Bent Van Looy over zijn hypochondrie: ‘Ik weet wat de anderen in de wachtkamer niet zien: hier zit iemand met een levensbedreigende ziekte’

'Op de sofa', verhalenbundel van Das Mag over hoe mensen therapie ervaren
Vrije Tribune
Vrije Tribune Hier geven we een forum aan organisaties, columnisten en gastbloggers

De bundel ‘Op de sofa’ verzamelt dertien essays over therapie en het leven. De bundeling openhartige verhalen werd samengesteld door Maurits De Bruijn bij Das Mag. Bent Van Looy is een van de auteurs die zijn ervaringen deelt. Lees zijn bijdrage hier in voorpublicatie.

Op 5 december verschijnt het boek ‘Op de sofa’. Je kunt het lezen als een inzichtelijk staaltje therapie vanuit de leesstoel, ook voor wie (nog) nergens last van heeft.

Mensen spitten naar hartenlust in hun zielenroerselen onder professionele, en soms ook minder professionele begeleiding. Dat wroeten gebeurt gewoonlijk achter gesloten deuren, terwijl er voor buitenstaanders zoveel valt te leren over de psychische perikelen van anderen. Daarom vroeg Maurits de Bruijn dertien schrijvers naar hun belevenissen. Bent Van Looy is één van de 13 auteurs die hun ervaringen op de sofa delen. In zijn essay ’Niet nu doodgaan’ heeft hij het over zijn doodsangst en denkbeeldige ziektes.

‘Niet nu doodgaan’

De gruyèregaten in mijn brein worden groter, zoveel is nu zeker. Ik kan het zachte knisperen van het wegrottende hersenschors zelfs horen, onder mijn rechterslaap op het veel te warme kussen, gevuld met oude ganzenveren. Ik heb de gekkekoeienziekte en ik ga sterven.

Ik had kunnen weten dat het hierop zou uitdraaien, toen de spieren van mijn ledematen afwisselend stram en gevoelloos werden, eergisteren op de bank. Eerst had ik nog geboeid zitten kijken naar de avonturen van agent Cooper en zijn vriend sheriff Harry, ze waren op weg naar een houtzagerij aan de rand van het slaperige stadje Twin Peaks. Hun goedgemutste fiftiesachtige oneliners hadden me zelfs aan het grinniken gebracht, maar nu was het lachen mij vergaan.

Ik heb het te pakken. Natuurlijk heb ik het te pakken. Hoe kon het ook anders. Met al die plastic bakjes filet americain preparé die ik ’s middags haalde bij de Unic en gretig uitsmeerde over mijn middagboterhammen.

Er was iets in mijn been geschoten, een vreemde kramp, anders dan spierpijn: zeurderig en diep. Ik hoorde de fluwelen synthesizer van Angelo Badalamenti niet meer, alleen het gedempte klikken van de vhs-band in de videorecorder en het bonzen van mijn bloed.

Ik heb het te pakken. Natuurlijk heb ik het te pakken. Hoe kon het ook anders. Met al die plastic bakjes filet americain preparé die ik ’s middags haalde bij de Unic en gretig uitsmeerde over mijn middagboterhammen. En de biefstukjes waaraan E en ik ons te buiten gingen wanneer er wat geld op de plank was, gebakken in bruine Solo-boter, die we likkebaardend opsopten met gekookte aardappelen. De jus des doods. Boordevol creutzfeldt-jakob zaten ze natuurlijk, die stukken spierweefsel van radeloos in het rond tollende runderen die, met het schuim op de snuit, tegenstribbelend naar het slachthuis gevoerd waren, het delirium van de waanzin zichtbaar in het wit van hun wegdraaiende oogbollen. Zo zot als een achterdeur. Saignant gebakken.

Naast mij ligt E rustig te ademen, het lantaarnlicht van de speelplaats achter ons huis valt door het gordijn over het zware donsdeken. Ik lig klaarwakker naar een scheur in het behang te kijken en som onophoudelijk het verloop van de symptomen op. Spierpijn: check. Ongecontroleerde bewegingen: check. Vergeetachtigheid: check. Een verminderde interesse in de omgeving: check.

Nu gemuteerde proteïnen zich razendsnel een weg door mijn hersenen aan het vreten zijn is er geen tijd te verliezen. Kan dit nog wachten tot na het weekend? Dan is dokter Coupez terug van vakantie. Of moet ik onmiddellijk naar de spoed? Zal ik E wakker maken? Ik kan me niet verroeren, mijn ledematen zijn krachteloze hompen vlees op het dekbed. Die verdomde lethargie ook, een van de belangrijkste symptomen van creutzfeldt-jakob. Check.

Ze sneed een cake in plakjes. En op dat moment kreeg ik kanker. Ik vertelde het aan niemand, want dat woord uitspreken zou het nog echter maken dan het al was.

De wachtkamer van dokter Coupez ligt achter een brutalistische baksteengevel die gebouwd moet zijn in de vroege jaren tachtig. Ook binnenshuis lopen de snelbouwstenen door, ik ken ze goed, ze geven me troost.

Dokter Coupez, of zijn echtgenote, heeft ervoor gekozen om de vulkanische ruwheid van de stenen te laten contrasteren met een zacht tapijt van wit geitenhaar. Verchroomde stoelen met witleren zitting staan opgesteld rond een strakke designsalontafel. Daarop liggen geen roddelblaadjes of tv-magazines. De dokter legt iedere week een vers exemplaar van het tijdschrift voor meerwaardezoekers op de stapel, nadat hij het zelf uitgelezen heeft. Ook het kruiswoordraadsel achterin is ingevuld, in zijn typische wormachtige handschrift.

Ik ben dankzij de tijdschriftstapel van dokter Coupez uitstekend op de hoogte van het gerommel in de gelederen van de Parti Socialiste, maar ook van de laatste interieurtrends en welke rosé het best geschonken wordt bij een sinaasbavarois. En het nauwelijks hoorbare maar onophoudelijk uit een beige transistorradio stromende Chopingetinkel kan ik zo meeneuriën.

Dat neuriën zou ik waarschijnlijk doen wanneer mijn borst niet haast zou imploderen als een beeldbuis. Want ik weet wat de grieperige of allergische anderen in de wachtkamer niet kunnen zien: hier zit een jongen met een levensbedreigende hersenvliesontsteking. Of natuurlijk kanker.

Het begon met kanker. M, de moeder van E, vertelde, terwijl ze thee uitschonk, over een jonge vader die ze als thuisverpleegster verzorgd had. Hij was violist geweest, een heel intelligente jongen die na een aantal onverklaarbare appelflauwtes te horen had gekregen dat hij nog vier maanden te leven had. Dat was drie maanden geleden, zei M, en vanmorgen had ze in het bijzijn van zijn jonge gezin zijn uitgemergelde lichaam voor een laatste keer met een lauw washandje bevochtigd, net voor hij ophield met ademen.

Niet nu doodgaan, niet voor onze songs schallen door alle radio’s van de wereld.

Ze sneed een cake in plakjes. En op dat moment kreeg ik kanker. Ik vertelde het aan niemand, want dat woord uitspreken zou het nog echter maken dan het al was. Hoewel ik gewoon naar de kunstacademie ging, boodschappen deed en op verjaardagsfeestjes grote blikken bier dronk, lag over mijn hele bestaan een dunne filter van allesverterende doodsangst. Een holle, afgrijselijke put in mijn buik die zo diep werd dat ik op den duur alleen nog languit op de sofa kon liggen, met een starre blik op het plafond gericht.

Ook in ons tentje op een verlaten camping in de buurt van Avignon waar E en ik in de herfst naartoe trokken om mijn zinnen wat te verzetten en eens echt te ontspannen in een landschap dat we kenden uit kunstboeken over de impressionisten, was het wanhopig knarsetanden geblazen. Hoe ik mij ook wentelde in mijn slaapzak, de knagende kankerpijn in mijn darmen viel niet te verlichten, het nachtelijke gekrakeel van de boomsprinkhanen klonk als hoongelach van het universum: met jou is het afgelopen, zielenpoot.

Wanneer ik in de behandelkamer afscheidsgeluiden hoor, valt alles stil. Mijn schoenen voelen zwaar aan als diepzeelaarzen wanneer dokter Coupez de deur naar de wachtzaal opendoet. Terwijl de vorige patiënt het trapje naar de voordeur neemt, sleep ik mijn slappe lijf anderhalve meter door de wachtkamer.

Daar is de dokter, nu zul je het hebben. Als kind al was ik doodsbang voor ziekenhuizen en dokters. Waarschijnlijk vanwege een nogal traumatische geboorte, ik ademde niet en ook een hartslag was niet te bespeuren, vertelde mijn moeder. Onvermoeibaar hadden zusters en artsen met gehandschoende vingers aan mij zitten frunniken door een gat in de couveuse waarin ik de eerste weken van mijn leven doorbracht.

Een jaar later sneed een Antwerpse chirurg zo’n groot jarenzeventiglitteken in mijn buik omdat mijn darmen in de knoop zaten en nog later moest de nauwe voorhuid van mijn garnaalpiemel eraan geloven.

Wat is er dan, vraagt ze radeloos. Ik wil zeggen: kanker natuurlijk, kijk dan naar die bult op mijn rib. Maar ik spreek het woord niet uit. Ik zeg: iets ergs.

Injectienaalden, de geur van ontsmettingsmiddel en de holle galm van de gangen moeten een diepe indruk hebben nagelaten, want elk routinebezoek aan de kinderarts ging voortaan gepaard met hysterische huilbuien en scheldtirades. Ik maakte er een gewoonte van om mijn kwaaltjes verborgen te houden. Een hele zomervakantie lang verbeet ik in stilte een ingebeelde liesbreuk, waar ik ineens enorm last van kreeg nadat mijn broertje geopereerd was, en ik wist zo het dokterskabinet te ontduiken.

Op foto’s zag ik jaren later een jongetje van acht met een ernstig gezicht zwanen voeren aan de oever van de Brugse reien. Ook schijn ik twee dagen op een soort paardenkamp geweest te zijn. Van die hele zomer herinner ik mij niets, alleen mijn zelfgesponnen web van leugens en angst staat me kraakhelder voor de geest.

Bij dokter Coupez is alles anders. In zijn spreekkamer vertraagt de tijd, lijkt de stilte te gonzen. Een klein bronzen beeld van een moeder met baby staat naast een rijtje Afrikaanse kinderkoppen uit ebbenhout. Hoe het met mij gaat, vraagt hij op lichte en geïnteresseerde toon. Hij heeft in het tijdschrift voor meerwaardezoekers gelezen over mijn popgroep, ik zal wel druk zijn.

Terwijl ik vertel glijdt de opgebouwde spanning van mij af. De dokter lacht klaterend zijn hoge lach, vouwt langzaam zijn in leder gebonden boekje open en neemt een luisterende houding aan. Niets in deze schijnbaar normale situatie doet vermoeden dat wij deze dans al twee keer eerder gedaan hebben deze week. Dokter Coupez en ik, wij doen elk bezoek alsof het de eerste keer is.

Een paar weken later moet de band de opnames voor de eerste plaat stilleggen omdat het echt niet goed gaat met mij. Ik slaap niet meer en mijn duizelingen beletten me om mij te concentreren op de zangtakes. Ook het plannen maken en bier drinken met mijn beste vrienden valt me zwaar, mijn gedachten dwalen steeds af naar mijn tumoren, het onvermijdelijke. Ik zeg dat het een beetje veel geweest is, de afgelopen maanden, het eindeloze touren, de druk. Zou je niet eens naar de dokter gaan, vraagt de bassist, oprecht bezorgd.

En dat doe ik. Slenterend over de mij zo bekende voetpaden langs de bibliotheek, het water, het statige herenhuis waar de dokter woont, en het arbeidershuisje aan de achterkant waar zijn praktijk is. De bakstenen, de wachtkamer, de tijdschriften.

E slaat hard haar grote grijze laptop dicht. Ze heeft de hele dag aan haar scriptie gewerkt en zegt dat ze genoeg heeft van mijn neerslachtige buien. Ze gaat naar een festival vanavond, in het theater waar ze een paar avonden per week als zaalmeisje werkt. Een technieker komt haar met zijn motor oppikken.

Mijn donkere blik en binnensmonds gejammer hebben haar afgemat. Al jaren luistert ze geduldig naar mijn klachten, mijn angsten. Probeert me te omhelzen wanneer ik star op de rand van het bed zit, in het midden van de nacht. Wat is er dan, vraagt ze radeloos. Ik wil zeggen: kanker natuurlijk, kijk dan naar die bult op mijn rib. Maar ik spreek het woord niet uit. Ik zeg: iets ergs.

Ik lig languit op het papieren laken dat dokter Coupez over zijn behandeltafel heeft uitgespreid. Hij laat een koele stethoscoop over mijn ontblote rug wandelen om aandachtig naar het kloppen van mijn hart te luisteren. Hij schijnt met een zaklampje in mijn ogen en vraagt of ik het licht kan volgen. Dan moet ik me omdraaien. Mijn buik wordt met zachte drukbewegingen onderzocht. Of ik mijn adem even wil inhouden en dan krachtig uit wil blazen.

