"Ken je dat," vraagt Tommy, "zo'n gesluierde vrouw die tergend langzaam het zebrapad overschonkt en je een giftige blik toewerpt, met een air alsof jou koejoneren een daad is van islamitisch verzet ?"
...

"Ken je dat," vraagt Tommy, "zo'n gesluierde vrouw die tergend langzaam het zebrapad overschonkt en je een giftige blik toewerpt, met een air alsof jou koejoneren een daad is van islamitisch verzet ?" Mijn fietsenmaker is kwaad op de ministers, op het asielbeleid, op de Rondetafels van de Interculturaliteit en op zo nog een paar dingen. "Vijfhonderd euro per dag als de overheid geen opvang vindt", zegt hij, de steen des aanstoot uit zijn bak met schroefjes opvissend. "Dat is toch niet ernstig ? Verdien jij vijfhonderd euro per dag ? Ik niet. Ik moet van zeven uur 's ochtends velo's vermaken om mijn sociale lasten te kunnen betalen, als kleine zelfstandige die in het zweet zijns aanschijns zijn boterham verdient." In het zweet zijns aanschijns, zo zegt hij dat. Tommy is een gesjeesde student economie. Op de muren van zijn atelier staan spreuken van Marx en van Toon Hermans, ik weet mijn handwerkslieden te kiezen. De laatste jaren zijn hem echter de schellen van de ogen gevallen. "Ik ben geen racist", zegt hij. "Ik ben zelfs niet het soort dat zégt geen racist te zijn om vervolgens racistische praat te kunnen uitslaan. Mijn lief is Nigeriaans en het klopt wat ze beweren : once you go black you never go back. Maar Adoara spreekt vlot Nederlands en denkt hetzelfde als ik : je hebt mensen nodig die mee hun schouders zetten onder het systeem. Geen leger nooddruftigen die wachten op alweer een volgende 'eenmalige' regularisatie." Hij geeft een nijdige ruk aan het wiel van mijn fiets, die aan solide kettingen aan het plafond bengelt. Het doet hem plezier dat mijn voorlamp weer werkt. "Onlangs zag ik, in het portaal van een gebouw, een zee van schoenen. Katholieke Universiteit Leuven, stond op het bordje aan de gevel, Studentenmoskee. Maar de k van katholiek staat ter discussie. Het is ronduit masochistisch, de nonchalance waarmee wij onze waarden in de uitverkoop zetten." Bij onze waarden denk ik aan tomatensoep met balletjes en aan luxeauto's die op zondagochtend met een lauw sopje worden vertroeteld. Maar ik begrijp wat Tommy bedoelt. Het is verbijsterend premiers en presidenten opeens te horen verkondigen waarvoor Jan met de pet jarenlang is verketterd : dat de multiculturele samenleving scheitert, om het in goed Duits te zeggen. Hoopte ik nog stiekem dat alles kaderde in een Groot Plan dat de regeerders te gepasten tijde zouden ontvouwen, dan is die illusie nu toch ver te zoeken. "In Brussel is Mohammed allang de populairste naam voor pasgeboren jongens", zegt Tommy. Nog een jaar of tien en wij hebben niets meer te piepen. Nu al durven banken geen spaarvarkens meer af te beelden. Onreine dieren, weetjewel ? Wat zal het volgende zijn : kerstbomen op straat die beledigend worden bevonden ? Mijn fiets is klaar, ik ben blij aan de beklemming van de werkplaats te kunnen ontsnappen. De straten van de voorstad geuren naar soep, wat mij aan huisvrouwen met engelenhaar doet denken en zonder zichtbare samenhang aan Roy Orbison. Op een muur staat in koeien van letters gekalkt : MOOI HE... ALLES ! Het doet mij glimlachen dat iemand het risico genomen heeft die boodschap zo groot op zo'n opvallende plek aan te brengen. Enige tellen lang vraag ik mij af op de kalker zijn bericht ironisch zou hebben bedoeld (*). Op weg naar huis zoek ik de troost op van de Aldi om er - grondig schoon in elk hoekje dankzij speciaal spleetmondstuk ! - een 'Zuigfix voor stofzuiger' te kopen. Properheid zal ons redden, waarschijnlijker dan goden of sterke mannen. In mijn enthousiasme laat ik het kartonnen doosje vallen dat een glazen theekop bevat. De blonde werkneemster die de rekken bijvult, hoort het gerinkel. "Dat zult u moeten betalen, mijnheer", merkt ze nijdig op. "Want u hebt geen winkelkar genomen. U bent verplicht een winkelkar te nemen, dat staat bij de ingang op het uithangbord. Zoniet bent u aansprakelijk voor aangebrachte schade." Nènènènènèèè-nèh, zegt ze er nog net niet bij. Ik besluit mij niet te laten kennen, maar begeef mij lijdzaam naar de kassa, met de Zuigfix, zes rollen toiletpapier en de kapotte theekop. "Ik heb die laten vallen", beken ik met hangende pootjes aan de caissière die Khadija heet. Ze glimlacht weemoedig en zet het doosje opzij zonder het aan te rekenen. "Nog een fijne dag voor u mijnheer." Op de parking moet ik aan Tommy denken. Veel prettiger inderdaad, door eigen volk gekoejoneerd te worden. (*) Bij nazicht blijkt het hier, helaas, geen individuele verzuchting te betreffen maar een slogan van Loesje (www.loesje.nl). jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders