden werden dozen, kaartenbakken en boeken op paletten geladen en vervolgens in vrachtwagens naar de Henegouwse hoofdstad gereden, waar ze eerst in een garage en vervolgens in het gebouw van l'Indépendance werden ondergebracht, waar het Mundaneum in 1998 onderdak kreeg. Wie er langsloopt, staat oog in oog met een work in progress, waarin enkele vlijtige medewerkers orde proberen te scheppen. Een schat aan materiaal dat zowel de persoonlijke archieven van de twee juristen bevat, alsook die van de internationale verenigingen die ze oprichtten. Maar ook de documenten van Léonie La Fontaine, zuster van, die haar leven wijdde aan het feminisme en medeoprichtster was van de gemengde loge Le Droit Humain. En dan is nog niets gezegd over de dagbladen, glazen fotoplaten, 200.000 postkaarten, affiches en ander materiaal met betrekking tot de vrede, het anarchisme, het feminisme en andere fenomenen waaraan de stichters zo gehecht waren. We zitten met vier mensen in een chaos van dozen en stapels, en besluiten dat het einde van de tunnel nauwelijks in zicht is. "On a sauvé le malade", merkt Deplus op, maar het grootste werk ligt nog voor de boeg. Er komt een nieuw gebouw, een betere organisatie van het werk, want tegen 2015, als Mons culturele hoofdstad wordt, moet alles in goede banen worden geleid. Ik voel enig scepticisme opwellen, maar ik zwijg. Want van moedeloosheid is hier geen sprake. En met reden. Een paar weken eerder heeft Google zelf erkend dat Otlet en La Fontaine de echte vaders van het internet zijn geweest, en om die reden hebben ze beloofd een helpende hand toe te steken. Paul Otlet en Henri La Fontaine kunnen een kleine zeven decennia na hun dood in vrede rusten. Het Mundaneum bevindt zich aan de Rue de Nimy 76 in 7000 Mons en kan op afspraak bezocht worden (065 31 53 43). Van 2 oktober 2012 tot en met 1 juli 2013 wordt de tentoonstelling 'Renaissance 2.0 - Knowledge One Click Away' er opgezet.Door Pierre Darge - Foto's Wouter Van VaerenberghIn de stilte van het Mundaneum speurt Pierre Darge naar de twee Belgische pioniers die een voorloper van het internet planden, en deels in hun opzet slaagden