Zes uur in de ochtend. Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Honderden Chinese toeristen haasten zich naar de lege vlaggenstok aan de noordkant van het plein. Ze dragen mutsen, want het vriest. In hun handen hebben ze een vlagje. Een plastic kopie van het echte nationale symbool dat ze komen groeten. Uit het oosten kleuren de gebouwen stilaan lichtpaars, zachtrood en fel oranje. Precies bij zonsopgang zijn ze daar, twintig handschoendragende militairen die in een stijlvolle choreografie tijdens de nationale hymne de vlag hijsen. De dag kan beginnen.
...

Zes uur in de ochtend. Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Honderden Chinese toeristen haasten zich naar de lege vlaggenstok aan de noordkant van het plein. Ze dragen mutsen, want het vriest. In hun handen hebben ze een vlagje. Een plastic kopie van het echte nationale symbool dat ze komen groeten. Uit het oosten kleuren de gebouwen stilaan lichtpaars, zachtrood en fel oranje. Precies bij zonsopgang zijn ze daar, twintig handschoendragende militairen die in een stijlvolle choreografie tijdens de nationale hymne de vlag hijsen. De dag kan beginnen. Voor ons begint die zoals voor veel gepensioneerden in Peking in het Park van de Tempel van de Hemel. We zien groepjes mensen op de houten leuning van een galerij zitten. Ze kaarten. Wat verder staan twee mannen met een kwast in de hand te discussiëren boven een poster. Vervolgens dopen ze de kwast in een emmertje water en gebruiken grote vierkante betonnen tegels van wandelpaden om hun karakters kalligrafisch te oefenen. Wij zouden met onze 26 tekens snel klaar zijn, maar de Chinese taal telt meer dan 3000 karakters. Meters en meters tegels vullen ze met vluchtige waterplekken. Ontroerend mooi, al staat er misschien wel aap, noot, mies. Minstens zeventig jaar oud zijn ze, de man en de vrouw die in een hoog tempo met hun voeten een soort schijf met pluim hoog in de lucht naar elkaar trappen. " Jienzi is de voorloper van jullie voetbalspel", beweert onze 26-jarige gids die als Engelse naam Stanley koos. De energie die deze bejaarden uitstralen is fascinerend. Even verderop gooien een paar kwieke zestigplussers hun benen in de nek. Op beelden van tai chi beoefenende groepen ouderlingen, zoals we even verderop zien, was ik voorbereid, maar dit niet. Stanley krijgt ons maar moeilijk mee naar het doel van ons bezoek : de Tempel van de Hemel midden in het park. Maar zodra we aan de grote gebedshal staan, ben ik ook daar weer amper weg te slaan. De volledig houten, ronde constructie op 28 palen is onlangs helemaal gerenoveerd en in felle kleuren geschilderd. Lijnrecht loopt de noord-zuidas door het park. Ideaal om te joggen of te om te wandelen. Of om achteruit te stappen, zoals een tiental mensen - mp3-speler in de oren - aan het doen zijn. "Achteruitlopen is heel gezond, hoor." relativeert Stanley mijn verbazing. Het is negen uur 's ochtends en ik heb mijn portie cultuurschok al vast. De Tempel van de Hemel is niet het enige monument dat recentelijk een facelift kreeg. Ook de Tempel van Confucius staat in de steigers en de indrukwekkende Verboden Stad is gedeeltelijk verborgen achter 3D-schetsen van het te verwachten resultaat van renovatiewerken. De reden voor deze opsmuk ? Volgend jaar ontvangt de stad de Olympische Spelen. Op de achtste dag van de achtste maand van 2008, om 8.08 om precies te zijn. Voor de goede verstaanders : acht is een geluksgetal in China. Op die dag richten de camera's van de wereld zich allemaal tegelijk op Peking en die proef wil de stad koste wat het kost goed doorstaan. De voorbereidingen beginnen een steeds hoger tempo aan te nemen. Bij het ontbijt lees ik in de China Daily drie krantenberichten die dat doen vermoeden. Eén : een Chinese christelijke beweging ijvert ervoor om alle hotelkamers van een bijbel te voorzien, "net als in alle hotels in Amerika en Europa". Iemand rekent uit dat de enige bijbeldrukker uit de Volksrepubliek het gewenste aantal nooit meer kan halen. Dus wordt er van gelovigen gevraagd "tijdelijk hun bijbel af te staan". Twee : de cursus Westerse etiquette, waarin tafelmanieren, liftgewoontes en hoe-hou-je-die-deur-openrituelen uit onze contreien geoefend zullen worden. Drie : vrijwilligers die willen meewerken aan de organisatie van Spelen kunnen zich inschrijven. Engels spreken is een voordeel. Niet alleen worden de mensen voorbereid en de monumenten opgekalefaterd, er wordt ook flink wat nieuwbouw neergezet : het hoogste reuzenrad ter wereld komt in Peking te staan. Grote