Het creatieve verhaal van Patrick Hoet begon met de bril, maar eindigt - voorlopig - met het interieur. Dit interieur boven zijn winkel in hartje Brugge is ook maar tijdelijk want hij verbouwt een loft in de buurt. Architectuur boeit hem steeds meer. "Dat is niet altijd zo geweest", zegt Hoet. "Het begon eigenlijk samen met het ontwerpen van brillen. Om onze collectie op beurzen te laten zien, moesten we stands bouwen. Dat mochten natuurlijk geen standaard standjes zijn, dus maakten we alles zelf, van de spiegels tot en met de tafels en stoelen. En dat deden we met beperkte middelen. Zo werken we nu nog; wat goed is, want creativiteit is het best gediend me...

Het creatieve verhaal van Patrick Hoet begon met de bril, maar eindigt - voorlopig - met het interieur. Dit interieur boven zijn winkel in hartje Brugge is ook maar tijdelijk want hij verbouwt een loft in de buurt. Architectuur boeit hem steeds meer. "Dat is niet altijd zo geweest", zegt Hoet. "Het begon eigenlijk samen met het ontwerpen van brillen. Om onze collectie op beurzen te laten zien, moesten we stands bouwen. Dat mochten natuurlijk geen standaard standjes zijn, dus maakten we alles zelf, van de spiegels tot en met de tafels en stoelen. En dat deden we met beperkte middelen. Zo werken we nu nog; wat goed is, want creativiteit is het best gediend met wat armoede." Met zijn stands ging Patrick Hoet de wereld rond, want brilmonturenproducent Theo komt op beurzen van New York tot Tokio. De reden waarom interieur en meubilair hem zo boeien, zit ook dieper. "Toen ik begon met brilmonturen te ontwerpen, beschikte ik over een enorme vrijheid. Als men je niet kent, kan je uitpakken met wat je maar wil. Maar hoe groter het bedrijf wordt, hoe minder vrijheid je hebt, want iedereen verwacht dat je aan iets beantwoordt. Bovendien ben je verplicht om veel meer te werken in functie van de markt." Daarom vindt zijn creatieve vrijheid nu een uitlaatklep in het interieur. Maar daarvan is deze flat nog geen goede weerspiegeling: Patrick Hoet creëerde wel de sfeer, maar van zijn meubelontwerpen is er er weinig te zien. Helemaal achterin ontdekken we wel een zitje in de vorm van een hand, ontworpen door Hoet. Wat vast meubilair betreft, tekende hij de wand met schuifdeuren, bespannen met gaas, die voor de ramen staan. Achter deze semi-transparante wanden gaan enkele opbergkasten schuil. Voor de rest werd dit interieur gecomponeerd met trouvailles en spontane decoratiedrift. Zo heeft Hoet het plafond behangen met zijn tekeningen. Het is geen bestudeerd interieur, maar een bescheiden flat die in alle vrijheid en volkomen pretentieloos is aangekleed. Hoet maakte dankbaar gebruik van de bestaande architectuur, zoals de schuine muur waartegen het huis steunt. Daar werd de verwarmingsradiator schuin tegen opgehangen: een leuk optisch effect. Het is geen woonruimte, maar veeleer een soort studio, volgestouwd met gebruiksvoorwerpen en inspiratiemateriaal, zoals tijdschriften. "Die heb ik altijd veel gekocht, vroeger wel meer dan nu", vertelt Hoet. "Ik ben dol op magazines. Natuurlijk niet van op allemaal. Mijn voorkeur gaat naar specifieke tijdschriften, als je ze zo nog mag noemen, zoals Addict, Visionaire en Dutch. Ze zijn rijk en tegelijk simpel, zonder veel publiciteit en met weinig meer dan prachtige foto's en een boeiende grafiek." Hoewel hij zelf helemaal in het zwart gekleed is, omringt Hoet zich graag met kleurtoetsen. Het dagbed achterin de flat is met groen fluweel bekleed. Middenin de kamer staan er ook twee sikkelvormige, steenrode volumes. "Die heb ik zopas gevonden in een curiosazaak in Brussel", legt hij uit. "Ze zijn ontworpen door een Japanner, denk ik. Ik vind ze zeer mooi van kleur."Hij heeft duidelijk affiniteit met design van de late jaren zestig en zeventig, toen interieurs werd overspoeld met organische vormen en felle kleuren. "Die horen thuis in een bepaalde sfeer", merkt hij op, "die door Wallpaper voor het eerst werd herwaardeerd. Nu zie je die stijl doordruppelen in alle mogelijke magazines. Ik heb die periode zelf ook meegemaakt. Vrij bewust, trouwens." Piet Swimberghe / Foto's: Jan Verlinde