Eindelijk wordt tuingerief uit grootmoeders tijd naar waarde geschat. De tijd dat ouderwetse ijzeren grasmaaiers en haagscharen, hakken en harken, schoffels en schoppen met het grofvuil werden meegegeven, is voorbij. Wat oudroest leek, blijkt na een grondige schoonmaakbeurt een juweel. Afgedankte gereedschappen worden opgepoetst, geboend en als sieraden tentoongesteld in het interieur. Bij ons is het een nieuw fenomeen, maar in het buitenland is het al een tijd in zwang: wat op antiek gerei lijkt, is geld waard.
...

Eindelijk wordt tuingerief uit grootmoeders tijd naar waarde geschat. De tijd dat ouderwetse ijzeren grasmaaiers en haagscharen, hakken en harken, schoffels en schoppen met het grofvuil werden meegegeven, is voorbij. Wat oudroest leek, blijkt na een grondige schoonmaakbeurt een juweel. Afgedankte gereedschappen worden opgepoetst, geboend en als sieraden tentoongesteld in het interieur. Bij ons is het een nieuw fenomeen, maar in het buitenland is het al een tijd in zwang: wat op antiek gerei lijkt, is geld waard.Sinds de Amerikaanse interieur- en architectuurjournaliste Suzanne Slesin in 1996 het fraai geïllusteerde Outils de jardin uitgaf, is het hek van de dam. Ook in ons land speuren steeds meer mensen naar oude tuinspullen. Dat is een positieve evolutie. "Tuingereedschap verdient wat meer respect", zegt verzamelaar Marcel Cornille. "Het is meestal gemaakt door een ambachtsman en draagt de sporen van noeste arbeid. Die charme missen we vandaag, want onze moderne werktuigen verouderen niet mooi." Als handelaar in oude buxusplanten en antieke tuinobjecten volgt hij de trend op de voet. Wat hem het meest aantrekt in deze voorwerpen, naast hun schoonheid, is het feit dat het producten zijn van de ervaring. "Tuingerei werd steeds aangepast aan de noden van de gebruiker. Zelfs een simpele hark werd tot op de millimeter aangepast. Daarom overleefden enkel goede voorwerpen de tijd: wat onnuttig of onhandig bleek, werd weggegooid." Alle oude tuinwerktuigen bespreken is onmogelijk, omdat er ontzettend veel soorten zijn. Eeuwenlang beschikten hoveniers over weinig meer dan een hak en een spade, een sikkel en een paar messen. Daarin kwam pas in de 16de eeuw verandering. De ontdekkingsreizigers brachten uit de Nieuwe Wereld vreemde planten mee die een eigen cultuur vereisten. Zo ontstonden bijvoorbeeld specifieke recipiënten voor orchideeën, tangetjes om naalden uit cactussen te verwijderen en messen om varens te snijden. De tuinaanleg werd belangrijker, ingewikkelde patronen kregen succes. De gaardenier moest de hulp inroepen van een landmeter, want het aanleggen van een Franse tuin vergde zeer veel meetwerk. Men mat aanvankelijk met een touw met knopen erin, tot men ijzeren kabels ontwikkelde, met ringen erom die de afstanden preciezer konden aanduiden. Ten tijde van Lodewijk XIV waren hagen erg in trek, en daarvoor werden complexe smoeimechanismen uitgedokterd. Toch duurde het nog tot de 19de eeuw voordat er gespecialiseerd gereedschap op de markt kwam. "Vooral in Engeland was de verscheidenheid aan werktuigen enorm groot. Bovendien maakten de Britten alles op maat. Van een schop werd zelfs de steel afgestemd op de lengte van de rug van de gebruiker", merkt Marcel Cornille op. De 19de eeuw was de bloeitijd van de horticultuur. Er werd geëxperimenteerd met planten en technieken, men ontwierp gespecialiseerde werktuigen, fabrikanten schoten in gang. Peugeot bouwde in 1810 een eerste fabriek van tuingereedschap in Saint-Etienne. Tegen 1880 werd er zoveel verkocht dat de lokale smid niet meer aan de vraag kon voldoen; vooral fabrieksarbeiders vervaardigden toen het tuingerei. Voor vernuftig tuig kon dat ook moeilijk anders. De grasmaaimachine bijvoorbeeld, die in 1830 op punt werd gesteld door de Britse ingenieur Edwin Budding. Voor die tijd werd er grasgemaaid met de zeis, maar toen gazonmaaiers steeds beter functioneerden, namen de grasperken in omvang toe. In de vorige eeuw ontstonden er twee soorten tuingerei: gereedschap dat altijd ter plaatse bleef, zoals kruiwagens, ladders, spaden, harken en schoffels; en het alaam dat persoonlijk bezit was van de tuinman, zoals snoeimessen en -scharen. De werktuigen werden ook steeds steviger. De houten schop en hark werden langzamerhand volledig in ijzer vervaardigd. En nieuwe materialen deden hun intrede. Glas, bijvoorbeeld. Glasplaten werden goedkoper en groter, en zo kon de serrebouw zich ontwikkelen. Er kwamen ook meer gebruiksvoorwerpen van glas, zoals stolpen om kiemende planten te beschermen. Hoewel er al glazen stolpen bestonden in de 17de eeuw, stammen de meeste uit de 19de eeuw en werden ze vervaardigd door Franse glasblazers. Ook vroeger werden insecticiden gebruikt. Vóór het bestaan van chemische insectenverdelgers beschilderde men de stammen van fruitbomen met een mengsel van zwavel en pek, of van as en citroensap. Soms werden rond de boomstam platen van zink of lood aangebracht om kruipend ongedierte te weren. Maar in de vorige eeuw spoot men ook pesticide. Voor die oude koperen en blikken sproeiers hoesten verzamelaars heel wat duiten op. Oud tuingerief verzamelen, wordt pas avontuurlijk als je spullen op de kop tikt waarvan de functie je ontgaat. Gelukkig bestaat er veel vakliteratuur waarin tal van objecten zijn afgebeeld, maar toch blijft het soms moeilijk te achterhalen waartoe iets diende. Er zijn zoveel soorten messen en hakken met een specifiek doel. Ook voor de oogst werden aparte werktuigen bedacht: onze voorouders knutselden bijvoorbeeld hulpstukken in elkaar om fruit te plukken zonder dat het op de grond valt. Zulke voorwerpen zijn stuk voor stuk leuke geschenken, maar makkelijk zijn ze niet te vinden. Misschien tref je ze aan op een vlooienmarkt, of bij een handelaar in oud ijzer. Een ander nadeel: de prijzen stijgen. Mooie haagscharen of handgesmede harken kosten al snel een paar duizend frank. Met wat geluk vind je in grootvaders schuurtje een antieke schoffel, en wie weet is dat het begin van een mooie collectie.Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde