Eenmaal thuis na anderhalve week Milaan en Parijs, heb ik meteen It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back gedraaid. Het is de tweede langspeler van Public Enemy, uit 1987, een van de meest essentiële albums uit de eighties en het startsein voor de brandbom-hiphop, een genre dat nu eigenlijk niet meer bestaat, aangezien ten minste die muzikale strijd gestreden is. En toch heb ik, bijzonder luid, hun Rebel Without A Pause en Prophets Of Rage gespeeld, om een en ander door te spoelen, maar ook omdat zulke nummers de ideale soundtrack waren geweest bij bepaalde collecties, toch in mijn hoofd. Op de hoesfoto (van de Californische undergroundheld Glen E. Friedman) staan Chuck D. en Flavor Flav, de twee kernleden van Public Enemy, achter tralies afgebeeld. Ze dragen donkere bomberjacks. Op de achterkant staan ze er weer, nu omsingeld door de rest van de groep, allemaal in overalls met camouflagevlekken. Het logo is geschreven in militaire sjabloonletters, en een pictogram toont een zwart silhouet dat de armen kruist, in het vizier van een geweer.

Andere maar even veelzeggende portretten van Public Enemy zitten in het aanbod van Uniforms: Order & Disorder (zie ook Pousse-café in dit nummer), de thematentoonstelling van de mannentrendbeurs Pitti Imagine in Firenze, een expo met een zodanig juiste timing dat het op een samenzwering lijkt. Want de mannenmode, vooral de Milanese, kiest weer voor militair en legergroen, voor soldaten en kazernes. Of toch voor een gemakkelijk te begrijpen evocatie daarvan.

De vorige seizoenen stond de identiteit van de man een beetje in de uitverkoop, want nooit was er toen zoveel discoglitter en poederdoosglamour te zien. Het was (nu ja, is, want de desbetreffende outfits staan nog steeds in de uitstalramen) een riskante poging om de mannenmode zonder teugels te laten draven, maar nu al beseft de ontwerpersgilde dat de modale man toch maar liever niet op zijn kapper wil lijken. Terug naar de roots dus, en vooral terug naar hypermasculiniteit, in de hoop dat niemand ook daar het campy element van inziet.

Bij het defilé van Moschino is het al zover: net als bij vele andere modehuizen zijn er glanzende boots en strenge kepies, maar helemaal in de geest van de te vroeg overleden stichter van het merk wordt deze uniformtrend al op voorhand geparodieerd via een onmiskenbare ode aan Tom Of Finland, de pornotekenaar die politie- en matrozenpakken voor eens en altijd homoseksueel maakte. De Moschino-jongens zijn aldus wezen stijlsurfen in een leernichtenbar en wandelen als klaar voor de aanval, met hun duim in de riemlus van hun zorgzaam opgepoetste lederen broeken, die met metalen kettingen omhangen zijn.

De rest van de uniformminnenende designers speelt het evenwel straight, vooral om dubbelzinnigheden te vermijden. De liefst nooit vuil te maken combat boots en trenchcoats bij Jil Sander, de haast vintage lijkende militaire capes bij Miu Miu, de legerriemen bij Ferré, de loopgraafjassen bij Fendi, de gouden, Napoleontische kwastepauletten bij D&G, de met bont gevoerde camouflagebombers bij Gaultier: allemaal moeten ze ervoor zorgen dat mannen zich weer man voelen, desnoods met uiterlijke tekens. Eerder dan een politiek statement is de uniformenlook een psychologisch ondersteunende knoop in de zakdoek, een houvast in belaagde tijden. De mannelijke psyche, het is geen nieuws, staat onder druk; geen betere moment dus om alvast de rekwisieten van de zolder te halen, nu mannen zich hier en overal moed inpraten om het zwaard te heffen tegen allerhande geesteskwellingen.

Aan de andere kant is de plotse overdaad aan oorlogsplunje er een beetje laattijdig gekomen, want het straatbeeld krioelt al tijden van de combat trousers en poolreizigersjassen. Zelf draag ik al jaren een kakigroene parka, gekocht in een Parijse stock américain, voor 300 Franse frank. Alleen daarom al hou ik van mijn jas, maar vooral omdat hij volstrekt anoniem is, en schijnbaar onverslijtbaar (en hij kan mits een uitgestreken gezicht mijnentwege ook nog doorgaan voor een ontwerp van Helmut Lang, wat in sommige omstandigheden erg handig is). Ik heb niet meteen iets tegen het designerfanatisme voor alles wat olijfgroen is en koperen knopen heeft, maar het klaroengeschal heeft iets reactionairs, ja zelfs defaitistisch. Vandaar mijn plotse zin in Public Enemy, want die hadden tenminste een revolutie voor ogen.

Een nog steeds realistischer wapen tegen tanende masculiniteit heet geld en status, touwtjes die maar niet willen knappen. Zie het defilé van Dolce & Gabbana, dat een glimmende, rode Ferrari in het midden van het decor als lokaas heeft. Het autologo verschijnt op veelkleurige racejacks en op met lederen linten gevlochten truien, en de rest van de collectie (smalle, Engelse pakken, zijde en bont) is ook bestemd voor hen die de pitsstops het liefst vanuit een loge bekijken.

Versace zegt het nog altijd met goud, zodanig luid dat er nog weinig tegenin te brengen is. Donatella klinkt wel wat schor dit seizoen: haar ontwerpen leunen erg dicht bij de sjoemelaarslooks uit Duitse B-films, wat iets heeft, maar enkel als men er te lang over nadenkt. Ik wacht liever de campagnefoto's af. Die worden vast fantastisch, hoewel zo'n vooruitzicht wat mager uitvalt tegenover de daadwerkelijke kleren.

Versus, de bijlijn, is trouwer aan de huisstijl. Want de op-artprints spatten zelfs uiteen op de muren en op de vloer van de defiléruimte, zodanig dat de Vasarely meets Keith Haring-bedrukkingen op de wapperende redingotes en rockbroeken plots niet meer zo radicaal ogen. Een verwezenlijking op zich.

Giorgio Armani van zijn kant herpakt zich op zijn manier, want zijn overjassen en grotebaaspakken hinken de tegenwoordige, van jeugdigheid bezeten tijdgeest niet meer achterna. In plaats daarvan heeft hij zijn eigen pluspunten herontdekt. Alsof hij duidelijk wil maken dat toch iemand moet zorgen voor blind te kopen herendegelijkheid.

Boss, de Duitse pakkengigant, wringt zich nu ook tussen de klerenmakers met naam en doet aan upgrading via grootschalige Milanese shows en vlottige urban looks, wat een gelegitimeerde marketingzet als een ander is, identiek aan die van Calvin Klein. Het heeft hen geen van beiden windeieren gelegd.

Maar dat kleinschalig ook werkt, tonen ontwerpers als Stephan Schneider of Christophe Charon aan: de eerste presenteert zijn naïeve, waarschijnlijk op ruitjespapier ontworpen kleren op jongens die zich stuntelend aan- en uitkleden, de andere droogweg in zijn bureau, waar zwartlederen werkmansvesten, dikgebreide cardigans en sweaters met een pistool erop (in fluoroze) op een rek hangen, naast zijn platendraaier en boekenkast.

Bij Martin Margiela kom ik ook graag, want daar staat een stoel klaar, een asbak en een persverantwoordelijke, die elk nieuw bijgekomen kledingstuk van uitleg voorziet, zelfs als het er al op de kapstok goed uitziet. Deze keer zijn er gilets in jeans met rubberen bierdoppen als knopen, en road movie-achtige trenchcoats, in pig skin, wat al bij al vinniger klinkt dan varkenshuid.

Own, uit Brussel, stapelt kartonnen dozen op elkaar om een decor voor hun eerste bonafide defilé te bouwen, een beetje zoals op kamp. Hun kleren zijn fris en bedrieglijk gewonig (maar net niet), en ook bescheiden, wat een verdienste is.

Ik denk niet dat Hedi Slimane van de mensenmaat houdt. De afgelopen maand heb ik zijn nieuwe, nogal duur uitgevallen werkruimtes in vijf verschillende modebladen kunnen bekijken, ongevraagd zelfs. Ik vind de renovatie van een atelier een vrij banaal, weinig nieuwswaardig gegeven, maar Slimane denkt daar anders over: nu hij de mannenlijn van Dior ontwerpt, telt elk detail, vooral de bijkomstige, want hij speelt op eigen vraag mee in een ver-van-ieders-bed-show, die in Modeland toch gretig bekeken wordt. De inzet is Het Silhouet Van De Toekomst, en zijn rivaal heet Tom Ford, die nu Slimanes vorige job, als mannenontwerper bij Yves Saint Laurent, met vele dollars heeft gekocht. De twee hebben de reputatie van een huis hoog te houden, maar blijkens hun beider pogingen is dat allesbehalve hun belangrijkste missie. Ze spelen het op de man, daarbij aangevuurd door sensatiehongerige perslui en meer dan een handje geholpen door andere protagonisten: dat nota bene Yves Saint Laurent zelve op het Dior Homme-defilé verschijnt en na afloop ervan als eerste rechtspringt voor een staande ovatie, is een zet waarvoor reguliere scriptschrijvers doorgaans erg goed betaald zouden worden. En dat Ford zijn modellen sluw verkleedt als Yves-in-zijn-jonge-jaren, compleet met de karakteristieke hoornen bril en lichtjes geföhnde haarcoupe, kan tellen qua dubbelzinnige hommage.