Ik blaas gehoorzaam uit, stel me voor hoe binnenkort in het ziekenhuis een infuus in mijn pols geprikt zal moeten worden.

De dokter gebaart dat ik me mag aankleden.

Dan ga ik weer op mijn stoel zitten. Ik zet me schrap. In zijn patiëntenlogboek schrijft hij vier zinnetjes onder elkaar, kleine wormachtige letters.

Dokter Coupez kijkt me mild glimlachend aan. Hij vraagt of ik wel vaak genoeg naar de film ga. Of eens een goed boek lees.

Een tankstation tussen Breda en Utrecht. Ik klim aan de passagierskant in ons volgeladen busje, de flightcases hellen vervaarlijk over de achterbank, sigarettenrook hangt gewichtsloos tussen ons in. Mijn vrienden zijn uitgelaten. We spelen vandaag in de mooiste zaal van Amsterdam. Helemaal uitverkocht. Straks voor de soundcheck komen eerst onze Amsterdamrituelen. Burger King, coffeeshop, platenwinkel. Ik kijk naar het zwenken van de vrachtwagen naast ons en zet me schrap voor de impact van de botsing. Mijn knokkels zien wit van het knijpen in het deurhandvat. Niet nu doodgaan, niet voor onze songs schallen door alle radio’s van de wereld. Aan de andere kant, een snelle klap is beter dan de martelgang van een slepende ziekte. Ik houd mijn vinger tegen mijn halsslagader. Mijn hartslag gaat veel te snel, dit kan niet normaal zijn.

Dokter Coupez kijkt me mild glimlachend aan. Hij vraagt of ik wel vaak genoeg naar de film ga. Of eens een goed boek lees. De tumor in mijn buik is vermoedelijk een wat spastische dikke darm, een beetje vervelend maar volstrekt ongevaarlijk. De dokter neemt zijn langwerpige blocnote en kribbelt een recept voor magnesiumtabletten neer.

Neem dit de komende maand tweemaal per dag in na het eten, zegt hij. En maak je geen zorgen.

In een vreemde roes sta ik op, betaal, geef de dokter een stevige hand.

Ik moet nog niet sterven. Ik heb een heel leven voor me. Reizen, platen maken, kinderen misschien.

Dank u wel, dokter. Dokter Coupez knikt zacht en doet de deur open. Hij weet wat ik niet weet. Dat we mekaar over vier dagen weer zullen zien, voor een nieuwe dans.

Ik zweef de straat op. Vanavond verras ik E met een lekkere biefstuk, bruin gebakken in Solo-boter, zoals ze het graag heeft.

Hij schonk me zijn tijd, zag me zoals ik was, en stuurde me met een kleine dosis milde genade de straat weer op.

We hebben het nooit over onze dans gehad, dokter Coupez en ik. Geen enkele keer stuurde hij aan op het denkbeeldige karakter van mijn ziektes, het dwangmatig controleren van signalen die mijn lichaam me leken te geven, de frequentie van mijn bezoeken. Dokter Coupez was er. Hij schonk me zijn tijd, zag me zoals ik was, en stuurde me met een kleine dosis milde genade de straat weer op.

Wilde hij mijn wereldbeeld niet te zeer door elkaar schudden? Vond dokter Coupez zachte schouderklopjes voor deze patiënt doeltreffender dan diepgravende sessies bij een psychiater? Of had hij stiekem een discreet plezier in onze ontmoetingen? Ik heb me altijd veilig gevoeld in de handen van dokter Coupez, in het met watten beklede luciferdoosje waarin hij me telkens de wereld in leek te sturen.

Dokter Coupez was mijn anker, mijn sensei, mijn doekje voor het bloeden. Na mijn tijd in de kleine stad heb ik door de jaren heen een bonte stoet aan therapeuten opgezocht, om een wijd scala aan goede en minder goede redenen.

Mijn ingebeelde ziektes zijn bij dokter Coupez gebleven, in de wachtkamer wellicht, bedolven onder een dikke stapel tijdschriften.

Bent Van Looy (Antwerpen, 1976) is muzikant en beeldend kunstenaar. Daarnaast maakt hij radio- en televisieprogramma’s. Hij schreef vorig jaar een reisgids over Parijs, ‘Mijn Parijs’, en publiceerde in het verleden hier en daar een verhaal in Das Magazin. Jarenlang zag hij zijn huisarts vaker dan zijn moeder.

‘Op de sofa’, samengesteld door Maurits de Bruijn. Meer info via dasmag.nl

Partner Content