Ik bevind mij in het vernieuwde AfricaMuseum, waar de toiletten neutraal van geslacht zijn. Ik sta in zo'n toilet met een half dozijn vrouwen die verstoord naar mij kijken. Ik trek mijn wenkbrauwen op en draai mijn handpalmen naar boven, als teken dat ik niet van plan ben om onverhoeds mijn regenjas te openen. 'Deze toiletten zijn genderneutraal hè', hoor ik mijzelf zeggen. Dat woord klinkt dwaas als je het hardop uitspreekt. Opeens is het van levensbelang dat de geslachten elkaar kunnen horen sissen en klateren. Ik herinner me niet dat voor die prangende kwestie de stem van het volk gevraagd is. De vrouwen hebben gelukkig besloten mij in hun midden te dulden. 'Ik vind het verwarrend', zucht een van hen. 'Vooral als het niet wordt aangegeven met een logo.'

Saai is het ergste wat een komiek, en veruit elk mens, kan overkomen.

Dezelfde week mag ik gelukkig naar de film Stan & Ollie gaan kijken. De Dikke en de Dunne komen uit een tijd dat dames hun neus poederden in ruimtes waar geen heren waren toegelaten. Voor het eerst in vele jaren hoor ik Dance of the Cuckoos, het schelle deuntje waarmee elke sketch van ze opent. Te-rut-tut-tut te-rut-tut-tut! Ik weet niet veel over de Dikke en de Dunne. Ik heb ze stiekem altijd saai gevonden, met die oubollige bolhoeden. Saai is het ergste wat een komiek, en veruit elk mens, kan overkomen. Toch laat het weerzien mij niet onbewogen. Achter de grollen blijkt zich tragiek te hebben verscholen. Het succes verwaterde, naar het einde toe speelden Stan & Ollie voor dunbevolkte zalen. Steeds vaker kregen zij het compliment dat het zo dapper was dat zij bleven gáán, met altijd weer datzelfde oude materiaal. Het waren bloemen met de bloempot er nog aan. De Dikke kreeg last van dichtslibbende kransslagaders, zoals bij dikken - en soms ook bij dunnen - wel vaker het geval is.

Achter de grollen van de Dikke en de Dunne blijkt zich tragiek te hebben verscholen.

De dagen daarop betrap ik mij erop in verloren ogenblikken naar sketches te kijken van de Dikke en de Dunne. Ze spelen op trompetten, vallen van ladders, slaan gloeilampen stuk op elkaars hoofd en rijden met auto's dwars door cirkelzagen. Ze doen wat mensen hoofdzakelijk doen: elkaar ergeren. Het voert mij terug naar eenvoudiger tijden. Naar mijn grootvader die afwast in de achterkeuken en moet schaterlachen om de Dikke en de Dunne. De laatste tijd denk ik vaker dan vroeger aan de verwanten, katten, vrienden en goudvissen die mij verlaten hebben. Aan buren die Palmyre heetten. Ik heb het gevoel dat ze niet weg zijn, maar zich verstopt hebben. Opeens zullen ze weer opduiken en roepen: 'Fópje!' Als dat niet waar is, dan kan het mij toch troost verschaffen. Dus waarom zou ik het bekampen?

Soms ook denk ik aan stralen zon op lang vergeten muren, en aan Muhammad Ali. Mijn dochter van zes wil geen nieuwe kanarie. Ze is bang dat die de herinnering zal doen vervagen aan de oude, die al meer dan een jaar is uitgezongen. Soms schildert zij harten waarin zij zijn naam schrijft. Die trouw vind ik groots, in een wereld waarin naar believen geswipet wordt.

Na de dood van Ollie weigerde Stan koppig om samen te werken met een andere partner. Nog zeven jaar - tot hij zelf stierf - bleef hij grappen schrijven voor de Dikke en de Dunne.

jean-paul.mulders@knack.be