Niet alleen de economie is geglobaliseerd, ook de ziekten. Als een epidemie zich wereldwijd verspreidt, spreken we van een pandemie, zoals bij het coronavirus nu. Veel pandemieën zijn zoönosen, infectieziekten die overgedragen worden van dieren op mensen. Voorbeelden daarvan zijn aids en ebola, veroorzaakt door gelijkaardige virussen bij apen. Soms fungeert een insect als tussenstation. Zo werden middeleeuwers massaal besmet door vlooienbeten, die de pestbacterie van ratten op de mens overbrachten.

Dit is het ideale moment om stil te staan bij de manier waarop vlees wordt geproduceerd

Recenter beleefde de Chinese stad Wuhan in december 2019 een opstoot van longontstekingen. Al snel konden onderzoekers het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 als ziekteverwekker isoleren. Vele patiënten bleken een dierenmarkt te hebben bezocht, waar naast kippen ook slangen en vleermuizen verkocht werden. Waarschijnlijk zijn die laatsten de overdragers: bij hen werd een coronavirus gevonden dat voor 95 procent gelijk is aan het menselijke.

Mensen eten zowat alles

Welke conclusie moeten we hieruit trekken? Dat we in elk geval voorzichtig moeten zijn met direct contact met exotische dieren. Zeker de consumptie van carnivoren zoals vleermuizen en apen, die in kolonies bij elkaar leven, is levensgevaarlijk. En toch is het, ondanks bijvoorbeeld het recente verbod op het eten van wilde dieren in China, door allerlei sociale en culturele obstakels niet evident om die consumptie snel te stoppen. In China bijvoorbeeld waren er tot de jaren 1960 golven van hongersnood met miljoenen doden tot gevolg. Daardoor doodden mensen deze dieren en aten ze op, uit gebrek aan andere eiwitbronnen. Zo ontstond in de Chinese volkskeuken de traditie om zowat alles wat leeft te slachten en op te eten.

Ook de vleesindustrie in Europa gaat niet vrijuit als het gaat over onveilige omgang met dierlijke producten. In het begin van de jaren 1990 kregen verschillende koeien in Groot-Brittannië meel gevoederd waarin naast hoeven, veren en kranten ook kadavers van zieke schapen en koeien werden verwerkt. Honderdduizenden koeien werden ziek: ze staarden, zakten door hun poten en stierven. De oorzaak van de hersenaantasting die daarvan aan de grondslag lag, werd gevonden in de dierlijke eiwitten in hun voer. Miljoenen koeien moesten afgeslacht worden, maar ondertussen hadden mensen vlees van zieke koeien gegeten.

Dergelijke situaties houden ook voor mensen risico's in, want sommige ziektekiemen kunnen op ons overgaan. Wie herinnert zich nog de paniek rond de 'vogelgriep' van 1997, toen een variant van het griepvirus in staat bleek van pluimvee over te springen naar mensen? Of de Mexicaanse griep in 2009, goed voor 17.483 sterfgevallen wereldwijd? Die laatste kreeg de naam 'varkensgriep' omdat een gelijkaardig influenzavirus bij varkens werd aangetroffen.

Ziektes zonder grenzen

De industriële veeteelt is niet alleen een ideale voedingsbodem voor gevaarlijke virussen, maar ook voor bacteriën. Hoe dichter grote hoeveelheden vee worden samengeperst in megastallen, hoe beter een infectie zich kan verspreiden onder verzwakte dieren.

De oplossing volgens de industriële veeteelt? Er pakken antibiotica tegenaan smakken. De helft van alle antibiotica ter wereld wordt vandaag gebruikt in de veehouderij. Amerikaanse boeren gaan daar zelfs nog verder in: omdat de medicijnen in voeding voor vijf tot vijftien procent extra slachtgewicht zorgen, gaat in de Verenigde Staten zelfs drie kwart van alle antibiotica richting slachtvee.

