Net na de Tweede Wereldoorlog was het Italiaanse design een leuk allegaartje met te gekke ontwerpers als Piero Fornasetti, Gio Ponti en Carlo Mollino. Ze namen graag een loopje met het strakke modernisme uit het noorden. De designwereld was min of meer in twee kampen verdeeld. Wie zwoer bij Le Corbusier of Mies van der Rohe vond die Italiaanse ontwerpen pure kitsch. Het heeft een hele poos geduurd voor deze ongewone stijl ook buiten Italië werd gewaardeerd. Behalve in de States, waar sommige designers ook een ongedwongen stijl hanteerden. Als reactie op de stroefheid van Ludwig Mies van der Rohe, Walter Gropius en Marcel Breuer kozen Charles & Ray Eames, Eero Saarinen, Harry Bertoia en Warren Platner ook voor losse, golvende vormen. Voor hen mocht het hedendaagse design er echt nieuw en vooral leuk uitzien. Ze voelden zich als Alexander Calder, de man van de beroemde mobielen, veeleer beeldhouwers die driedimensionaal dachten. Maar er zat meer achter hun visie. In tegenstelling tot rationalisten, als Gropius en Le Corbusier, die meenden dat de wereld vooral door technische vernieuwingen kon veranderen, vonden kunstenaars als Mollino dat dit ook kon via kunst en emotie.
...

Net na de Tweede Wereldoorlog was het Italiaanse design een leuk allegaartje met te gekke ontwerpers als Piero Fornasetti, Gio Ponti en Carlo Mollino. Ze namen graag een loopje met het strakke modernisme uit het noorden. De designwereld was min of meer in twee kampen verdeeld. Wie zwoer bij Le Corbusier of Mies van der Rohe vond die Italiaanse ontwerpen pure kitsch. Het heeft een hele poos geduurd voor deze ongewone stijl ook buiten Italië werd gewaardeerd. Behalve in de States, waar sommige designers ook een ongedwongen stijl hanteerden. Als reactie op de stroefheid van Ludwig Mies van der Rohe, Walter Gropius en Marcel Breuer kozen Charles & Ray Eames, Eero Saarinen, Harry Bertoia en Warren Platner ook voor losse, golvende vormen. Voor hen mocht het hedendaagse design er echt nieuw en vooral leuk uitzien. Ze voelden zich als Alexander Calder, de man van de beroemde mobielen, veeleer beeldhouwers die driedimensionaal dachten. Maar er zat meer achter hun visie. In tegenstelling tot rationalisten, als Gropius en Le Corbusier, die meenden dat de wereld vooral door technische vernieuwingen kon veranderen, vonden kunstenaars als Mollino dat dit ook kon via kunst en emotie. Dat neemt niet weg dat ook Mollino gretig gebruikmaakte van innovaties en bijvoorbeeld met plywood grillige vormen bedacht. De wervelende stijl uit Amerika kwam via de Triënnale van Milaan in 1951 naar Europa, waar ze in Gio Ponti en Carlo Mollino ontwerpers vond die op dezelfde golflengte zaten. Deze beweging, van een geordende stijlstroom kunnen we niet spreken, had overal invloed. Ook bij ons, Willy Van Der Meeren en Renaat Braem waren er even schatplichtig aan. Carlo Mollino was echter een buitenbeen die naderhand in de vergeethoek raakte. Ook al omdat hij vrij weinig meubelen ontwierp, die bovendien op beperkte schaal werden geproduceerd. Nu wordt hij opnieuw ontdekt. In zijn geboortestad Turijn loopt er momenteel een grote tentoonstelling, gebouwd door de auteurs van het kersverse naslagwerk dat bij Phaidon verscheen. Kortom, Mollino zit in de lift. Maar wie heruitgaven van zijn meubilair zoekt, komt van een kale reis terug, omdat er weinig wordt geproduceerd. Dat heeft wellicht meer te maken heeft met auteursrechten dan met de vraag, want die is groot genoeg. Het verhaal van enfant terrible