Zowel de Dior- als de YSL-presentaties zijn van het soort dat ik in een luie bui adembenemend zou noemen, want op een cent is niet gekeken. De collecties in kwestie zijn evenwel geen van beide verrassend. Slimane fröbelt verder op zijn slinkse schandknaapstijl die in theorie, en vooral uit zijn mond, ieders bloed sneller doet stromen. Maar in realiteit blijkt die een beetje een sof, want de scherpte van zijn vroeger werk ontbreekt, en de vooropgestelde fusie van elegantie en gevaar heeft vooral een déjà-vu-effect. Ford houdt zich eerder kalm en doet het met een in de seventies gedrenkte look, met smokings en overjassen in zwart en wit, eerder onderkoeld dan flashy.

Zowel Slimane als Ford hebben al genoeg trofeeën op hun schoorsteenmantel staan, dus aan het uitdelen van awards doe ik niet mee. Maar ik vind dat Ford op punten wint, op basis dan van zijn collectie voor Gucci, die tegen alle verwachtingen in en binnen de grenzen van het genre overtuigend sterk is. Gucci, dat zich de laatste tijd flink aan het verliezen was in fatterige nonsens, zit in de revanchefase, en Ford pareert nu paradoxaal genoeg met een gelaten take it easy-boodschap. Zijn muze is tegen diens wil en dank John Lennon, maar de outfits zijn geen karikatuurparade: er zijn laaghangende, afgewassen jeansbroeken, en met schapenbont gevoerde denimjassen, ivoorkleurige smokingjassen, bruinfluwelen pakken en landelijke hippietruien met kruisjessteken. Starting Over en Beautiful Boy zingt Lennon op de geluidsband, en de modellen dragen zijn pet en hebben lang haar, sommigen zelfs een baard.

Ook bij Comme des Garçons is het peis en vree, zij het dan met de aldaar gebruikelijke elektrische shock als intermezzo. Zowat alles is in fluweel uitgevoerd, soms bedrukt met behangbloemen, soms ondergespuwd met de helste fluo's, en de enkellange, ultrasmalle mantels en binnenstebuiten gedragen cardigans kunnen ieders kast in.

Wie zijn kleren dan weer eerder echt duurzaam en toch alledaags wil, kan bij huis van vertrouwen Hermès terecht, en degenen die op het punt staan af te zien van hun popsterdromen (wegens volstrekt onbereikbaar), vinden een sessiegenoot bij Xavier Delcour, die nog maar halfslachtig meer met glinster strooit.

En de collectie van Dries Van Noten is als het doorlopen van een nautisch getint grootwarenhuis, want er is van alles te vinden: van dikke truien met adelaars erop, seventiesbroeken met een beleefd voyougehalte, denim pakken in vuile pasteltinten en smalle zeemanstruien. Allemaal voor vaders en zonen die elkander kunnen uitstaan.

Vuitton daarentegen is er strikt voor hen die de kantoorbourgeoisie aanhangen, want de outfits zijn stuk voor stuk troosteloos klassiek, hoe hard huisontwerper Marc Jacobs ook probeert er met sjaaltjes en rare kragen schwung in te brengen.

Dat Raf Simons terug van (1 seizoen) weggeweest is, is een erg goede zaak voor de mannenmode, want er is nooit genoeg plaats voor wat eigenzinnigheid. In wezen is hij zijn stijl trouw gebleven, en toch is alles anders: zijn nog steeds tegen alles in denkende isolated boys dragen nu oversized ruiten hemden, wijde, gewatteerde regenjassen en xxl-bombers, allemaal over elkaar heen, of veel te grote sweatshirts met een kap, waarmee ze op anarchomonniken lijken. Op hun truien zijn op stof gedrukte foto's genaaid, van Christiane F. en van Richey Edwards, de sinds jaren vermiste Manic Street Preacher die 4 REAL in zijn arm kerft. De setting van zijn zoals steeds indrukwekkende defilé is koud en industrieel, en de muziek striemt en krijst, maar dat zijn afleidingsmanoeuvres: hoe rattig en ingeleefd de Simons-items ook ogen, hier draait alles om romantiek, of toch over verloren dromen.

Bij Yohji Yamamoto hangt er ook weemoed in de lucht, zij het van een opgeruimder soort. Het algemene legerthema zet hij mooi naar zijn hand, want zijn officiersjassen zijn gebreid en hebben toch een viltig effect. En zijn hoog tegen de kin dichtgeknoopte pakken maken van zijn modellen voor een keer geen macho's, eerder kwajongens. En hij draait geen muziek, waardoor ik mij veel minder moet concentreren om er mijn eigen geluid bij te verzinnen.

Peter De Potter