We weten - dat massa's mensen in een gesloten ruimte een broeihaard vormen voor ziektekiemen, en toch is dat precies hoe heel wat dieren vandaag gehouden worden

Deze wanpraktijken zijn in Europa gelukkig verboden. Europese boeren moeten aan allerlei regels voldoen, klinkt het. Zo voorziet de Europese wetgeving een maximale residulimiet (MRL) voor antibiotica. Wanneer een veehouder het toch gebruikt, moet hij daarna een wachttermijn voor het slachten in acht nemen. Directe op boeren gerichte reclame voor antibioticagebruik is verboden. Maar dat blijkt allemaal slechts theorie.

In de praktijk daalt het antibioticagebruik in de veehouderij sinds 2007 inderdaad met een derde, maar daarmee zit België nog steeds bij de koplopers in Europa. In 2010 werden er maar liefst 89 ton sulfamiden, 80 ton penicilline en 74 ton tetracyclines toegediend. Nog steeds bestaat de slechte gewoonte om de hele kudde te behandelen wanneer slechts enkele dieren ziek zijn.

Ook de vis op ons bord ontsnapt niet aan industriële massaproductie. De Schotse westkust is volgestouwd met de viskwekerijen van vier grote maatschappijen: Marine Harvest, Sea Farms, Lighthouse Caledonia en Grieg Seafood Hjaltland, alle vier genoteerd op de beurs van Oslo. De vissen zitten op elkaar gepakt in kooien en zijn dus erg gevoelig voor ziektes. Een luizenplaag? Dan haalt de kweker insecticiden boven. Infecties? Daar zijn de antibiotica.

Resistente bacteriën

Dikwijls argumenteert de voedingsindustrie dat de dosissen antibiotica in vlees miniem zijn en dus onschadelijk, maar dat is niet zo. Het massaal gebruik ervan in de vleesindustrie is een van de oorzaken dat steeds meer bacteriën resistent worden aan antibiotica. Vandaag wordt het jaarlijks aantal doden in de Europese Unie door superresistente microben geschat op 25.000, met een kostenplaatje van 1,5 miljard euro per jaar. Voorlopig gebeurt de besmetting alleen door rechtstreeks contact met de resistente bacterie of door het eten van besmet voedsel. Maar het gevaar dat om de hoek loert, is dat sommige bacteriën rechtstreeks overgaan van dier op mens en... van mens op mens. Dat zou een wereldramp betekenen.

Een stal waarin kuikens worden opgekweekt tot slachtrijpe leeftijd., Getty
Een stal waarin kuikens worden opgekweekt tot slachtrijpe leeftijd. © Getty

De massaproductie van vee houdt nog andere gevaren in. Veel vee betekent dat er veel voeder nodig is. De geschiedenis heeft ons al meermaals geleerd dat de productie daarvan ervoor kan zorgen dat er toxische stoffen in de voedselketen terechtkomen. België zag zich in 1999 geconfronteerd met zo'n schandaal. Toen bleek dat er pcb's en dioxine - stoffen die zelfs in minuscule hoeveelheden kankerverwekkend zijn - uit transformatorolie terecht was gekomen in diervoeder. Massa's besmet kippen- en varkensvlees, zuivelproducten en eieren moesten uit de rekken verwijderd worden. Zeven miljoen kippen en 60.000 varkens moesten vernietigd worden en de productie in 2000 landbouwbedrijven werd voor maanden geblokkeerd.

Geld laat de wereld draaien

In de voortdurende zoektocht naar winstgevende investeringen liet de bankensector met Goldman Sachs op kop op het einde van de twintigste eeuw haar oog vallen op de grootschalige landbouw. Ze voorspelde dat daar nog veel winst te rapen viel en beleggers investeerden massaal in de agrobusiness: van productie over verwerking tot consumptie. Door de toestroom van kapitaal kent de business tot vandaag een razendsnelle uitbreiding. De grote voedselbedrijven slokken de kleinere op. Die trend heeft zelfs een nieuwe naam gekregen: foodopoly.

De vier grootste agromultinationals (Cargill, Tyson Foods, BRF en Alltech) controleren samen ongeveer 42 procent van de wereldvoedselmarkt, 82 procent van het rundvlees, 63 procent van het varkensvlees en 53 procent van de braadkippen. De Amerikaanse vleesindustrie had in 2011 een omzet van 186 miljard dollar, meer dan het bnp van Hongarije. De vlees- en visindustrie zijn beursgenoteerde multinationals en op de beurs geldt meer dan waar ook het parool van de maximale winstcijfers. De consequentie: niet het gezondste voedsel produceren, maar het voedsel dat de meeste profijt oplevert. Ondertussen vormt de concentratie van slachtvee in megastallen een steeds groter probleem voor de volksgezondheid.

En nu?

Gelukkig is de medische wetenschap er flink op vooruitgegaan. We hebben antibiotica tegen bacteriën en vaccins tegen virussen. Daarmee hebben we vele pandemieën bedwongen of zelfs uit de wereld geholpen. Helaas vergt de ontwikkeling van een vaccin erg veel tijd en worden stilaan meer bacteriën resistent worden tegen antibiotica. Gelukkig kunnen we ook zelf de koe bij de horens vatten.

Een gemiddelde Belg verorbert in zijn leven naar schatting 1800 dieren (891 kippen, 789 vissen, 42 varkens, 7 schapen, 5 runderen, 24 konijnen, 43 kalkoenen en een derde van een paard). Per jaar peuzelen alle Belgen samen 247,5 miljoen dieren op. In elk geval veel te veel. Toegegeven: het vleesverbruik van de Belgen daalde de afgelopen jaren significant. Op dit moment eten we 72 kilogram vlees per jaar, of meer dan een kilogram per week. Als medisch advies geldt 300 gram.

Een gediversifieerde, kleinschalige en ecologische landbouw biedt niet alleen een oplossing voor de klimaat- en biodiversiteitscrisis, maar ook voor de volksgezondheid

Zoals regeringen nu massale en ingrijpende maatregelen nemen om een catastrofe door de corona-epidemie te vermijden, hebben zij ook de macht om een koerswijziging door te voeren op vlak van veeteelt. Daartoe werden eerder al stappen ondernomen. In 2008 stelden vierhonderd wetenschappers uit vijftig landen voor de Verenigde Naties samen het IAASTD-rapport op (International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development), dat openlijk pleit voor agro-ecologie en boerenlandbouw als de beste investering in voedselveiligheid op lange termijn. Het rapport kwam tot stand door de samenwerking van beleidsmakers, industrie, consumenten, wetenschappers, boeren, ngo's en andere middenveldorganisaties. Hun besluit was duidelijk: een gediversifieerde, kleinschalige en ecologische landbouw biedt niet alleen een oplossing voor de klimaat- en biodiversiteitscrisis, maar ook voor de volksgezondheid. De boodschap is helder, maar toch blijven regeringen zweren bij een politiek die het grootschalig industrieel model van voedselproductie ondersteunt en zelfs promoot.

De twee bronnen van rijkdom - de natuur en de menselijke arbeid - staan vandaag in dienst van kapitaalaccumulatie. Dat is een absurde situatie als je kijkt naar de catastrofale gevolgen op sociaal en ecologisch vlak. In feite moeten we terugkeren naar het principe dat niemand eigenaar is van de aarde, zeker niet de agro-business, maar dat we samen het tijdelijke vruchtgebruik hebben gekregen. Dat houdt in dat we de aarde in een goede staat moeten doorgeven aan de volgende generaties. Onze eigen boeren met een agro-ecologisch model zijn daarvoor de beste garantie. De aarde in vruchtgebruik hebben, betekent ook dat we de relatie tussen de menselijke arbeid en de natuur moeten herstellen. Daar ligt de sleutel om nog desastreuzere pandemieën te voorkomen.

We weten dat massa's mensen in een gesloten ruimte een broeihaard vormen voor ziektekiemen, en toch is dat precies hoe heel wat dieren vandaag gehouden worden. Daarom vormt de industriële veeteelt een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is hoog tijd dat de mensheid, en vooral het rijkere deel ervan, zich begint af te vragen wat ze zal aanvangen met de massale vleesproductie en -consumptie.

Staf Henderickx, Lommel, 15 maart, 2020.

Niet alleen de economie is geglobaliseerd, ook de ziekten. Als een epidemie zich wereldwijd verspreidt, spreken we van een pandemie, zoals bij het coronavirus nu. Veel pandemieën zijn zoönosen, infectieziekten die overgedragen worden van dieren op mensen. Voorbeelden daarvan zijn aids en ebola, veroorzaakt door gelijkaardige virussen bij apen. Soms fungeert een insect als tussenstation. Zo werden middeleeuwers massaal besmet door vlooienbeten, die de pestbacterie van ratten op de mens overbrachten. Recenter beleefde de Chinese stad Wuhan in december 2019 een opstoot van longontstekingen. Al snel konden onderzoekers het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 als ziekteverwekker isoleren. Vele patiënten bleken een dierenmarkt te hebben bezocht, waar naast kippen ook slangen en vleermuizen verkocht werden. Waarschijnlijk zijn die laatsten de overdragers: bij hen werd een coronavirus gevonden dat voor 95 procent gelijk is aan het menselijke. Welke conclusie moeten we hieruit trekken? Dat we in elk geval voorzichtig moeten zijn met direct contact met exotische dieren. Zeker de consumptie van carnivoren zoals vleermuizen en apen, die in kolonies bij elkaar leven, is levensgevaarlijk. En toch is het, ondanks bijvoorbeeld het recente verbod op het eten van wilde dieren in China, door allerlei sociale en culturele obstakels niet evident om die consumptie snel te stoppen. In China bijvoorbeeld waren er tot de jaren 1960 golven van hongersnood met miljoenen doden tot gevolg. Daardoor doodden mensen deze dieren en aten ze op, uit gebrek aan andere eiwitbronnen. Zo ontstond in de Chinese volkskeuken de traditie om zowat alles wat leeft te slachten en op te eten. Ook de vleesindustrie in Europa gaat niet vrijuit als het gaat over onveilige omgang met dierlijke producten. In het begin van de jaren 1990 kregen verschillende koeien in Groot-Brittannië meel gevoederd waarin naast hoeven, veren en kranten ook kadavers van zieke schapen en koeien werden verwerkt. Honderdduizenden koeien werden ziek: ze staarden, zakten door hun poten en stierven. De oorzaak van de hersenaantasting die daarvan aan de grondslag lag, werd gevonden in de dierlijke eiwitten in hun voer. Miljoenen koeien moesten afgeslacht worden, maar ondertussen hadden mensen vlees van zieke koeien gegeten.Dergelijke situaties houden ook voor mensen risico's in, want sommige ziektekiemen kunnen op ons overgaan. Wie herinnert zich nog de paniek rond de 'vogelgriep' van 1997, toen een variant van het griepvirus in staat bleek van pluimvee over te springen naar mensen? Of de Mexicaanse griep in 2009, goed voor 17.483 sterfgevallen wereldwijd? Die laatste kreeg de naam 'varkensgriep' omdat een gelijkaardig influenzavirus bij varkens werd aangetroffen.De industriële veeteelt is niet alleen een ideale voedingsbodem voor gevaarlijke virussen, maar ook voor bacteriën. Hoe dichter grote hoeveelheden vee worden samengeperst in megastallen, hoe beter een infectie zich kan verspreiden onder verzwakte dieren.De oplossing volgens de industriële veeteelt? Er pakken antibiotica tegenaan smakken. De helft van alle antibiotica ter wereld wordt vandaag gebruikt in de veehouderij. Amerikaanse boeren gaan daar zelfs nog verder in: omdat de medicijnen in voeding voor vijf tot vijftien procent extra slachtgewicht zorgen, gaat in de Verenigde Staten zelfs drie kwart van alle antibiotica richting slachtvee.Deze wanpraktijken zijn in Europa gelukkig verboden. Europese boeren moeten aan allerlei regels voldoen, klinkt het. Zo voorziet de Europese wetgeving een maximale residulimiet (MRL) voor antibiotica. Wanneer een veehouder het toch gebruikt, moet hij daarna een wachttermijn voor het slachten in acht nemen. Directe op boeren gerichte reclame voor antibioticagebruik is verboden. Maar dat blijkt allemaal slechts theorie. In de praktijk daalt het antibioticagebruik in de veehouderij sinds 2007 inderdaad met een derde, maar daarmee zit België nog steeds bij de koplopers in Europa. In 2010 werden er maar liefst 89 ton sulfamiden, 80 ton penicilline en 74 ton tetracyclines toegediend. Nog steeds bestaat de slechte gewoonte om de hele kudde te behandelen wanneer slechts enkele dieren ziek zijn. Ook de vis op ons bord ontsnapt niet aan industriële massaproductie. De Schotse westkust is volgestouwd met de viskwekerijen van vier grote maatschappijen: Marine Harvest, Sea Farms, Lighthouse Caledonia en Grieg Seafood Hjaltland, alle vier genoteerd op de beurs van Oslo. De vissen zitten op elkaar gepakt in kooien en zijn dus erg gevoelig voor ziektes. Een luizenplaag? Dan haalt de kweker insecticiden boven. Infecties? Daar zijn de antibiotica.Dikwijls argumenteert de voedingsindustrie dat de dosissen antibiotica in vlees miniem zijn en dus onschadelijk, maar dat is niet zo. Het massaal gebruik ervan in de vleesindustrie is een van de oorzaken dat steeds meer bacteriën resistent worden aan antibiotica. Vandaag wordt het jaarlijks aantal doden in de Europese Unie door superresistente microben geschat op 25.000, met een kostenplaatje van 1,5 miljard euro per jaar. Voorlopig gebeurt de besmetting alleen door rechtstreeks contact met de resistente bacterie of door het eten van besmet voedsel. Maar het gevaar dat om de hoek loert, is dat sommige bacteriën rechtstreeks overgaan van dier op mens en... van mens op mens. Dat zou een wereldramp betekenen. De massaproductie van vee houdt nog andere gevaren in. Veel vee betekent dat er veel voeder nodig is. De geschiedenis heeft ons al meermaals geleerd dat de productie daarvan ervoor kan zorgen dat er toxische stoffen in de voedselketen terechtkomen. België zag zich in 1999 geconfronteerd met zo'n schandaal. Toen bleek dat er pcb's en dioxine - stoffen die zelfs in minuscule hoeveelheden kankerverwekkend zijn - uit transformatorolie terecht was gekomen in diervoeder. Massa's besmet kippen- en varkensvlees, zuivelproducten en eieren moesten uit de rekken verwijderd worden. Zeven miljoen kippen en 60.000 varkens moesten vernietigd worden en de productie in 2000 landbouwbedrijven werd voor maanden geblokkeerd. In de voortdurende zoektocht naar winstgevende investeringen liet de bankensector met Goldman Sachs op kop op het einde van de twintigste eeuw haar oog vallen op de grootschalige landbouw. Ze voorspelde dat daar nog veel winst te rapen viel en beleggers investeerden massaal in de agrobusiness: van productie over verwerking tot consumptie. Door de toestroom van kapitaal kent de business tot vandaag een razendsnelle uitbreiding. De grote voedselbedrijven slokken de kleinere op. Die trend heeft zelfs een nieuwe naam gekregen: foodopoly. De vier grootste agromultinationals (Cargill, Tyson Foods, BRF en Alltech) controleren samen ongeveer 42 procent van de wereldvoedselmarkt, 82 procent van het rundvlees, 63 procent van het varkensvlees en 53 procent