internationale architectenbureaus krijgen er carte blanche voor de bouw van een televisietoren (Rem Koolhaas en zijn bureau AMO) ; voor een nationaal theater (de Fransman Paul Andreu) of een nieuwe luchthaven (Norman Foster). En er is natuurlijk de bouw van de sportstadions : een stalen vogelnest van onder anderen de Zwitserse architecten Herzog & de Meuron en een watersportcentrum met zwembad van de Australische architecten van PTW. Indrukwekkende architectuur in de steigers. Maar algauw stellen we dan toch die vraag die Stanley niet nog een keer wil beantwoorden : "Woonden er dan geen mensen op de plekken waar nu bouwputten zijn ?" "Jawel", zucht Stanley, "maar die mensen hebben een flinke compensatie gekregen om te kunnen verhuizen." Hij declameert het officiële verhaal. Hoewel hij het onmogelijk kan vertellen, weet hij ook dat de bewoners van de met de grond gelijk gemaakte wijken wellicht op een busreis van een à twee uur rijden van het centrum verwijderd wonen. Koste wat het kost dus. Als grote borden een volledige wijk aan onze ogen willen onttrekken, zijn we benieuwd. We stoppen en duiken de kleine straatjes in. Onze gids houdt niet van deze buurt, zegt hij. Hij loopt wel beleefd met ons mee, maar raadt ons af om hier eten of drinken te kopen. Hij haast zich om ons mee te nemen naar zijn lievelingsplek : Shishahai, een hutong wijk langs het kanaal. Ook dit soort historisch gegroeide wijken rond één sanitaire ruimte zou eigenlijk met de grond gelijk gemaakt moeten worden, maar de kleine lage grijze huisjes met goed verstopte binnentuinen, bleken een grote aantrekkingskracht te hebben op toeristen. En dus bleven er een paar staan en voeren jongens nu bezoekers op hun fiets rond. Langs de smalle, grauwe deurposten lachen zwijnen ons massaal toe. "In februari startte het jaar van het Zwijn", legt Stanley uit. "Een zeer gunstig jaar, want het zwijn staat onder andere symbool voor voorspoed op financieel vlak. We hadden een minibabyboom gedurende de eerste weken van het jaar." Des te opmerkelijk omdat er nog steeds een strikte familieplanning geldt. Koppels die meer dan één kind krijgen, betalen nog altijd een fikse boete. "Neen, het is niet leuk dat de overheid ingrijpt in ons privéleven. Maar zo gaat het hier nu eenmaal." Rond een dampende kop groentebouillon - huo guo - waarin we visballetjes, schapenvlees, en allerlei soorten groenten gaar koken, komen de tongen los. We zitten in een klein kamertje dat uitkijkt op de binnentuin van een restaurant. Ik voelde me niet vorstelijk ontvangen toen we door het hele restaurant liepen en langs een gang voorbij de keuken naar dit hokje verwezen werden, maar dit is wel degelijk de beste plek van het restaurant. Ze is volledig afgezonderd van eventueel meeluisterende buren : de ideale setting voor zakendiners en voor gesprekken die eventuele commentaar op de overheid kunnen bevatten. Eten speelt een belangrijke rol in de Chinese cultuur. Zo ook in het keizerlijke Zomerpaleis, op een klein uurtje rijden van het stadscentrum. Een 728 meter lange galerij met duizenden originele schilderijen (snapshots van keizerlijke reizen) loopt van de keukenvertrekken tot aan de marmeren boot in het water waar bij goed weer gegeten werd. Zo komt dat eten in optimale conditie aan tafel. Het is er ijskoud : er waait een strakke wind over de brug naar Nanhu-eiland, waar een tempel voor de drakenkoning gebouwd werd. Elk paadje, uitzichtpunt en platform in deze tuin is ontworpen voor een optimaal uitzicht, een ruimtecreërend effect of het tot zijn recht laten komen van een tempel. Een galerij van meer dan zevenhonderd meter mag dan al indrukwekkend zijn, de dag daarna bezoeken we de meer dan zesduizend kilometer lange verdedigingsmuur. Slechts een gedeelte ervan is toegankelijk voor bezoekers, maar daarom is het niet minder spectaculair om een kronkelend stenen lint moeiteloos hoogteverschillen te zien overbruggen. Dikke Duitsers durven er al eens meer moeite mee te hebben. Vooral als er een pittoreske laag sneeuw op de Muur ligt, zoals vandaag. Een paar uur vliegen daarvandaan kondigen zich dan weer de eerste tekenen van de lente aan. De witte magnolia is de officiële stadsbloem van Sjanghai. Ze staat in bloei in de Yutuin. Langs de zigzagbrug lopen we het historische centrum binnen. De was hangt uit ramen, op elektriciteitskabels en waslijnen. Mensen staan op de hoeken van de straten te praten, stapelen hun fietsen vol en kopen zoete fruitsatés aan kraampjes. Het lijkt er hier al honderd jaar op dezelfde manier aan toe te gaan, maar