Schrijver Lieven Stoefs: ‘Mijn ouders hebben volgens mij mijn boek nog niet gelezen, maar dat is oké’

© Karen Eloot

Lieven Stoefs (39), ingenieur bij Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) en sinds kort schrijver. Zijn geprezen roman Peninsula is een familieportret van vier generaties waarin zijn verbeelding versmelt met herinneringen aan zijn tumultueuze jeugd.

“Mijn boek is geen afrekening, zo zit ik niet in elkaar. De werkelijkheid is ook niet zwart-wit, maar een verhaal van liefde en duisternis, zoals Amos Oz het zo juist zei. Mijn ouders zaten vol goede intenties en gaven mijn broers, zus en mij materieel alles wat we konden dromen. Van mijn moeder kreeg ik een oog voor kunst, van mijn vader een analytische geest. Tegelijk gaapte er een enorme leegte. Er was verslaving, schuld, angst – wat me als kind de adem afsneed. Ik hoorde thuis nauwelijks woorden, maar voelde eens zo veel gedachten en codes. Het werd tijd, vond ik, om het taboe rond de ellende te doorbreken en de verdrukkende stilte in te ruilen voor met precisie gekozen woorden.

Maar die taal haperde aanvankelijk. Doordat we van mijn zesde tot twaalfde in Griekenland woonden en ik in het Engels les kreeg, was ik lang onzeker over mijn Nederlands. Ik buisde er weleens voor en miste dus de instrumenten om uiting te geven aan het literaire dat wel al in mij zat – terwijl ik iets als mechanica blokte, beloonde ik mezelf met romans lezen. Er zat ook een emotionele rem op mijn schrijven, het lag allemaal zo gevoelig.

Tot ik een interview met David Grossman las, de auteur van mijn lievelingsboek Een vrouw op de vlucht voor een bericht. Daarin gaat de moeder van een soldaat wandelen omdat ze geen fatale tijding wil krijgen. Des te wranger is het dat tijdens het schrijven Grossmans eigen zoon Uri sneuvelde. Toen hij kort nadien in Leuven een eredoctoraat kreeg, oogde hij gebroken, maar hij bleef minzaam en is tot vandaag een pacifist. Dat raakt me.

De tumultueuze getijden van mijn jeugd sleuren soms nog aan mij, maar in het schrijven vond ik mijn hyperpersoonlijke draad.

In dat interview zei hij over het eerste verhaal dat hij ooit schreef: ‘I found a thread and felt, for the first time in my life, that if I follow it I’ll find my way in the world.’ Die zin deed iets in mij hevig vibreren omdat hij precies de juiste frequentie raakte – in de fysica noemen ze dat resonantie. Ik besefte plots dat ook voor mij schrijven een leidraad in het leven kon zijn, en dus begon ik het eindelijk te doen, eerst star en heimelijk, in een bijna onleesbaar miniatuurschrift, maar de aanzet was gemaakt.

Het viel samen met de dood van mijn zachte, wijze grootmoeder, aan wie Peninsula een ode is. Ze had altijd lekker eten klaarstaan en bij haar kon ik lezen zonder bang te zijn voor wat er kon ontsporen. Het is gek dat ik haar een baken kan noemen zonder dat we ooit een filosofisch gesprek hadden, bijvoorbeeld over de oorlog die haar gehard en verbitterd heeft, denk ik. Daarom schrijf ik: ‘Alleen de rimpelingen in het water zien we, nooit de inslag.’ Naar de oorzaak van familietrauma’s heb je het raden, maar ze zetten zich door. Dit boek is er dus ook om mijn drie kinderen iets van hun geschiedenis te vertellen. De reacties zijn overdonderend; één tante bewoog me tot tranen toe. Mijn ouders hebben het volgens mij nog niet gelezen, maar dat is oké.

De tumultueuze getijden van mijn jeugd sleuren soms nog aan mij, maar in het schrijven vond ik mijn hyperpersoonlijke draad. Iedereen kan die vinden, denk ik. Een bakkersstudent die zijn eerste brood kneedt, ervaart wellicht dezelfde resonantie en krijgt hopelijk datzelfde gevoel: dat er nog stormen kunnen razen, dat je op een dag misschien amper twee vingers en een rafelig touw hebt, maar dat als je het vasthoudt, je de weg vindt naar warmte en schoonheid.”

Partner Content