van de braadkippen. De Amerikaanse vleesindustrie had in 2011 een omzet van 186 miljard dollar, meer dan het bnp van Hongarije. De vlees- en visindustrie zijn beursgenoteerde multinationals en op de beurs geldt meer dan waar ook het parool van de maximale winstcijfers. De consequentie: niet het gezondste voedsel produceren, maar het voedsel dat de meeste profijt oplevert. Ondertussen vormt de concentratie van slachtvee in megastallen een steeds groter probleem voor de volksgezondheid.Gelukkig is de medische wetenschap er flink op vooruitgegaan. We hebben antibiotica tegen bacteriën en vaccins tegen virussen. Daarmee hebben we vele pandemieën bedwongen of zelfs uit de wereld geholpen. Helaas vergt de ontwikkeling van een vaccin erg veel tijd en worden stilaan meer bacteriën resistent worden tegen antibiotica. Gelukkig kunnen we ook zelf de koe bij de horens vatten.Een gemiddelde Belg verorbert in zijn leven naar schatting 1800 dieren (891 kippen, 789 vissen, 42 varkens, 7 schapen, 5 runderen, 24 konijnen, 43 kalkoenen en een derde van een paard). Per jaar peuzelen alle Belgen samen 247,5 miljoen dieren op. In elk geval veel te veel. Toegegeven: het vleesverbruik van de Belgen daalde de afgelopen jaren significant. Op dit moment eten we 72 kilogram vlees per jaar, of meer dan een kilogram per week. Als medisch advies geldt 300 gram. Zoals regeringen nu massale en ingrijpende maatregelen nemen om een catastrofe door de corona-epidemie te vermijden, hebben zij ook de macht om een koerswijziging door te voeren op vlak van veeteelt. Daartoe werden eerder al stappen ondernomen. In 2008 stelden vierhonderd wetenschappers uit vijftig landen voor de Verenigde Naties samen het IAASTD-rapport op (International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development), dat openlijk pleit voor agro-ecologie en boerenlandbouw als de beste investering in voedselveiligheid op lange termijn. Het rapport kwam tot stand door de samenwerking van beleidsmakers, industrie, consumenten, wetenschappers, boeren, ngo's en andere middenveldorganisaties. Hun besluit was duidelijk: een gediversifieerde, kleinschalige en ecologische landbouw biedt niet alleen een oplossing voor de klimaat- en biodiversiteitscrisis, maar ook voor de volksgezondheid. De boodschap is helder, maar toch blijven regeringen zweren bij een politiek die het grootschalig industrieel model van voedselproductie ondersteunt en zelfs promoot.De twee bronnen van rijkdom - de natuur en de menselijke arbeid - staan vandaag in dienst van kapitaalaccumulatie. Dat is een absurde situatie als je kijkt naar de catastrofale gevolgen op sociaal en ecologisch vlak. In feite moeten we terugkeren naar het principe dat niemand eigenaar is van de aarde, zeker niet de agro-business, maar dat we samen het tijdelijke vruchtgebruik hebben gekregen. Dat houdt in dat we de aarde in een goede staat moeten doorgeven aan de volgende generaties. Onze eigen boeren met een agro-ecologisch model zijn daarvoor de beste garantie. De aarde in vruchtgebruik hebben, betekent ook dat we de relatie tussen de menselijke arbeid en de natuur moeten herstellen. Daar ligt de sleutel om nog desastreuzere pandemieën te voorkomen. We weten dat massa's mensen in een gesloten ruimte een broeihaard vormen voor ziektekiemen, en toch is dat precies hoe heel wat dieren vandaag gehouden worden. Daarom vormt de industriële veeteelt een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is hoog tijd dat de mensheid, en vooral het rijkere deel ervan, zich begint af te vragen wat ze zal aanvangen met de massale vleesproductie en -consumptie. Staf Henderickx, Lommel, 15 maart, 2020.