niets is minder waar. "Toen er een verkeersader door de stad moest worden gelegd en daarvoor het concertgebouw dreigde te verdwijnen, werd het gewoon steen per steen verhuisd, een paar honderd meter verderop." In Sjanghai worden we gegidst door twee hippe dames : Lu en haar piepjonge assistente Chang, die liever Ashiantee genoemd wordt. "Op dezelfde manier ontstaan in Sjanghai in een half jaar tijd parken met volgroeide bomen. Aangevoerd van buiten de stad."Als stadsplanners in China een park voorzien, komt er een park, zoveel is duidelijk. Sjanghai is sowieso groener dan Peking. Het is zaterdagmiddag en zonnig. We zitten op het dakterras van de Moca, het in 2005 voltooide Museum of Contemporary Art, midden in het Park van het Volk. We hebben er een magnifiek zicht op het Park Hotel, en op de rest van de skyline van de stad. Door het park wandelen we in amper tien minuten naar het Sjanghai Museum, een indrukwekkend gebouw met vier verdiepingen Chinese artistieke geschiedenis : keramiek, jade, brons van tienduizend jaar oud, bewerkt met technieken die niemand meer beheerst. En kalligrafie, muntenverzamelingen en etnische kostuums. In het park zelf is het druk : ouders komen met hun kind spelen. Ze blazen bellen, spelen met een vlieger of een bal. We hadden net zo goed in New York, Londen of Laken kunnen lopen. Tot we even verderop ineens tussen een groep mensen staan. Ze zitten op de grond met een kartonnen pancarte voor de neus. Of ze staan tegen een boom waar ze een kaartje aan gehangen hebben. Ik kan alleen de cijfers lezen : 1980, 1.65 staat er op het ene, 1978, 1.70, 10.000 yuan op het andere. Het blijken geboortejaren, groottes en salarissen van ongehuwde mannen en vrouwen te zijn. En de mensen die erbij staan, zijn de ouders die met hun enig kind komen leuren. Ze staan druk te onderhandelen en halen foto's boven. Indien mogelijk regelen ze een afspraak voor hun nageslacht. Onze gids Chang is 26 en ik vraag haar of zij het leuk zou vinden als haar ouders haar hier zouden staan verkopen. "Neen, maar als ik binnen de vijf jaar geen deftige partner aan hen voorstel, komen ze net hetzelfde doen. Daar ben ik zeker van." Niet alleen het Park Hotel ademt een New Yorkse sfeer uit, de hele Bund, die begin vorige eeuw gebouwd werd, is in Amerikaanse architectuur opgetrokken. De tientallen gebouwen naast elkaar worden dan ook de Chicago Mile genoemd. Samen met Nanjin Road zijn dit populaire winkelstraten. Er is niet alleen de almaar groter wordende groep Chinese rijken die de concept stores van Louis Vuitton, Dolce e Gabbana en Armani openhouden, er zijn in Sjanghai ook flink wat expats. Omdat die de woonprijzen de hoogte injoegen, legde de overheid onlangs nog nieuwe regels vast die het buitenlanders moeilijker moet maken om vastgoed te bemachtigen. Maar Sjanghai is altijd al de meest westerse stad van China geweest. Vanwege de haven, maar ook vanwege de tijdelijke Franse en Britse overheersingen van delen van de stad. De voormalige Franse concessie huisvest Xintiandi bijvoorbeeld, een gerenoveerde wijk die opgericht werd als entertainmentcentrum : met modeboetieks, designwinkeltjes, kunstgaleries, toprestaurants en open pleintjes. We steken de Huang Pu over, de Gele Rivier. En komen zo op de rechteroever terecht, Pudong. Dat stuk voormalig landbouwland werd in 1990 voorbestemd om de economische motor van China te huisvesten : eerst kwam er de televisietoren die de bijnaam Parel van het Oosten meekreeg. Het was het startsein om in een ongelooflijk tempo de ene na de andere wolkenkrabber neer te poten. Er is Jin Mao met zijn 421 meter hoogte. Er is de aanbouw van een nog hogere skyscraper pal ernaast. Vanaf de 88e verdieping van Jin Mao zie ik dat het hele gebied stilaan volgebouwd raakt. Alleen pal aan de oever ligt nog een gebied braak. "Daar starten binnenkort de voorbereidingen voor de wereldtentoonstelling van 2010", legt Lu uit. Na de Olympische Spelen het volgende project waarin China zich van zijn allerbeste kant zal laten zien. Op het vliegtuig naar huis zitten we samen met een groep gastarbeiders uit Chinees Mongolië. Zij reizen vanuit Peking over Brussel door naar Afrika. Daar gaan ze treinsporen, gebouwen of wegen aanleggen. Het zijn niet deze mannen en hun gezinnen die hebben kunnen profiteren van de spectaculaire economische groeicijfers van China de laatste jaren. Het zullen wel deze mensen zijn die ervoor moeten zorgen dat Peking en Sjanghai hun deadlines in 2008 en 2010 moeiteloos zullen halen. Tekst Leen Creve I Foto's Marc Goldchstein