:: Marthe Maeren, Dode letter,
...

:: Marthe Maeren, Dode letter, Manteau, 250 p., 18,95 euro.Zo Brugs als Pieter Aspe is, zo Gents is Marthe Maeren (46), pseudoniem voor de advocate Bernadette Demeule-naere. Ook zij smokkelt graag bestaande locaties en drankgelegenheden tussen haar verhaallijnen. We ontmoeten de schrijfster op het caféterras van een Gents etablissement dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Het Patijntje en Le Grand Bleu, niet in Dode letter voorkomt. Vriendelijk en down to earth tegelijk, die indruk maakt Demeulenaere. Ze heeft de anticiperende voorzichtigheid die typisch is voor advocaten. Als vennoot van een groot kantoor in Gent kent ze het klappen van de zweep. Het minste wat je van Dode letter kunt zeggen, is dat het boek een accuraat inside-beeld geeft van de ontoegankelijke microkosmos die de juridische wereld nog altijd is. "Ik ben blij dat u dat vindt", zegt de schrijfster. "Bij de uitgeverij dachten ze eerst dat ik overdreef. De wereld die u beschrijft, klonk het daar, dat zijn toch de Middeleeuwen ? Blijkbaar hadden ze medeleven met Seppe, de stagiair die ik in mijn boek al eens een nachtje laat doorwerken. Maar hard werken voor weinig geld is ook in de werkelijkheid de regel voor de beginnende advocaat. Veel patrons vinden het nog altijd een eer dat je bij hen de stiel mag leren." Marthe Maeren : De personages en gebeurtenissen in Dode letter zijn fictief. Ik heb het echter wel zo geschreven dat Frieda, mijn hoofdpersonage, op de dingen reageert zoals ik erop zou reageren. Ik wou een realistisch verhaal schrijven. Ik denk dat de advocaten reageren zoals advocaten, de magistraten zoals magistraten, zonder al te veel over de schreef te gaan. Ook de animositeit tussen beide beroepen is aan de werkelijkheid ontleend. Ik vind het belangrijk dat alles klopt, ook juridisch. In de rechtspraktijk maak je wat mee. Met moord ben ik tot dusver gelukkig nog niet geconfronteerd, maar ik stel me voor dat het elke dag zou kùnnen gebeuren. ( lacht) Ik ben niet het type, als je dat bedoelt, dat 's nachts gedichten zit te schrijven bij een fles wijn en flakkerende kaarsen. Ik doe mijn beroep graag en ik wil het ook blijven uitoefenen. Het idee om iets te schrijven, heeft mij echter altijd aangetrokken. Je hebt al eens behoefte aan iets luchtigers, iets waaronder je geen voetnoten hoort te zetten en waarin je personages kunt laten doen wat je wil dat ze doen. In tegenstelling tot cliënten spreken ze nooit tegen. Ik heb dat boek dus in de eerste plaats voor mijn persoonlijk plezier geschreven. Veertien maanden, meestal op zondag en tijdens de vakanties. Als je het graag doet, is dat geen probleem. Vroeger dacht ik : ooit schrijf ik een thriller, maar vooraf moet ik hoofdstuk per hoofdstuk weten wat er zal gebeuren. Zo werkt het dus niet. Toen ik begon, wist ik alleen dat het iets met aandelen te maken moest hebben. De rest van het verhaal is spontaan gekomen. De oude baan tussen Gent en Knokke, waarover ik elke dag twee keer drie kwartier rijd, bleek ideaal om plots te verzinnen. Het eerste hoofdstuk schreef ik in de kerk van het West-Vlaamse dorpje Dudzele. Mijn auto wordt daar onderhouden in een kleine garage. Terwijl dat gebeurt, heb ik altijd een halfuurtje time to kill. Op een keer ging ik in dat kerkje zitten. Behalve mijzelf waren er alleen een paar oude vrouwtjes aanwezig. De ideale plek om te denken. Opeens stond dat hoofdstuk daar, op de achterkant van een dossierstuk. Toen