De nog warme late namiddagzon weerkaatst op het water. We fietsen over de dijk die het uitgestrekte vogelreservaat in twee snijdt. Links is het water zoet, rechts brak. We zijn helemaal alleen. Al wat we horen, is het getsjilp en geroep van vogels. Ze fladderen boven het water, landen, stijgen op, zwemmen, duiken en schudden zilveren druppels uit hun veren. "Sht", zeg ik tegen Tom en ik stap van mijn fiets. Een eindje voor ons op de aarden weg ligt een familie rode vosjes te soezen in de zon. We naderen voorzichtig. Ze hebben ons gehoord. Ze zitten nu rechtop en kijken ons aan. Wij kijken naar hen. Ze vluchten niet. Achter hen, in de verte, ver voorbij het water en de moerassen, glinsteren de hoge glazen gebouwen van een stad in de nu vlammend-rode avondzon. Het is donker als we in die stad arriveren. Ze ligt aan de zee, achter een brede houten boardwalk. De gebouwen die erlangs liggen, zien er om ter gekst uit. ...