Noord-Zweden

01/01/09 om 11:00 - Bijgewerkt om 10:59

Bron: Knack Weekend

Noord-Zweden

Arvidsjaur is eigenlijk de koudste plek van Europa. Hoger in het noorden, boven de poolcirkel, komen geregeld warmere winden van over de oceaan. Die komen hier niet, de bergen op de Noorse grens houden die tegen.

Maar eigenlijk zijn we tot in Arvidsjaur gereden voor het Samendorp. Die 'authentieke nederzetting' van het nomadenvolk wordt bewaard op een relatief kleine weide, tussen een nieuwe woonwijk en een betonnen rustoord. Elke vergelijking met Bokrijk doet de Limburgers oneer aan. De houten huizen staan er wat verloren, losgerukt van enige betekenis.

Een nieuwe lente, een nieuw graf

Op de volgende stopplaats, Jokkmokk, net over de poolcirkel, is het even zoeken naar het oude kerkje. Los van het lage kerkgebouw staat een wondermooie klokkentoren, allebei zijn ze van hout en dieprood geverfd, net als de merkwaardige kerkhofmuur. Aan de straatkant lijkt die heel gewoon, een rode houten schutting, maar de achterzijde toont een lange open kast. Daarin werden vroeger de winterdoden opgetast, ze lagen er te wachten op de lente, tot de grafdelver zijn spade weer in de grond kreeg.

Intussen zijn de winters ontgonnen: pneumatische hamers en boren, ijsbrekers en sneeuwscooters laten het leven gewoon doorgaan, ook al vriest het maandenlang. Zodra de eerste vlokjes neerdwarrelen, begin oktober, rijden in alle steden en dorpen forse sneeuwruimers af en aan. De wegen worden berijdbaar gehouden met kiezelsteentjes, niet met zout.

In Umeå hoeft men de winkelwandelstraten, het busstation en de voetgangersbrug die over een paar 'drukke' wegen slingert helemaal niet te ruimen, die hebben simpelweg een verwarmd wegdek. Overal zie je geparkeerde auto's die met een snoer aan een parkeermeterachtig paaltje staan vastgeplugd, zo wordt hun motor elektrisch warm gehouden en hoeven ze nooit koud te starten.

De Zweden knipten ongemak na ongemak weg van de winter, tot ze vooral de pleziertjes overhielden. Skiën bijvoorbeeld, of meer specifiek: langlaufen. Voor de jaarlijkse Vasaloppet, een race van negentig kilometer, dagen vijftienduizend deelnemers op. De wedstrijd trekt bovendien evenveel toeschouwers en tv-kijkers als pakweg de Ronde van Vlaanderen.

De marathon tussen Sälen en Mora herdenkt de vlucht op ski's naar Noorwegen van nationalist Gustav Eriksson Vasa, in 1521. Diezelfde Vasa zou twee jaar later terugslaan, de wrede Deense bezetters verdrijven en de eerste koning van Zweden worden. Vasa was trouwens niet de eerste langlaufer. Het fraaie Svenska Skidmuseet in Umeå pronkt met de oudste ski's ter wereld, houten latten van 5200 jaar geleden (ouder dus dan de Egyptische piramiden).

Nog meer winterpret: hoewel de meeste Scandinaven stevig kunnen pimpelen, heeft hun liefde voor pimpla niets met drank te maken. Pimpla betekent ijsvissen: met een manshoge metalen boor een gaatje maken in het ijs, een haak met worm of kunstvlieg neerlaten en wachten tot een vis uit zijn winterpassiviteit opschrikt. Tijdens het pimpla moeten onwaarschijnlijk deugddoende vibraties uit de diepte opstijgen en via de korte hengel op de visser inwerken.

De beren slapen

Dat Fulufjället National Park ligt relatief zuidelijk, pakweg zeshonderd kilometer onder de poolcirkel, maar we treffen er een meer uitgesproken polair klimaat dan in Jokkmokk. In het Pan-park groeit een uitzonderlijk dik pak mossen doordat hier in geen 150 jaar rendieren hebben gegraasd.

Alle mogelijke technieken zijn aangewend om de bezoeker wegwijs te maken in het Pan-park. De vogels kregen elk een eigen kijkkastje, met video en flarden van hun zang. Van het kakelende moerassneeuwhoen over de dartele Siberische gaai (mascotte van het park) tot de ontzagwekkende ruigpootuil. Je leert er dat de bruine beer ongevaarlijk is, zeker als de cloudberries rijp zijn. Van die bergbraambessen schrokt hij honderd kilogram per dag op, en het park telt wel tien beren.

Vanuit Särna, een bekend skidorp met een schattig vurenhouten kerkje, waar we logeren in het STF Björkhagen (ook gelieerd met het Pan-park), rijden we 's anderendaags terug naar Fulufjället voor dé attractie : Njupeskär, de 96 meter hoge waterval. Maandenlang leunt die als ijsmuur tegen de bergkloof, dit is een favoriete plek voor ijsklimmers.

Eén grensverleggende ervaring hebben we opgespaard voor de laatste dag : een zeewandeling. In de vele inhammen en baaien van de Botnische Golf ligt het ijs begin april nog ruim veertig centimeter dik. We kiezen een mooie kustlijn uit in de buurt van Nordmaling. Het ijs kraakt en kreunt, maar draagt ons probleemloos.

Bron: Weekend Knack

Onze partners