ik zestig bladzijden had, heb ik die naar Manteau gestuurd. Vergeet het. Mijn eerste bezoek was nogal ontnuchterend. Ik herinner me nog levendig hoe ik achteraf compleet de weg ben kwijtgeraakt in Antwerpen. Ik zat meer te denken aan wat ze gezegd hadden. Dat er te weinig vaart in zat, en dat de juridische stukjes te archaïsch waren. Eerst was ik daar wel ontgoocheld over. Als je iets aan het schrijven bent, denk je namelijk dat dat hét meesterwerk wordt van de laatste tien jaar. Maar achteraf blijkt dat de uitgever gelijk heeft gehad. Na drie, vier maanden schrappen en herschrijven, bleek het resultaat veel sterker. Sindsdien heb ik het manuscript nog wel een keer of vijf herwerkt. Je léért gaandeweg. Waar ik ook veel aan gehad heb, is dat boekje van Renate Dorrestein. Zonder haar Het geheim van de schrijver zou mijn boek hier wellicht niet gelegen hebben. Misschien moet ik Dorrestein wel een fles champagne sturen, ook al ken ik haar niet. Grisham heb ik zeer graag gelezen. The Firm, bijvoorbeeld, vond ik schitterend. Daarnaast onder meer Sue Crafton, al is die hier minder bekend, en P.D. James natuurlijk. John Fowls is mijn absolute favoriet. Geen misdaadschrijver, maar hij weet wél spanning in zijn boeken te krijgen. En Pieter Aspe, ja, die lees ik ook wel eens. Meestal wissel ik af : eerst een thriller, dan weer een gewoon boek. Thrillers zijn leuk, maar je mag er niet te veel na elkaar lezen. Ik denk niet dat ik er meer dan vier of vijf per jaar lees. Moorden zijn extreem, zowel voor degene die vermoord wordt (lacht) als voor degene die het doet. Ik denk dat het dat extreme is dat mensen aantrekt. Dat verklaart trouwens meteen ook de populariteit van assisenprocessen. Je moet maar eens zo'n zitting bijwonen : die zaal zit tot de nok vol mensen die met die zaak niets te maken hebben. Dat fascineert. Dat is natuurlijk het geconstrueerde van zo'n verhaal. Op het einde moet de puzzel netjes in elkaar passen. Zo'n thriller is als een zeepbel die je met zeepwater uit zo'n doosje blaast, en die al na een paar seconden uiteenspat. Dan moet het ook gedaan zijn. Maar het moet wel een mooi gekleurde zeepbel zijn, die fraai van je wegdrijft en waaraan je een paar seconden plezier kunt beleven. Zou kunnen. Als je schrijft, is het heel moeilijk in te schatten hoe ver je mag gaan. Wanneer is de lezer nog mee, wanneer haakt hij af ? Maak je het niet te ingewikkeld ? Het is heel moeilijk daar als schrijver zicht op te krijgen. (bezorgd) Maar vertel eens : vanaf wanneer wist je wie de dader was ? ( Opgelucht) Ha, dan is het goed. Dat was eigenlijk mijn grootste zorg. Ik wilde er toch een beetje een whodunit van maken. Ik vind dat je je lezer op zoveel mogelijk dwaalsporen moet zetten in de loop van je boek. Blijkbaar is dat dan toch gelukt. ( lacht) Ik voel me daar niet slecht bij. Commercieel is het wellicht een voordeel. Volgens sommigen zijn vrouwen in de Angelsaksische wereld geëmancipeerder, en houden ze daarom meer tijd over om te schrijven. Ik geloof daar niet veel van, hoewel ik me afvraag of ik nog aan schrijven zou toekomen mocht ik bijvoorbeeld kinderen hebben om voor te zorgen. Misschien speelt er ook een psychologische factor, en zet Dode letter er andere vrouwen toe aan om te gaan schrijven. Bij Manteau zit er alvast nog eentje aan te komen : Joke Spaey. Tekst Jean-Paul Mulders I Foto Guy Kokken"Ik vraag me af of ik aan schrijven was toegekomen als ik bijvoorbeeld kinderen had om voor te zorgen."