Carlo Mollino (1905-'73) speelt zich af in de Noord-Italiaanse industriestad Turijn, waar zijn vader, Eugenio, een gewaardeerde ingenieur was. Carlo werkte trouwens een tijdje samen met zijn vader, op wie hij als twee druppels water leek en met wie hij een nauwe band onderhield. Carlo hoefde nooit echt zijn brood te verdienen, als telg uit een rijk geslacht kon hij het zich veroorloven enkel opdrachten aan te nemen die hem boeiden. Zonder compromissen te sluiten kon hij zijn pad kiezen. Carlo Mollino bewoog zich als een nomade door de artistieke wereld. Hij was van alles een beetje : ingenieur, architect, fotograaf, grafisch ontwerper, designer, ambachtsman en luchtacrobaat. Toen hij zijn carrière startte, was het ideeëngoed van de futuristen in Italië nog levendig. Die beweging ijverde voor een radicale cultuurhistorische breuk met het verleden en aanbad een technologisch hoogontwikkelde samenleving. De industriële producten werden tot kunst verheven. De jonge Carlo voelde daar aanvankelijk wel wat voor. Zo was hij niet alleen tuk op snelle wagens, maar ontwierp er ook, onder meer voor de 24 uur van Le Mans. Samen met zijn rechterhand, architect Carlo Graffi, bedacht hij in 1951 ook een knotsgekke publiciteitsbus voor een gasbedrijf. Vader en zoon Mollino waren fervente piloten. De vader ontwierp een zweeffiets à la Leonardo da Vinci en Carlo een helikopter in de vorm van een muis. Hij gaf ook enkele kleine vliegtuigen vorm en was een vermaarde luchtacrobaat. Een discipline die hij ook als een vormgever benaderde, want van zijn acrobatische loopings zijn er veel ontwerptekeningen bewaard. Voor de kleine technische details van een woning dokterde hij vaak originele oplossingen uit. Zoals in zijn eerste meesterwerk, het Millerhuis uit 1936, waar hij een kroonluchter ophing aan een kabelbaan. Mollino werd geen koele, zakelijke futurist. Hij was integendeel gek van horoscopen en las boeken over magie. Het wekt dan ook geen verwondering dat hij een stijl verafgoodde, die door de modernisten werd verguisd : de art nouveau. Hij was een fan van Gaudí. Veel van zijn meubelen zijn verwant aan de art-nouveaustijl, zoals de stoelen die hij in 1949 ontwierp voor de woning Rivetti en in 1955 voor de woning Provera. Ze zijn bovendien van hout, zijn geliefkoosde materiaal. Geboren in Turijn en opgegroeid aan de voet van de Alpen was hij weg van de traditionele houtarchitectuur van deze streek, waar hij oude boerderijen en schuren ging bestuderen. De grote skifanaat Mollino bouwde volgens de principes van die architectuur ook enkele fraaie skistations. Hij schreef trouwens ooit een handboek voor skiërs, waarvoor hij zelf prachtige foto's nam. Mollino had dus veel pijlen op zijn boog en putte uit verschillende bronnen. We vinden zelfs sporen van de Alpijnse houtbouw en de art nouveau terug in de prachtige tafels die hij in de jaren vijftig ontwierp met een houten onderstel en een glazen blad. Via vriendschappen onderhield Mollino wat contacten met de Italiaanse en Franse surrealisten. Door de glazen tafels en de vele decoratieve details van gips en schelpmotieven zagen zijn interieurs en meubelen er uitgesproken surrealistisch uit. Zijn eerste grote creatie, het Millerhuis uit 1936, leunt helemaal aan bij de decors van Cecil Beaton, Salvador Dalí en Jean Cocteau. Zijn surrealistische periode eindigde rond 1944, van toen af aan ging hij zich meer als een beeldhouwer gedragen. In die periode waren de woningen Minola en Orengo (1949) zijn belangrijkste creaties. Ondertussen werd Carlo een cultfiguur, ook op de architectuurschool in Milaan waar hij les gaf. Hij liet er zich bijvoorbeeld opmerken door met twee handen tegelijk voorbeelden te schetsen voor de studenten. Deze onstuimige tekenaar ontwierp in de jaren veertig enkele weelderige interieurs voor vrienden, waarvan het meubilair van erotische inspiratie was. Mollino was overigens gek van mooie vrouwen. In zijn eigen vrijgezellenflat verzamelde hij een grote verzameling lingerie. Hij ontwierp ook jurken met diep uitgesneden decolletés. Als fotograaf liet hij tientallen vrouwen naakt poseren op zijn stoelen en fauteuils. Die beelden verraden meteen de voornaamste inspiratiebron van zijn meubelen en bestekken : de golvende lijn van een vrouwenlichaam. Dat maakt hem tot de meest erotische ontwerper van de vorige eeuw. De jaren veertig en vijftig waren ongetwijfeld zijn vruchtbaarste periode. De meeste meubelen werden ontworpen voor een specifiek interieur, ze werden nooit serieproducten. Mollino ontwierp alles voor een woning, van de verlichting tot en met de muurkasten. De meubelen van het Albonicohuis (1944) hebben een bijna zuivere art-nouveaustijl. De woning van Gio en Ada Minola uit 1946 zag er eenvoudiger uit. Maar de iets later ontworpen woningen zijn belangrijker en daarvan is de stijl nog boeiender. De eerste creaties van net na de oorlog leden misschien wat onder de schaarste aan goederen in het land. Voor het Orengohuis (1949) ontwierp hij bijzondere fauteuils waarvan de houten armleuningen geïnspireerd zijn op walvisbeenderen. Mollino had al eerder geëxperimenteerd met gestroomlijnde silhouetten. Een groot deel van zijn meubelen kwam tot stand in het atelier van Apelli en Varesio in Turijn. In tegenstelling tot veel andere moderne designers werkte hij intensief samen met de ambachtslui van het atelier. Elk detail werd bestudeerd, tot en met de vorm van de vijzen. Mollino en zijn medewerkers werkten het liefst tijdens het weekend, als het stil was in het atelier en er geen nieuwsgierige blikken waren. Vervolgens stopten ze de prototypes onder dekens, tot het volgende weekend. De houten stoelen die hij in 1949 ontwierp voor de woning Rivetti behoren tot zijn 'meesterwerken'. In die tijd ontwierp hij ook schitterende bureaus en tafels, zoals de bijzonder zware en grote tafel voor de woning Provera uit 1955, met een glazen blad dat aan de randen manueel werd gehamerd. Het onderstel van dit meesterwerk herinnert ons even aan de art-nouveaumeubelen van de Luikse fabrikant Gustave Serrurier-Bovy. Uit 1950 stamt ook de salontafel met een onderstel van plywood, de zogenaamde arebeskentafel ontworpen voor de familie Ponti. Mollino had zich hiervoor geïnspireerd op een watergolf. Eerder had hij een radio op een onderstel van vier poten geplaatst, de bevroren looppas van een rennende hond. In de jaren veertig bouwde Mollino een aantal flatgebouwen met veel golvende glaspartijen en trappen, die eigenlijk al de internationale architectuurstijl van de jaren vijftig aankondigden. Maar hij realiseerde ook grote opdrachten, zoals de handelskamer van Turijn, opgetrokken tussen 1964 en '72, in een uitgesproken hedendaagse stijl. Ook het theater van Turijn, gebouwd na 1965, is modern en vrij organisch van structuur. Zijn stijl is veel eclectischer en gedurfder dan het meeste design van de twintigste eeuw. Precies zijn organische vormen maken hem weer populair bij de hedendaagse ontwerpers die voor eenzelfde aanpak kiezen. Door Piet Swimberghe