Met grote ogen word ik aangestaard door de onbekende vrouw tegenover mij in de trein. 'Wat is dat?' vraagt ze met een lichte paniek in haar stem. Ze kijkt naar de naald die ik net in mijn buik heb gestoken. Ik vertel haar dat ik diabetes heb en wijs naar mijn etui met insulinepennen. Een alledaags zicht is het inderdaad niet, een jong meisje met zoveel naalden. 'Dat zou ik echt niet kunnen', vervolgt de vrouw. Ze draait haar hoofd weg, terwijl ik denk: 'natuurlijk zou je dat kunnen, ik kan het toch ook?'
...

Met grote ogen word ik aangestaard door de onbekende vrouw tegenover mij in de trein. 'Wat is dat?' vraagt ze met een lichte paniek in haar stem. Ze kijkt naar de naald die ik net in mijn buik heb gestoken. Ik vertel haar dat ik diabetes heb en wijs naar mijn etui met insulinepennen. Een alledaags zicht is het inderdaad niet, een jong meisje met zoveel naalden. 'Dat zou ik echt niet kunnen', vervolgt de vrouw. Ze draait haar hoofd weg, terwijl ik denk: 'natuurlijk zou je dat kunnen, ik kan het toch ook?'Dit soort situaties ben ik inmiddels wel gewend. Bijna zes jaar geleden kreeg ik diabetes type 1. Zeventien was ik, de zomervakantie net begonnen. Al weken was ik non-stop moe en mijn dorst was niet te lessen. Uit voorzorg ging ik maar eens naar de dokter, waar mijn bloedsuiker zo hoog bleek te zijn dat ze hem niet konden meten. Tien minuten later was ik al onderweg naar het ziekenhuis. Gelukkig had ik mijn pyjama mee, want ik mocht meteen een week blijven. Dat was het begin van de meest intense vakantie van mijn leven. Ooit was ik namelijk zelf zoals die vrouw in de trein: ik durfde niet eens te kijken naar een naald. Plots moest ik leren om mezelf er meerdere keren per dag mee te injecteren. Dat verliep natuurlijk niet zonder slag of stoot. De eerste weken moest ik steeds al mijn moed verzamelen om vóór elke maaltijd een vingerprik te doen en insuline te spuiten. Het duurde vaak wel een kwartier voordat ik kon beginnen met eten. Ik schaamde me bovendien rot als ik mezelf buiten de deur moest injecteren en zocht dan het liefst een toilet op. Gelukkig werden de naalden na verloop van tijd normaal en leerde ik om mijn schaamte los te laten. Ook ontmoette ik andere diabetici, want ik sta er zeker niet alleen voor. Volgens de Internationale Diabetes Federatie (IDF) heeft maar liefst 1 op de 12 Belgen diabetes. In Nederland, waar ik vandaan kom, zijn de cijfers vergelijkbaar. Toch bestaan er nog altijd veel misverstanden over deze ziekte. Laat ik meteen het grootste misverstand uit de weg ruimen: als je diabetes krijgt is dat meestal niet je eigen schuld. Doordat we telkens uitspraken horen als 'Twee glazen cola per dag verdubbelt de kans op diabetes', zou je bijna gaan geloven dat alle diabetici de ziekte aan zichzelf te danken hebben. Om te begrijpen waar dit soort uitspraken vandaan komen is het belangrijk om te weten dat er twee soorten diabetes zijn: type 1 en 2. Meer dan negentig procent van alle diabetici heeft type 2. In dat geval werkt de insuline die je lichaam aanmaakt niet meer optimaal. Mensen met dit type kunnen door goede voeding en veel sport soms weer gezond worden. Mensen zoals ik, met type 1, kunnen dat niet. Wij hebben diabetes voor het leven, want ons lichaam maakt simpelweg geen insuline meer aan. Helaas worden beide types in de media vaak over één kam geschoren.Voor een heel klein deel van de diabetici met type 2 geldt wellicht dat ze de ziekte te danken hebben aan een ongezonde levensstijl. Toch kunnen de meeste mensen, waaronder alle type 1 patiënten, er helemaal niets aan doen. De ziekte wordt voor een groot deel genetisch bepaald en in mijn familie ben ik dan ook niet de enige diabeet. Ik eet gezond en sport genoeg, maar toch ontkwam ik er niet aan. Het was dikke pech.Een andere mythe is dat er zoiets bestaat als zware en minder zware diabetes. Als mensen een naald in mijn buik zien, gaan ze er soms vanuit dat ik vast hele zware diabetes heb. Gelukkig is dat niet zo, want zoiets bestaat niet. Je bent ziek of je bent het niet, daartussen is vrij weinig speling. Het enige verschil zit hem dus in de types. Wel kan de één meer moeite hebben om zijn bloedsuiker onder controle krijgen dan de ander. Elk lichaam heeft een eigen wil en daar valt niet mee te discussiëren. Zo komt een te lage bloedsuiker natuurlijk altijd op het verkeerde moment. Leg bij een sollicitatiegesprek maar eens uit dat je niet goed presteert omdat je suikers vervelend doen. Of probeer je vliegtuig nog te halen als de gate een kilometer verderop is en je bloedsuiker zegt dat je nú stil moet zitten, omdat je anders onderuit gaat...Een derde misverstand is dat je geen korrel suiker meer mag eten als je diabetes hebt. Er zijn genoeg mensen in mijn omgeving die geloven dat ik nooit meer een stuk taart mag proeven of schaamteloos een reep chocola zal wegwerken. Dat is niet zo, en gelukkig maar. Sterker nog, soms móet ik een stuk taart eten. Omdat mijn lichaam geen insuline meer aanmaakt, moet ik het zelf toedienen en dat gaat nogal eens fout. Dan spuit ik bijvoorbeeld teveel insuline, wat je kunt corrigeren door meer koolhydraten te eten. Een handige license to eat, al voel ik me op zo'n moment helaas wel miserabel. Het komt ook weleens voor dat ik gewoon zin heb in iets zoets. Dan spuit ik wat extra insuline. Het is niet de meest verstandige keuze, maar nooit eens zondigen vind ik ook maar saai. Af en toe een klontje suiker kan echt geen kwaad. Wij diabeten spuiten bovendien insuline voor alle soorten koolhydraten, niet alleen voor de snelle suikers. Elk mens heeft koolhydraten nodig, en wij dus ook. Heb je gasten met diabetes? Dan hoef je ze geen suikervrij gebakje voor te schotelen. Het is vast lief bedoeld, maar echt niet nodig. Als we toch de naald erbij pakken, spuiten we liever voor de real deal.Tot slot denken mensen soms dat diabeten zielige mensen zijn, die van alles niet meer mogen en kunnen. Gelukkig is ook dat niet waar: ik ben juist dankbaar dat ik vrijwel alles kan doen, laten en eten wat ik wil. Ook ben ik blij dat er zoiets bestaat als insulinepennen en bloedglucosemeters. Daarnaast zijn er veel wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van diabetes. Wie weet wordt er binnenkort zelfs een geneesmiddel gevonden. Tot die tijd zou ik zeggen: vraag me het hemd van het lijf - als je wil zien wat ik daaronder doe met al die naalden - maar zeg liever niet dat je zelf geen diabeet zou kunnen zijn. En geef me af en toe maar gewoon een taartje, daar word ik blij van.