De nog warme late namiddagzon weerkaatst op het water. We fietsen over de dijk die het uitgestrekte vogelreservaat in twee snijdt. Links is het water zoet, rechts brak. We zijn helemaal alleen. Al wat we horen, is het getsjilp en geroep van vogels. Ze fladderen boven het water, landen, stijgen op, zwemmen, duiken en schudden zilveren druppels uit hun veren. "Sht", zeg ik tegen Tom en ik stap van mijn fiets. Een eindje voor ons op de aarden weg ligt een familie rode vosjes te soezen in de zon. We naderen voorzichtig. Ze hebben ons gehoord. Ze zitten nu rechtop en kijken ons aan. Wij kijken naar hen. Ze vluchten niet. Achter hen, in de verte, ver voorbij het water en de moerassen, glinsteren de hoge glazen gebouwen van een stad in de nu vlammend-rode avondzon. Het is donker als we in die stad arriveren. Ze ligt aan de zee, achter een brede houten boardwalk. De gebouwen die erlangs liggen, zien er om ter gekst uit. ...

De nog warme late namiddagzon weerkaatst op het water. We fietsen over de dijk die het uitgestrekte vogelreservaat in twee snijdt. Links is het water zoet, rechts brak. We zijn helemaal alleen. Al wat we horen, is het getsjilp en geroep van vogels. Ze fladderen boven het water, landen, stijgen op, zwemmen, duiken en schudden zilveren druppels uit hun veren. "Sht", zeg ik tegen Tom en ik stap van mijn fiets. Een eindje voor ons op de aarden weg ligt een familie rode vosjes te soezen in de zon. We naderen voorzichtig. Ze hebben ons gehoord. Ze zitten nu rechtop en kijken ons aan. Wij kijken naar hen. Ze vluchten niet. Achter hen, in de verte, ver voorbij het water en de moerassen, glinsteren de hoge glazen gebouwen van een stad in de nu vlammend-rode avondzon. Het is donker als we in die stad arriveren. Ze ligt aan de zee, achter een brede houten boardwalk. De gebouwen die erlangs liggen, zien er om ter gekst uit. Een immens hotel heeft de vorm van een stoomboot. Daarnaast ligt een slechte kopie van de Indische Taj Mahal. Witte stenen olifanten en palmen flankeren de ingang. Rond de vergulde torens vliegen honderden vogels rond. In het felle licht van de spots op het dak van de neptempel lijken ze sneeuwwit tegen de donkerblauwe hemel. Ze duiken, cirkelen, maken onophoudelijk capriolen. "Wat doen al die vogels hier?" vraagt Tom aan de portier van de Taj Mahal. "De lichten lokken insecten en de insecten de vogels", legt hij uit. We wandelen verder en passeren langs een gedrocht van een gebouw dat Caesar's Palace heet, met pseudo-antieke standbeelden in nissen en een Romeinse soldaat aan de ingang. U hebt het misschien geraden: we zijn in Atlantic City, "het Las Vegas van de oostkust", en al die rare gebouwen zijn casino's. We stappen er een binnen. Bally's Wild Wild West heet het. Een waterval die over een klif gutst, een sissende ratelslang en een gier die op een cactus zit (allemaal nep natuurlijk) moeten voor sfeer zorgen. Maar veel sfeer hangt hier niet. Het casino bestaat vooral uit een enorme zaal vol flitsende, ratelende gokmachines. Het lijkt een grote fabriek waarin alle arbeiders keihard aan hun machines zwoegen. Niemand lacht. Bijna niemand babbelt. De gezichten staan verbeten. Het lawaai is oorverdovend. We vluchten terug naar de boardwalk. Tien jaar geleden waren we hier ook. Er zijn nu nog meer en nog grotere en nog kitscheriger casino's, maar voor de rest ziet het er niet veel anders uit. Dikke mensen zitten wijdbeens frieten en hotdogs te eten op de bankjes aan de pier. De winkeltjes verkopen nog altijd prullen en de pandhuizen floreren als nooit tevoren. De zijstraten achter de casino's liggen er nog grotendeels verwaarloosd bij. Wandel drie minuten van de glitter weg en je begrijpt waarom Atlantic City de Zuid-Bronx aan de zee werd genoemd. Leegstaande gebouwen, afbladerende verf, braakliggende terreinen. Ooit was dit nochtans een van Amerika's beroemdste badsteden. Rond 1960 begon haar lot te keren. De mensen wilden andere vormen van ontspanning. Tegen 1970 was de bevolking van Atlantic City al met 20 procent verminderd. De overblijvers waren vooral bejaarden en arme niet-blanken. De casino's moesten het tij keren. In 1978 zwaaide het eerste gokpaleis zijn deuren open. Het was een instantsucces. De mogelijkheden leken eindeloos. Atlantic City lag in een dichtbewoond gebied met 50 miljoen mensen die 's morgens thuis konden vertrekken, hun dag konden doorbrengen in de casino's en dezelfde avond konden terugkeren naar huis. Het succes van America's Favorite Playground, zoals op een bord bij het binnenrijden van de stad te lezen staat, is onbetwistbaar. Meer dan 40.000 mensen, waarvan de meesten buiten Atlantic City wonen, werken nu in de casino's. Vorig jaar werd er een record van 34 miljoen bezoekers geteld. Samen verloren ze 4 miljard dollar; 30 procent daarvan kwam uit de zakken van bejaarde klanten. In 1998 alleen al betaalden de casino's 319 miljoen dollar belastingen. De staat die ooit gokken verbood, is nu zelf verslaafd aan de casino-inkomsten. Gokken mag nu dag en nacht. Er staan cashmachines in de casino's, gokkers krijgen krediet, en sinds enkele weken mogen casino's ook reclamespots tonen waarin je mensen ziet gokken. Er zijn dan ook steeds meer gokverslaafden, met alle gevolgen vandien. In augustus alleen al pleegden hier drie mensen zelfmoord in de casino's. Uitzonderingen zijn het niet. Uit een studie van gokverslaafden bleek dat 13 procent van hen een zelfmoordpoging had ondernomen; 1,5 procent van alle Amerikaanse volwassenen (drie miljoen mensen) hebben of hadden symptomen van gokverslaving, zoals geld lenen om te kunnen verderspelen. In ons hotel leunen we over de balustrade van de wandelgang voor onze kamer. Diep onder ons ligt de binnentuin. "Je bent gegarandeerd dood als je naar beneden springt", zeg ik wat overbodig.Jacqueline Goossens Vanuit New York