Ieder is zo van zijn voordeel vervuld dat ik er mijn hele leven zou kunnen wonen zonder ooit door iemand opgemerkt te worden." Hoe vaak is een dergelijke bedenking al niet gemaakt over het 19de- en 20ste-eeuwse New York door schrijvers, journalisten, dichters, liedjesschrijvers, reizigers of brievenschrijvers? Toch gaat het bovenstaande citaat niet over New York. Het werd geschreven door de Franse filosoof René Descartes in 1635. Descartes had het over Amsterdam, het 17de-eeuwse gouden wentelteefje van Noord-Europa. Nieuw Amsterdam of New York stelde op dat ogenblik nog niet veel voor. Zelfs de meest megalomane onder de rijke Amsterdamse kooplieden, die toen hun surpluskapitaal met yuppie-onverschrokkenheid investeerden in riskante ontdekkingsreizen naar Amerika en verder, kan niet bij machte zijn geweest om zich het financiële bolwerk aan de Hudson van vandaag in te beelden.

Maar terug naar het 17de-eeuwse Amsterdam, waar ik al een hele maand over lees en naar kijk. In het Rijksmuseum ga ik in de rij staan voor De glorie van de Gouden Eeuw, een tentoonstelling van tweehonderd schilderijen uit de 17de eeuw. Het is een interessant, luxueus maar ook wat eenzijdig spektakel. Het doet een beetje denken aan de economische verslaggeving op de Amerikaanse televisie als Wall Street swingt. "Iedereen geniet mee van de overvloed" is dan de algemene teneur van de berichten. Dat is natuurlijk niet zo, en drie eeuwen geleden was dat evenmin het geval.

Wel viel er in het Amsterdam van toen, net zoals in het New York van nu, enorm veel geld te verdienen. Dat trekt immigranten aan. Tussen 1600 en 1650 kwamen er 100.000 mensen uit heel Europa naar Amsterdam. Iedereen, zo moet het wel geleken hebben, kon aan de slag. Maar over het leven van het werkvolk dat de boten timmerde, in de pakhuizen sjouwde, de grachtengordel aanlegde en de kerken bouwde, vernemen we ongeveer niets in De glorie van de Gouden Eeuw. Niemand van hen leefde in de glorieuze weelde die ons toelacht vanop de muren van het Rijksmuseum. Zelf woon ik ook tijdelijk in een straat waar het makkelijk is om hen te vergeten. Niets weet ik over de mensen wier handen mijn huis in het begin van de 17de eeuw hebben gebouwd, wier voeten het eeuwenoude marmer in de kelder hebben afgesleten, of wier rug pijn deed na een lange werkdag in de stoffige stapelruimte op de zolder die nu de comfortabele woonruimte is waar ik dit schrijf. Herengracht, Keizersgracht, Prinsengracht: de namen alleen al laten geen twijfel over welk soort bewoners de 17de-eeuwse stadsplanners in gedachten hadden.

Toch is mijn huis op de Herengracht nu ook weer niet zo chic. Het siersmeedwerk boven de zware voordeur is elegant, de marmeren vloer is hier en daar waardig gebarsten, maar wacht eens even... De brede deuren links leiden naar ruime kamers, maar de deuren rechts? Er is toch een ander huis aan die kant? Precies. De man die onze woonst liet bouwen moet rijk geweest zijn, maar toch ook weer niet zo rijk. Om zijn vrouw een plezier te doen of om zijn bezoekers te imponeren, liet hij dus drie valse deuren in de muur zetten die het huis groter doen lijken dan het is.

Een bezoekje aan het Museum Willet-Holthuysen op dezelfde gracht toont de stijl die de man inspireerde. Een dubbele trap leidt naar de voordeur. Bij deze gang verzinkt de onze in het niets. Het siersmeedwerk boven de enorme deur is twee keer zo groot als het onze. De gang is niet alleen breder maar ook een stuk langer dan de onze. Over de deuren links en rechts bestaat geen twijfel. Ze staan wagenwijd open en geven toegang tot reusachtige kamers met namen als de Balzaal en het Blauwe Salon. Het einde van de gang is, in tegenstelling tot het donkere keldertrapgat bij ons, een festijn van licht: een zonnige kamer vol vensters met uitzicht op een strenge 18de-eeuwse tuin in Franse stijl. Onze nogal wilde tuin is niet historisch correct, maar hij zou deze tuinkamer beter sieren. Maar goed. We zijn hier in De Gouden Bocht, zoals het duurste stuk van de Herengracht werd genoemd. Wie woonde in deze vier verdiepingen tellende kast? Een allegaartje van burgemeesters, bankiers en kooplieden en hun gezinnen: parvenues zonder zittend gat die al even graag verhuisden als de hedendaagse Amerikaan. Mevrouw Louise Willet-Holthuysen was de laatste in de rij. In 1861 trouwde ze met Abraham Willet. Zij was steenrijk en 37 jaar oud. Hij had geen echt beroep maar hield toch van kunst en siervoorwerpen verzamelen. Eens getrouwd, gooide hij alle remmen los. Hij reisde veel en kocht als bezeten dure spullen. Na zijn dood in 1880 bleef de kinderloze Louise in het huis, alleen met de kunstcollectie van haar man en een grote troep honden en katten. Toen ze in 1887 stierf, schonk ze het huis met inboedel aan de stad, op voorwaarde dat het een museum zou worden. Zoals dat meestal gaat in dit soort huismusea zijn de kamers van de dienstboden niet toegankelijk voor het publiek. Zoals in De Glorie van de Gouden Eeuw mogen we enkel zien hoe de rijken leefden.

Jacqueline Goossens (even niet) vanuit New York